Toelichting bij de teksten

De genese van de compilatie

Onderzoek van de materiële samenstelling van het handschrift heeft uitgewezen dat het handschrift niet in één keer maar in fasen tot stand is gekomen (zie ‘De genese van het handschrift’). De compilator blijkt zijn oorspronkelijke plan om alleen de drie kernteksten - Lanceloet, Queeste vanden Grale en Arturs doet - bij elkaar te brengen, gewijzigd te hebben.Lanceloet,* Queeste vanden Grale* en Arturs doet. Onregelmatigheden in het handschrift op de plaatsen waar de zeven andere teksten zijn ingevoegd, vormen duidelijke aanwijzingen dat het gedeelte met de drie kernteksten (verdeeld over deel 1 en 2 van de set met de compilatie) is opengebroken om de invoegingen in – in elk geval het Haagse handschrift – mogelijk te maken. Inhoudelijke en materiële aanwijzingen illustreren dat de Perchevael – in verkorte en bewerkte vorm – als eerste werd ingevoegd, aanvankelijk verankerd in het slot van de Lanceloet, later echter na dat slot, anders gezegd tussen de Lanceloet en de Queeste. Daarmee was op dat moment de vervaardiging van het handschrift met vier teksten als inhoud voltooid.

Het boek zal zijn afgeleverd aan de opdrachtgever en is op een bepaald moment in handen gekomen van de ‘corrector’. De eigenaar van het handschrift en de ‘corrector’ kunnen twee verschillende personen geweest zijn, maar denkbaar is ook dat de eigenaar zelf aantekeningen in zijn boek maakte (zie de paragraaf ‘Lodewijk van Velthem en zijn rol bij de productie van tekst en tekstdrager’). Zichtbaar is dat de ‘corrector’ alle vier de teksten die tot dan toe de inhoud van het handschrift vormden van allerlei kanttekeningen heeft voorzien (Arturs doet slechts voor een deel). Vervolgens moet de compilator besloten hebben nog enkele andere Arturromans in de compilatie op te nemen, zes in totaal. Vermoedelijk werden die, na door de compilator verkort of anderszins bewerkt te zijn, in één arbeidsproces in het al bestaande boek tussengevoegd. Waarschijnlijk is de Moriaen als eerste ingevoegd en daarna de Wrake van Ragisel, Walewein ende Keye, Lanceloet en het hert met de witte voet en de Torec, met verbindende teksten en al. Als laatste moet de Ridder metter mouwen zijn ingevoegd, tussen de Wrake van Ragisel en de Walewein ende Keye. Voor een precieze reconstructie van de gecompliceerde genese van het handschrift door Jan Willem Klein leze men zijn verslaggeving van het onderzoek in de inleiding tot het eerste deel van de uitgave van de Lancelotcompilatie (in: Besamusca & Postma 1997, p. 94-110).

De datering en lokalisering van de oorspronkelijke teksten

De teksten in de Lancelotcompilatie vertonen Brabantse dialectverschijnselen maar laten eveneens zien dat daaronder soms ook kenmerken van andere dialecten schuilgaan. Het was gebruikelijk dat kopiisten bij het overschrijven van teksten de taalkleur van hun bronteksten min of meer aanpasten aan hun eigen dialect. De kopiisten van de Lancelotcompilatie vormden daarop geen uitzondering. Hieronder worden de gegevens over herkomst, de taal (lokalisering) en de ouderdom (datering) van de teksten kort samengevat en wordt verwezen naar de fragmenten van handschriften met de vermoedelijk oorspronkelijke, onbewerkte versies van de verhalen.

Eerst de drie kernteksten. De Lanceloetzoals die voorkwam in de tweedelige Lancelotcompilatie wordt geschat op in totaal ca. 94.500 verzen, waarvan er ca. 36.947 bewaard zijn gebleven in het tweede deel van de compilatie, het Haagse handschrift 129 A 10. Deze tekst gaat terug op een al bestaande vertaling van de Lancelot en prose, die in de tweede helft van de dertiende eeuw in Vlaanderen vervaardigd moet zijn. Van deze vertaling zijn nog enkele fragmenten over van twee andere handschriften (zie Kienhorst 1988, p. 91-93). De Queeste vanden Grale telt 11.160 verzen in de bewerking door de compilator en gaat eveneens terug op een Vlaamse vertaling uit de dertiende eeuw, die op zijn beurt weer een vertaling is van een Oudfranse prozaroman, de Queste del Saint Graal.

