Achtergronden: Couperus en Indië

Indische familie

Louis Couperus was in 1863 een nakomertje. Daarom is hij anders dan zijn broers en zusters niet in Nederlands-Indië geboren, maar in Den Haag. Vader John Ricus Couperus (1816-1902) was als jurist werkzaam als Indisch ambtenaar bij diverse staatsinstellingen van de kolonie. De Couperus-familie was rijk vertegenwoordigd in het Indische Binnenlands Bestuur. De grootvader van Louis Couperus was werkzaam geweest als landdrost in Buitenzorg en zijn overgrootvader Abraham Couperus was gouverneur van Malakka geweest. Couperus’ moeder was Catharina Geertruida Reynst en ook in haar familie was de dienst voor het Binnenlands Bestuur traditie. Haar vader Jan Cornelis Reynst was waarnemend gouverneur-generaal geweest van Nederlands-Indië. Couperus zelf huwde in 1889 met zijn nicht Elisabeth Baud, wel geboren in Batavia, die ook uit een familie kwam met een sterke Indische achtergrond in het bestuur en het leger. Couperus’ familieachtergrond was dus geheel verknoopt met Nederlands-Indië. Het was enkel omdat zijn vader met pensioen ging en de familie in 1860 naar Den Haag trok, zoals gebruikelijk bij veel Indisch oud-gedienden, dat Couperus aldaar en niet in Indië is geboren.

Schooltijd in Batavia

Louis Couperus werd in Den Haag geboren, maar toch zou hij een groot gedeelte van zijn schooltijd in Nederlands-Indië doorbrengen. In *Oostwaarts *schreef hij: ‘De Indische traditie had steeds in mijn familie geheerscht - mijn overgrootvader was Abraham Couperus, Gouverneur van Malakka geweest; mijn grootvader de Gouverneur-Generaal Reynst; mijn vader was gepensioneerd rechterlijk ambtenaar, en toen mijn twee oudste broeders in Delft “klaar” waren gekomen voor Indië, ging de geheele familie - wij waren talrijk, broeders en zusters - nog eens over naar de, van verre lokkende, landen der tropische zon.’ De familie keerde in 1872 terug naar Batavia om de loopbanen van Couperus’ broers te ondersteunen en om zakelijke redenen: het beheer van het familieland bij Tjicoppo.

Een groot gedeelte van zijn schooljaren bracht Couperus aldus door in Batavia. Hij bezocht er de lagere school en het Koning Willem III-gymnasium. In Oostwaarts haalde hij herinneringen op aan deze tijd, die toen bijna vijftig jaar achter hem lag: ‘Ik was tien jaar toen ik Weltevreden zag voor het eerst. Knapejaren en schooltijd. Wij speelden geen “football” maar... “baar”, een oorlogsspelletje met een vlaggetje, dat de vlugst loopende moest zien te veroveren. Wij wisten van geen flets en geen tennis, maar wij waren wel allen verliefd op de meisjes, die school-gingen in haar witte “baadjes”. Een los wit jurkje met een nauw om den hals sluitend kraagje. Wij waren soms vreeslijk verliefd. De zon stoofde ons jonge bloed, dat te borrelen begon...’

Binnenlands Bestuur

‘B.B. (Binnenlandsch Bestuur) was bij ons en bij de aanverwante familie het ideaal’, schreef Couperus in Oostwaarts. Ook voor Louis Couperus zelf had vader John Ricus een Indische carrière voor ogen. Hij zou zich in Nederland moeten bekwamen in het Indische bestuur, zoals zijn broers. Louis Couperus voelde echter niets voor zo’n loopbaan en vader Couperus legde zich er uiteindelijk bij neer dat Couperus een letterenstudie volgde en zich volledig aan zijn schrijverschap zou wijden. Des te opmerkelijk is het dat Couperus in *Oostwaarts *wel regelmatig op positieve toon over het Binnenlands Bestuur bericht, hij schrijf zelfs tamelijk verheerlijkend over de Nederlands-Indische ambtenaar: ‘Eenmaal was de ambtenaar B.B., de hoofdambtenaar vooral, assistent-rezident, of rezident, een heerscher, zoo hij een persoonlijkheid was. Hij was vaak een goede heerscher, een heerscher die dienaar kon zijn van zijn land en zijn ideaal, al zoû hij zich in zijn gewest tot een autocraat ontwikkelen. De Bureaucratie te Weltevreden of Buitenzorg was wel eens een stille ergernis den man, die doèn moest en handelen, maar wist hij zijn wil door te zetten, dan smaakte hij de voldoening van zich te gevoelen een koning in zijn werkelijk niet klein rijk!’ In *Oostwaarts *constateert Couperus dat die glorierijke rol van de resident of assistent-resident meer en meer tot het verleden leek te gaan behoren. Desalniettemin stelt hij: ‘Als ik geen schrijver was geboren, was ik zeker Oost-Indisch ambtenaar geworden.’

