Toelichting bij het handschrift

De genese van het handschrift

Onderzoek van het handschrift met de Lancelotcompilatie heeft belangrijke gegevens opgeleverd. In de jaren vijftig van de vorige eeuw is al door de hooggeleerde filologen Draak en Hellinga vastgesteld dat in het handschrift of de codex min of meer aparte codicologische eenheden zijn aan te wijzen. De Roman van de ridder metter mouwen bijvoorbeeld is geschreven in één quinio (katern van vijf dubbelbladen) plus één enkelblad, terwijl de Roman van Walewein ende Keye één quaternio (katern van vier dubbelbladen) plus twee enkelbladen beslaat: de lengte van de afzonderlijke teksten bepaalde de samenstelling van de afzonderlijke materiële eenheden. Duidelijk was ook toen al dat de delen met de diverse romans niet in één keer in de compilatie waren opgenomen.

In de zestiger jaren heeft opnieuw professor Draak aandacht gevraagd voor ‘the workshop behind the Middle Dutch Lancelot Manuscript’. Zij onderzocht de relatie tussen het Haagse handschrift 129 A 10 en het Haagse fragment 75 H 58 en kwam zo meer te weten over de productie daarvan. Tegelijk toonde zij aan dat de ‘corrector’ op zichzelf werkte, dat wil zeggen dat het schrijven van de teksten door de kopiisten en het annoteren van de teksten door de ‘corrector’ twee aparte fasen in de genese van zowel de compilatie als de codex zijn geweest. Bovendien concludeerde zij dat de ‘corrector’ bij zijn werk niet van de legger(s) voor het schrijven van het handschrift met de Lancelotcompilatie gebruik heeft gemaakt.

In 1985 besprak zij in een bijdrage aan een huldebundel voor W.P. Gerritsen de complexe gang van zaken rond folium 99. Dit blad bevond zich oorspronkelijk elders in de codex en bevatte het slot van de Perchevael (ongeveer twee kolommen tekst) plus aansluitend een deel van het einde van de Lanceloet. De tekst van het slot van de Perchevael is uitgeradeerd (weggepolijst) en de vrij gemaakte ruimte is gevuld met een door de compilator zelf bedachte passage over Lancelot, waarna het blad verplaatst is naar z’n huidige plek. Het slot van de Perchevael *was inmiddels op een ander enkelblad geschreven dat op de juiste plek is tussengevoegd (fol. 115). Draak geeft ook de verklaring voor deze verplaatsing van fol. 99, het wegraderen van de verzen enzovoort. In zijn onderzoek van de codex heeft ook J.W. Klein uitvoerig aandacht aan deze bladen geschonken (gepubliceerd in *Besamusca & Postma 1997, hier vooral p. 100-104 en zie aansluitend hieronder).

Nieuw en zuiver boekwetenschappelijk onderzoek werd in de jaren 1990-1997 verricht door Jan Willem Klein, wiens onderzoeksverslag is opgenomen in de inleiding op de jongste uitgave van de compilatie (zie Besamusca & Postma 1997, p. 51-110, hier vooral p. 94-110). Terecht signaleerde Klein de belangrijke onregelmatigheden in de opbouw van het handschriften op plaatsen waar een kerntekst eindigt en een ingevoegde tekst begint en concludeerde hij op grond daarvan dat de codex – en daarmee ook de compilatie – in fasen is vervaardigd.

In de eerste fase zou het handschrift bestaan uit de drie kernteksten. Vervolgens is tijdens de uitvoering van dit plan besloten de Perchevael met behulp van een verbindende tekst in het slot van de* Lanceloet in te voegen; het slot van laatstgenoemde tekst volgde na de Perchevael. In tweede instantie is de *Perchevael *weer uit de *Lanceloet losgemaakt en erna geplaatst.

Hierna is de ‘corrector’ in alle tot dan toe in het handschrift opgenomen teksten aan de slag gegaan. Alleen de laatste zestien bladzijden (acht bladen) van Arturs doet bewerkte hij niet (zie de paragrafen ‘De ‘corrector’’ en ‘De status van de ingrepen van de ‘corrector’’). Men zou kunnen spreken van een tussenfase.