Arturs doet telt in de Lancelotcompilatie 13.054 verzen. Ook deze laatste van de drie kernteksten in de compilatie is een bewerking en wellicht een bekorting van een reeds bestaande dertiende-eeuwse vertaling van een Oudfranse bron, in dit geval de prozaroman Le Mort le Roi Artu. Van die eerdere Middelnederlandse vertaling van Le Mort le Roi Artu zijn slechts twee fragmentjes met samen 160 - incomplete - verzen bekend. De twee reepjes perkament hebben oorspronkelijk tot één blad behoord van een handschrift uit het tweede kwart van de veertiende eeuw (zie Besamusca, The Book of Lancelot, p. 45 en eerder Croenen & Janssens 1944 alsmede Biemans 1995). Van groot belang is de conclusie van Besamusca dat de Vlaamse vertalingen van de Lancelot en prose, de Queste del Saint Graal en Le Mort le Roi Artu van één en dezelfde persoon moeten zijn (Besamuca, The Book of Lancelot, p. 44-47). Helaas is niet bekend wie die auteur (vertaler en bewerker) van de kernteksten in de compilatie is geweest.

Nu de zeven ingevoegde romans. De Perchevael gaat grotendeels terug op de Perceval of Conte du Graal van Chrétien de Troyes van omstreeks 1180. De tekst in de Lancelotcompilatie telt 5598 verzen en is een bewerking door de compilator van een bestaande Middelnederlandse vertaling. Daarvan zijn delen bewaard gebleven dankzij fragmenten van vier handschriften (zie Oppenhuis de Jong 2003, p. 14-23).

De Moriaen *is vrijwel zeker een bewerking door de compilator van een vermoedelijk oorspronkelijke Middelnederlandse tekst die in de tweede helft van de dertiende eeuw waarschijnlijk in Vlaanderen geschreven moet zijn (zie *De Haan 1973). In de Lancelotcompilatie telt de Moriaen 4716 verzen. Van een ander Moriaen-handschrift dan het Haagse zijn twee fragmenten bewaard gebleven met 243 soms zeer beschadigde en incomplete verzen. De tekst van die fragmenten loopt vrijwel geheel parallel aan het avontuur van Walewein in de Moriaen zoals die tekst bewaard is in de Lancelotcompilatie. Het vermoeden is dat de tekst zoals overgeleverd in de fragmenten ten grondslag heeft gelegen aan de compilatietekst. In de compilatie is het avontuur van Walewein buitengewoon lang, hoewel naar het einde toe de gebeurtenissen in sneltreinvaart verteld worden. Daarom wordt vermoed dat de Moriaen vooral aan het einde bekort zal zijn door de compilator (zie De Haan 1973 en Besamusca in Neophilologus 2003).

De Wrake van Ragisel gaat terug op een dertiende-eeuwse Oudfranse roman, La Vengeance Raguidel van Raoul de Houdenc. Een Vlaamse vertaling daarvan, eveneens nog uit de dertiende eeuw, is alleen fragmentarisch bewaard gebleven dankzij fragmenten van twee handschriften (zie Kienhorst 1988, p. 224-227). Mogelijke telde deze tekst zo’n 6200 verzen. De tekst in de Lancelotcompilatie is een bewerking en verkorting door de compilator en telt slechts 3414 verzen (zie* Gerritsen 1963*).

Tegenwoordig wordt algemeen aangenomen dat de Ridder metter mouwen *indirect teruggaat op een Oudfranse tekst die bekendstaat als *Richars li Biaus. De Middelnederlandse vertaling en bewerking daarvan zou uit de tweede helft van de dertiende eeuw en uit Vlaanderen stammen en telde mogelijk zo’n 13.500 verzen. Van deze tekst zijn enkele fragmenten van een handschrift bewaard gebleven. De tekst in de Lancelotcompilatie is een bekorte en bewerkte versie van het verhaal en telt slechts 4020 verzen (zie De Haan e.a. 1983).

De vraag of de Walewein ende Keye mogelijk een oorspronkelijk Middelnederlands werk is dan wel ook het resultaat is van bewerking door de compilator, wordt sinds lang verschillend beantwoord. Het meest recente standpunt is dat de 3668 verzen in de Lancelotcompilatie eveneens een bewerking door de compilator zijn van een al bestaande versie van het verhaal (zie – met bespreking van de eerdere standpunten over deze kwestie – Hogenbirk 2004, vooral pp. 127-161).