De stille kracht

In één van Couperus’ beroemdste romans, De stille kracht uit 1900, komt het personage van de resident er een stuk bekaaider van af. Couperus schreef deze roman in 1899, toen hij met zijn echtgenote lange tijd bij familie in Batavia verbleef. Ondanks zijn Indische achtergrond is De stille kracht eigenlijk de enige echte Indische roman van Couperus. In De stille kracht delft de Resident Van Oudijck het onderspit tegen de krachten van Indië die hij niet begrijpt. Zijn losbandige vrouw Leonie wordt slachtoffer van ‘de stille kracht’, paranormale krachten die de Hollanders ontgaan, maar waarvoor de inlanders in zwijgzame aanbidding leven. De standvastige en rationele Van Oudijck buigt uiteindelijk het hoofd voor de machten van Indië en stelt aan het einde van de roman: ‘Het land heeft zich van mij meester gemaakt en ik

behoor het nu toe.’ Voor De stille kracht had Couperus rijkelijk geput uit de familieverhalen en zijn eigen ervaringen. Dat geldt ook voor een andere beroemde roman, die weliswaar niet in Indië speelt, maar waarin de Indische familie-achtergrond een belangrijke rol speelt: Van oude menschen, de dingen die voorbijgaan. In deze roman uit 1906 hangt een verzwegen drama in Indië decennia later nog als een doem boven een Haagse familie. Ook in werken als De boeken der kleine zielen zou Couperus de wereld van de Haagse hogere bestuurderskaste met wortels in Nederlands-Indië nauwgezet beschrijven. Hij is daardoor de belangrijkste chroniqueur van dit langzaam verdwijnende Haagse milieu geweest.

Couperus en het kolonialisme

De stille kracht kan bijna niet anders worden gelezen dan als een aanzegging van het einde de Nederlandse overheersing in Indië. De roman beschrijft de onzichtbare muur waarop de Nederlandse bestuurders botsen, waardoor ze nooit werkelijk Indië konden beheersen. Interessant zijn daarom de opmerkingen die Couperus in Oostwaarts over het Nederlandse bestuur maakt. In Oostwaarts lijkt een veel gezagsgetrouwer-koloniale Couperus aan het woord, die zelfs stelt: ‘Met onbreekbare banden zijn wij aan Indië verbonden, een ramp zoû het zijn voor Holland en Indië beiden, zoo ooit deze werden verbroken.’ In *Oostwaarts *schrijft hij later echter ook: ‘De autonomie van Insulinde is niet meer dan een kwestie van tijd. Er is iets zeer sympathieks in, dat de Inlander van rang, tegenwoordig bijna steeds een man is, die belang stelt in onze Westersche cultuur. Bijna alle regenten spreken bijna geheel zuiver Hollandsch; een Hollandsch sprekende regent was, twintig jaar geleden, een uitzondering. Er is niettegenstaande het rasverschil, dat zoo lang de onoverkomelijke kloof scheen, een toenadering van sympathie tusschen Oostersch en Westersch element.’ Echte onafhankelijkheid brengt Couperus niet ter sprake, maar ‘autonomie’ voor Indië was volgens hem dus wel onvermijdelijk. Couperus meent wel dat die drang naar autonomie voortkomt uit ideeën uit Europa en niet uit bevolking zelf. Over de inlanders heeft Couperus uiteindelijk het statische beeld van een volk dat niet werkelijk gedreven is door veranderingsgezindheid: ‘dat Maleier, Soendanees, Javaan door hunne beschouwende, ietwat op één punt starende mentaliteit geene initiatief-nemers zijn, die er tegen op zien verantwoordelijkheid te dragen. Dat zij het drijven hunner enkele veel vooruitstrevende leiders eigenlijk met huiverende antipathie beschouwen. Dat communisme voor hen een woord en een raadsel bleef en een Westersche hersenschim, die zij niet waardeeren omdat een instinct hen heeft doordrongen van de eenvoudige waarheid, dat gelijkheid nooit was en nooit zijn kan.’

Arno Kuipers

Gevelsteen in het geboortehuis van Louis Couperus

Gevelsteen in het geboortehuis van Louis Couperus te Den Haag: Mauritskade 43 (destijds nr. 11)

De eerste uitgave van Oostwaarts (1923)

De eerste uitgave van Oostwaarts (1923)

Brochure door J.R. Couperus, Gouvernements-cultures met of zonder stelsel? (1863)

Brochure doorJ.R. Couperus,Gouvernements-cultures met of zonder stelsel?(1863)

Eerste uitgave van Louis Couperus, De stille kracht (1900) met een omslag ontworpen door Chr. Lebeau

Eerste uitgave van Louis Couperus, De stille kracht (1900) met een omslag ontworpen door Chr. Lebeau

Drie uitvoeringen van de eerste uitgave van Louis Couperus, De stille kracht (1900) met een omslag ontworpen door Chr. Lebeau

Drie uitvoeringen van de eerste uitgave van Louis Couperus,De stille kracht(1900) met een omslag ontworpen door Chr. Lebeau

Voorzijde omslag van Van oude menschen, de dingen, die voorbijgaan... (1906) met een band ontworpen door Chr. Lebeau

Voorzijde omslag vanVan oude menschen, de dingen, die voorbijgaan... (1906) met een band ontworpen door Chr. Lebeau

Achterzijde omslag van Van oude menschen, de dingen, die voorbijgaan... (1906) met een band ontworpen door Chr. Lebeau

Achterzijde omslag vanVan oude menschen, de dingen, die voorbijgaan...(1906) met een band ontworpen door Chr. Lebeau