In een nieuwe fase is door de compilator besloten nog vijf andere Arturromans in zijn compilatie op te nemen: Moriaen, de Wrake van Ragisel, Walewein ende Keye, Lanceloet en het hert met de witte voet en de Torec. Deze romans werden al dan niet in bewerkte of verkorte vorm in aparte codicologische eenheden geschreven, waarna die delen in het handschrift werden opgenomen en in de compilatie vastgehecht door middel van lassen of verbindende teksten. Volgens J.W. Klein vormt het gedeelte met Walewein ende Keye, Lanceloet en het hert met de witte voet en de Torec een materiële, codicologische eenheid die in één keer werd ingelast (zie Klein in Besamusca & Postma 1997, p. 107). De Ridder metter mouwen is later, maar niet veel later ingevoegd (Klein in Besamusca & Postma 1997, p. 107-108 en 110).

In een slotfase werd ook de Ridder metter mouwen bewerkt ten behoeve van opname in de compilatie. De quinio (katern van vijf dubbelbladen) plus één folium, nodig voor deze roman, werden tussen de Wrake van Ragisel *en de *Walewein ende Keye ingevoegd.

De datering en lokalisering van het handschrift

Op grond van bepaalde kenmerken van het schrift wordt het handschrift sinds lang gedateerd op ca. 1320-1325. Een iets latere datering is ook denkbaar, maar dan vooral als consequentie van speculaties over de inhoud van het eerste deel van de compilatie (zie de paragraaf ‘Het verloren eerste deel van de compilatie’). Verondersteld is dat het eerste deel mogelijk Maerlants dubbelroman bevatte, de Historie van den Grale *en het *Boec van Merline en vervolgens de Merlijn-continuatie *door Lodewijk van Velthem. Deze laatste roman dateert van 1326/1327. Indien de *Merlijn-continuatie inderdaad in het eerste deel van de compilatie was opgenomen, dan verschuift de datering van de eerste helft naar het midden of de tweede helft van het derde decennium en misschien is dan – ook gelet op de gefaseerde genese van tekst en tekstdrager – een datering ca. 1320-1330 verstandig.

Een tweede argument voor deze datering vormt het type penwerkversiering bij de initialen. Dit type is tamelijk eenvoudig en bestaat uit twee tot vier min of meer parallel aan elkaar getrokken verticale lijnen, al dan niet verbonden met lijnen rond de initiaal. In het hart van deze letters komen vaak ‘kiemblaadjes’ voor. Kenmerkend is, dat in rondjes of bolletjes als ook in de ronde delen van de ‘kiemblaadjes’ een stip of een klein rondje is getekend. In rijker uitgevoerd penwerk zijn de lijnen vaak sierlijker en ontbreken deze punten of rondjes omdat de bolletjes kleiner zijn (er is dan sprake van een soort parelrandje). Vergelijking met andere handschriften met penwerkversieringen doet sterk vermoeden dat het eenvoudige type met de stippen of rondjes in bolletjes ouder is dan het sierlijker type met een parelrandje zonder stippen of rondjes.

Voor de lokalisering van het handschrift moet onderscheid gemaakt worden tussen de oorspronkelijke grondtaal van de teksten en de dialectkleur van enerzijds de compilator die de teksten bewerkte en anderzijds de kopiisten die de teksten overschreven in het handschrift (zie de paragraaf ‘De datering en lokalisering van de compilatie’).

Over het oorspronkelijke Vlaams van sommige teksten heen is een Brabants getinte dialectlaag aangebracht, zodat mag worden aangenomen dat de kopiisten en mogelijk ook de compilator Brabanders waren. Dit betekent dat het handschrift met de Lancelotcompilatie dus ergens in Belgisch Brabant tot stand is gekomen.