Lanceloet en het hert met de witte voet is waarschijnlijk een Vlaamse tekst die teruggaat op een niet geïdentificeerde versie van de Oudfranse Tyolet. De Vlaamse tekst, waarvan niets bewaard is gebleven, dateert van vóór 1291 (zie Draak 1971, p. 24).

De Torec is vermoedelijk een bewerking van een Middelnederlandse Arturroman, mogelijk van Jacob van Maerlant, die naar eigen zeggen auteur was van een ‘Toerecke’. In dat geval gaat het dus om een Vlaamse tekst uit de tweede helft van de dertiende eeuw. Daarvan is helaas ook niets overgeleverd, maar het werk gaat ongetwijfeld terug op een Oudfranse tekst over Torrez, le chevalier au cercle d’or, zoals de titel luidt van een werk in een handschrift dat zich - blijkens een bewaard gebleven inventaris - ooit bevond in de bibliotheek van koning Karel VI (1380-1422) in het Louvre-paleis te Parijs (zie Besamuca, The Book of Lancelot, p. 130 met oudere literatuur). In de Lancelotcompilatie telt de Torec 3844 verzen.

De datering en lokalisering van de compilatie

Het Haagse handschrift 129 A 10 laat onmiskenbaar zien dat dit geen gewone kopie is van een aantal bestaande teksten. Zichtbaar is dat er in de teksten gewerkt is, vooral waar lassen gemaakt zijn. Enkele van de in te voegen teksten waren kennelijk geheel en al voltooid, maar duidelijk is dat de verbindende lassen naar andere teksten nog moesten worden aangebracht. Nog ingrijpender is de koppeling van de Perchevael aan de voorafgaande tekst, de Lanceloet: daarvoor is een blad perkament verplaatst en is een deel van de tekst verwijderd en vervangen door een nieuwe, verbindende tekst.

In feite zien we de compilator hier aan het werk, zij het niet eigenhandig. Het was kopiist B die de beslissingen van de compilator in het handschrift doorvoerde. Dit betekent dat de datering van de compilatie samenvalt met de periode waarin het handschrift met de Lancelotcompilatie werd vervaardigd, dus tussen 1320-1330 (zie ‘De datering en lokalisering van het handschrift’).

Voor de lokalisering van de teksten zoals die in het handschrift voorkomen, moeten we kijken naar dialectverschijnselen. Het was volstrekt normaal dat kopiisten de tekst van de over te schrijven bron in meer of mindere mate aanpasten aan hun eigen dialect. Ook moet er rekening mee worden gehouden dat de compilator, die de teksten soms ingrijpend bewerkte, de dialectkleur van de teksten in meer of mindere mate heeft aangepast.

Enkele van de teksten die in de compilatie opgenomen zijn, vertonen duidelijk een Vlaamse grondtaal en zijn dus oorspronkelijk in Vlaanderen, dat wil zeggen door een Vlaamse auteur geschreven (zie ‘De datering en lokalisering van de oorspronkelijke teksten’). Over het Vlaams heen is een Brabants getinte dialectlaag aangebracht, zodat mag worden aangenomen dat de kopiisten – en mogelijk ook de compilator – Brabanders waren en de compilatie dus ergens in Belgisch Brabant tot stand is gekomen. Indien ook de compilator inderdaad een Brabander was, is het waarschijnlijk ondoenlijk na te gaan welke aanpassingen naar het Brabants door de kopiisten zijn aangebracht en welke op rekening van de compilator geschreven kunnen worden.

De status van de compilatie

Het lijdt geen enkele twijfel dat de Lancelotcompilatie in verschillende opzichten een unicum vormt. In de eerste plaats om het geheel van de compilatie: de compilator heeft op ingenieuze wijze getracht een reeks van soms zeer verschillende romans tot één, nieuw geheel te smeden. Daarvan kan in de Middelnederlandse letterkunde geen tweede voorbeeld gevonden worden. Daarom is het extra jammer dat deel 1 van de set handschriften verloren is gegaan, zodat we over de inhoud daarvan alleen maar kunnen speculeren. Niettemin kunnen we een plausibel beeld schetsen van die inhoud (zie de paragraaf ‘Het verloren eerste deel van de compilatie’).

De betekenis van de Lancelotcompilatie wordt natuurlijk ook bepaald door het gegeven dat zij het kader is waarbinnen de tien afzonderlijke Arturverhalen bewaard zijn gebleven. Weliswaar zijn veel van de teksten verkort en bewerkt in de compilatie overgeleverd, maar in enkele gevallen hebben we nog zicht op de oorspronkelijke versies van deze teksten, dankzij een handjevol fragmenten van andere handschriften. Dit betekent dat de Middelnederlandse letterkunde zonder de teksten in de* Lancelotcompilatie veel minder rijk zou zijn geweest dan nu het geval is. Het handschrift met de *Lancelotcompilatie is even uniek als onvervangbaar.

Met enige spijt zij opgemerkt dat de Lancelotcompilatie eveneens ‘bijna uniek’ genoemd kan worden omdat er geen handschriften bekend zijn met precies dezelfde verkorte en bewerkte tekst als in het Haagse handschrift. Dat die er wel geweest zijn, bewijzen drie fragmenten van twee of drie andere handschriften. Eén enkelblad bevat een gedeelte van de Lanceloet in vrijwel dezelfde redactie als die in de Lancelotcompilatie: Den Haag, KB, hs. 75 H 58. Een ander blad heeft als inhoud een passage in de Lanceloet waarvan de parallelle tekst in het verloren eerste deel met de compilatie gestaan moet hebben; of ook hier gesproken kan worden van vrijwel dezelfde redactie kan natuurlijk niet worden vastgesteld: Brussel, KB, hs. II 115, 3. Of het Haagse en het Brusselse blad tot dezelfde codex hebben behoord, is mogelijk maar niet onomstotelijk bewezen. Ten slotte is een reep perkament bewaard gebleven met delen van verzen van de Queeste vanden Grale, in een redactie die grote gelijkheid vertoont met die in het Haagse handschrift van de* Lancelotcompilatie*: Brussel, KB, hs. IV 636, 4.

Uniek is zonder twijfel dat we in de compilatie de genese van de verzameling kunnen nagaan en soms ook de manier waarop de compilator de tekst voor zijn meesterwerk heeft bekort en aangepast.

De status van de ingrepen van de ‘corrector’

Over de doelstelling van de ‘corrector’ en de betekenis van zijn ingrepen bestaan verschillende standpunten. Behalve dat hij fouten verbeterde en Vlaamse dialecteigenaardigheden verving door Brabantse, wijzigde hij bijvoorbeeld ook de structuur van de verzen en voegde hij verzen toe. Veelvuldig laste hij bijvoorbeeld verzen aaneen met behulp van het voegwoord ‘ende’ (ons huidige ‘en’). Herhaaldelijk maakte hij bij dialogen expliciet duidelijk wie er aan het woord is. Zijn ingrepen voorkomen vaak dat men de tekst verkeerd zou lezen en daardoor niet goed zou begrijpen.

Gaandeweg is de opvatting ontwikkeld en vervolgens aanvaard, dat de ‘corrector’ door zijn toevoegingen de tekst heeft aangepast zodat die daardoor gemakkelijker kon worden voorgedragen voor een luisterend publiek. Daar staat tegenover dat de bedoeling van zijn aanwijzingen niet altijd onmiddellijk duidelijk is, soms moet men de notities van de ‘corrector’ als ingenieuze cryptogrammen ontcijferen. Dat zou voordracht eerder bemoeilijken dan vergemakkelijken. Als oplossing is gesuggereerd dat de ‘corrector’ zelf uit dit handschrift voordrachten verzorgde en dat hij daarom met zijn eigen, vaak cryptische aanwijzingen probleemloos uit de voeten kon.

Een geheel andere zienswijze is dat de ‘corrector’ met zijn ingrepen experimenteerde met de versvorm. De Middelnederlandse Lanceloet *, de *Queeste vanden Grale en Arturs doet vertonen een tamelijk gecompliceerde verhaalstructuur en een complexe verstechniek. Er zijn veel enjambementen, wat wil zeggen dat het einde van zinnen niet samenvalt met het einde van de versregels maar over een of meer versgrenzen heenloopt naar een of meer volgende regels. Ook hier voorkomen veel ingrepen van de ‘corrector’ verkeerd lezen of voorlezen. Maar in plaats van een verband te leggen met het voordragen van de teksten is de gedachte geopperd dat de ‘corrector’ een poging waagde om berijmde verzen om te vormen tot een modern, gespierd Middelnederlands proza.