De status van het handschrift

Waar de status van de verzameling teksten in het handschrift als uniek en onvervangbaar werd bestempeld, is de status van het handschrift met de compilatie paradoxaal genoeg die van een zeer matig vormgegeven en geproduceerd boek. Het perkament waaruit de katernen zijn samengesteld is matig tot slecht. De lay-out kan niet eenvoudiger zijn, het niveau van het schrift dat de vijf kopiisten schreven is matig. Het is weliswaar een der laatmiddeleeuwse boekschriften, de littera textualis, maar de letters zijn weinig gestileerd. De decoratie is minimaal (zie ‘De beschrijving van het handschrift’), er zijn geen illustraties.

De vraag dringt zich op waarom juist de tekstdrager van zo’n belangrijke inhoud een boek is geworden van zo’n laag niveau, terwijl het toch door professionele kopiisten is vervaardigd. Indien Lodewijk van Velthem de samensteller of auteur is geweest van de Lancelotcompilatie en het handschrift in enkele fasen voor hem vervaardigd is (zie ‘Lodewijk van Velthem en zijn mogelijke rol bij de productie van tekst en tekstdrager’) dan is het mogelijk dat het handschrift opzettelijk als een goedkoop boek is uitgevoerd omdat het als werkexemplaar voor deze auteur zou gaan dienen. Deze hypothese sluit goed aan bij de suggestie dat Velthem ook verantwoordelijk was voor de annotaties in zijn boek en dat hij dus ook de ‘corrector’ was.

De geschiedenis van het handschrift

De achttiende-eeuwse band laat zien dat het handschrift op een bepaald moment in bezit is gekomen van leden van het Huis van Oranje-Nassau. Maar stadhouder Willem V, voor wie de band waarschijnlijk gemaakt is, was niet de oudst bekende bezitter van dit handschrift. Indien de opvatting juist is dat het handschrift eigendom was van Lodewijk van Velthem en zijn werkexemplaar geweest is, behoorde het tot diens literaire archief en was Lodewijk van Velthem dus de eerste bezitter van het boek. Velthem leefde in elk geval tot in 1326/1327 (zie Besamusca, Sleiderink & Warnar 2009, p. 10-25).

De eerstvolgende aanknopingspunten over de latere geschiedenis van het handschrift wijzen naar het geslacht Nassau. Aangenomen wordt dat het handschrift eigendom geweest is van Johan IV, graaf van Nassau en heer van Breda (1410-1475) en zijn vrouw Maria van Loon (1424-1502). Via de Bredase Nassaus kwam het vervolgens in het bezit van de prinsen van Oranje-Nassau. Mogelijk wordt het handschrift aangeduid in de catalogus van hun boeken uit 1686; de omschrijving is enigszins vaag zodat geen absolute zekerheid daarover bestaat. Hoogstwaarschijnlijk is het handschrift eigendom geworden van prins Frederik Hendrik (1584-1647) en daarna van diens nakomelingen. Nadat stadhouder-koning Willem III in 1702 kinderloos was gestorven, werd de Oranje-Nassaubibliotheek na een lange juridische strijd om het eigendom uiteindelijk in 1749 geveild. Het handschrift met de Lancelotcompilatie bleef in het bezit van de Oranjes omdat het op die veiling – samen met vele andere boeken – gekocht werd door een lid van de Friese Oranjes, stadhouder prins Willem IV (1711-1751). Diens zoon, Willem V (1748-1806), werd de volgende eigenaar.

Na de Bataafse revolutie van 1795 werd de bibliotheek van Willem V, die naar Engeland gevlucht was, door het nieuwe bewind geconfisqueerd. In 1798 werd besloten met deze collectie een eerste, klein begin te maken van een Nationale Bibliotheek. Deze bibliotheek zou de voorloper worden van de huidige Koninklijke Bibliotheek, die tegenwoordig tevens opnieuw de Nationale bibliotheek van Nederland is.

Volgende pagina

Penwerkversiering bij initiaal. Detail van folio 216v.

Penwerkversiering bij initiaal. Detail van folio 216v.