Duidelijk is in elk geval dat de ‘corrector’ meer deed dan alleen corrigeren: vandaar de enkele aanhalingstekens rond deze functieaanduiding. Opmerkelijk is dat zijn ingrepen alleen voorkomen in de drie kernteksten en in de als eerste ingevoegde roman, de Perchevael. Anders gezegd: de ‘corrector’ was alleen actief tijdens de eerste fase in de genese van de compilatie (zie het schema bij de paragraaf ‘Inhoudsopgave’ en zie de paragraaf ‘De genese van het handschrift’). Alleen Arturs doet heeft de ‘corrector’ niet geheel van aantekeningen voorzien, de laatste acht bladen (16 bladzijden) liet om onbekende redenen onbewerkt. Op basis van de twee bovengenoemde opvattingen over de bedoeling van de ‘correcties’ respectievelijk de aanpassingen van de tekst, lijken enkele vragen respectievelijk een conclusie mogelijk. Uitgaande van de eerste opvatting kan men zich afvragen of de later ingevoegde romans geen bewerking behoefden om ze goed te kunnen voordragen. Of had de ‘corrector’ in tweede instantie niet meer de intentie de teksten te (laten) voordragen? Met de tweede opvatting als uitgangspunt kan de conclusie worden getrokken dat het experiment met de versvorm of in de richting van modern proza na de eerste ontstaansfase van de Lancelotcompilatie gestaakt werd of althans in de tweede ontstaansfase niet werd vervolgd.

Het verloren eerste deel van de compilatie

De tekst van het Haagse handschrift begint niet met het eerste vers van de Lanceloet. Het begin tot en met tweederde deel van dit verhaal ontbreekt in het handschrift. Aannemelijk is dat er een band geweest is met – in elk geval – dit voorafgaande deel van de Lanceloet. Voor de reconstructie van de verdere inhoud van het eerste deel van de compilatie – dat deel wordt als verloren beschouwd – moeten we kijken naar de context van de Oudfranse bron. De Lancelot en prose is zelf het middendeel van een nog omvangrijkere Oudfranse cyclus van Arturverhalen. Het eerste deel daarvan is het drieluik met de geschiedenis van de heilige Graal en het ontstaan en de eerste groei van het rijk van koning Artur: de Estoire del Saint Graal, de Merlin en prose en de Suite-Vulgate du Merlin. Het derde deel bestaat uit twee verhalen, een waarin Arturs ridders van de Ronde Tafel naar de heilige Graal op zoek gaan en het andere over de nadagen van het rijk van koning Artur en diens dood: de Queste del Saint Graal, gevolgd door de Mort le Roi Artu.

Op grond van deze omvangrijke cyclus van Oudfranse Arturverhalen wordt aangenomen dat het eerste deel van de Middelnederlandse compilatie vertalingen of bewerkingen van de Estoire del Saint Graal, de* Merlin en prose* en de Suite-Vulgate du Merlin bevatte, anders gezegd: de Graal-geschiedenis, de twee Merlijn-teksten, plus het genoemde tweederde deel van de Lanceloet. Van het bestaan van een Middelnederlandse vertaling van de Estoire del Saint Graal en de Merlin en prose is geen spoor bekend. Beschikbaar waren wel Maerlants Historie van den Grale, een vertaling van een Franse prozaversie van Robert de Borons Joseph d'Arimathie, ook wel Estoire dou Graal genoemd, en Maerlants Boec van Merline, een vertaling van de Estoire de Merlin, een Franse prozaversie van Robert de Borons Merlin. Voor het samenstellen van dit eerste deel van de compilatie zou de compilator dus gebruik hebben kunnen maken van de dubbelroman van Jacob van Maerlant met de Historie van den Grale en het Boec van Merline, beide uit de tweede helft van de dertiende eeuw, en vervolgens van de Merlijn-continuatie door Lodewijk van Velthem uit 1326/1327, een vertaling en bewerking van de Suite-Vulgate du Merlin. In dat geval zouden beide boekdelen ongeveer even dik zijn geweest en sloot de tekst van deel twee exact aan bij de inhoud van het verloren eerste deel. Indien deze veronderstelling de werkelijkheid weerspiegelt, dan is denkbaar dat zowel Velthems bewerking van Maerlants dubbelroman als zijn *Merlijn-continuatie *misschien gemaakt zijn met het oog op de samenstelling van de compilatie (zie Lodewijk van Velthem en zijn mogelijke rol bij de productie van tekst en tekstdrager).

Volgende pagina

Littera textualis. Detail van folio 57r.

Littera textualis. Detail van folio 57r.