De uitgave en illustraties van Oostwaarts

Uitgever Van Oss en Couperus’ reizen

De uitgave van Oostwaarts begint feitelijk niet met de reis van Couperus naar Indië, maar met zijn reis naar Noord-Afrika. Die reis maakte hij op verzoek van de Haagsche Post, het weekblad dat in 1914 was opgericht door S.F. van Oss (1868-1949). Van Oss had vanaf 1888 als journalist voor het Algemeen Handelsblad gewerkt in Londen. Ook reisde hij voor andere kranten naar Zuid-Amerika en naar Zuid-Afrika. In 1902 verhuisde hij naar Groningen en in 1904 vestigde hij zich in Den Haag als hoofdredacteur van een aantal financiële tijdschriften. Van het door hem vlak voor de Eerste Wereldoorlog opgerichte weekblad Haagsche Post was hij tot 1933 directeur en bleef hij eigenaar tot aan zijn dood in 1949.

De Haagsche Post, een op roze papier gedrukt weekblad, had een oplage van 15.000 exemplaren en besteedde veel ruimte aan actualiteiten en literatuur. Het wilde een prettig leesbaar en onafhankelijk tijdschrift zijn, met luchtige en praktische artikelen. Vanaf 1916 wist Van Oss de auteur Louis Couperus te strikken voor een feuilleton. Hij noemde Couperus een ‘hoog gehonoreerd medewerker’. Van Oss betaalde een reis naar Afrika – in 1921 uitgegeven als Met Louis Couperus in Afrika – en financieerde vervolgens een reis naar Indië en naar Japan. Couperus kreeg het verzoek voor die reis in mei 1921. Kennelijk ontving Couperus daarvoor een honorarium van f. 10.000 en nog eens f 20.000 als onkostenvergoeding. Het contract noemt een reisbedrag van f 15.000. Van Oss schreef in zijn memoires dat Couperus zich grondig voorbereidde op de reis: ‘Het teekent den man, zijn wilskracht en zijn nauwgezetheid, dat hij twee maanden lang elken dag assidu in de Kon. Bibliotheek zat om gegevens bijeen te brengen.’ De afleveringen van het feuilleton verschenen tussen 22 oktober 1921 en 2 september 1922. De reisbrieven waren een succes.

Een uitgeverij voor Oostwaarts

In 1923 richtte Van Oss speciaal een uitgeverij op om de teksten van Couperus in boekvorm uit te geven. Dit werd het begin van H.P. Leopold’s Uitgeversmaatschappij in Den Haag. Het uitgeversvignet toont een leeuw die met zijn voorpoten op een boek staat. De oprichting van de naamloze vennootschap werd aangekondigd in de Staatscourant en bovendien in het Nieuwsblad voor den boekhandel van 16 november 1923: ‘De vennootschap heeft ten doel de uitgifte en de exploitatie van dag- en weekbladen, periodieken en boeken, het exploiteeren van drukkerijen en boekbinderijen, enz.’ De oprichtingsdatum was vastgelegd als 22 oktober 1923. Als oprichters werden genoemd: Joes Leopold en diens zoon mr. R.I. Leopold. Zij handelden ‘als mondeling lasthebber’ van S.F. van Oss. Van Oss kende Joes Leopold (een broer van de dichter J.H. Leopold) al uit zijn Groninger tijd en hij had hem sinds 1906 bij zijn bedrijf in dienst als procuratiehouder en later als redacteur.

De uitgeverij gaf vertalingen uit van het werk van Marjorie Bowen (Mensch en macht) en Rosita Forbes (Verblinding) en romans als die van Jules van Dam’s De Amerikanen van kasteel Waldeck. *Echt succesvol (en inmiddels klassiek) was Johan Fabricius’ roman *De scheepsjongens van Bontekoe. *Voor de kinderboekenmarkt – waarop Leopold later zou uitblinken – werd onder andere het *Jongens Jaarboek gelanceerd, dat tussen 1924 en 1930 verscheen. Avontuurlijke boeken behoorden tot de kern van het fonds. Couperus was misschien een vreemde eend in de bijt, maar wel een die als auteur dankbaar gebruik kon maken van de genereuze vergoedingen van de uitgever. Couperus schreef dat hij voor Van Oss een soort ‘Minister van de Blague’ was. De uitgever, een bewonderaar van Couperus, zag in de combinatie feuilleton/boekuitgave kennelijk brood en hij schreef: ‘Zijn bijdragen sloegen enorm in’.

Een advertentie (Algemeen handelsblad, 17 november 1923) kondigde de verschijning van Oostwaarts *aan ‘voor 5 dec.’. Maar op een tentoonstelling in de Artizaal van boekhandel Dijkhoffz in Den Haag waren al op 26 oktober ‘twee boeken, *Proza en Oostwaarts, die eerstdaagst verschijnen zullen’ te zien, zo berichtte Het vaderland. Boekhandel W.P. van Stockum maakte er dan ook op 27 oktober ‘het boek van de week’ van. In Het volk werd het boek op 7 november als ‘binnengekomen’ gerapporteerd. Oostwaarts was gedrukt bij Elsevier in Amsterdam. Inmiddels was Couperus op 16 juli overleden. Hij had de proeven voor het boek nog kunnen corrigeren. Een voorwoord door Van Oss kwam in plaats van het door hem voorgenomen woord vooraf. De titelpagina vermeldde het jaartal 1924, maar het boek verscheen dus in oktober 1923.

De boekband van Oostwaarts

Een recensie in de Nieuwe Rotterdamsche courant (3 november 1923) begon met een beschrijving van de boekband: ‘Een wajangpop, rood en roomkleur op blauw en eronder: Louis Couperus. En op den rooden band: ook de wajang, nu in goud en rood op zwart. Hoe zou de belangstelling gaan naar iets anders?’

De band (247x175 mm, inclusief ronde rug) is uitgevoerd in rood buckram, met de titel en auteursnaam in goud en een illustratie in goud op een zwart vlak. De band is ontworpen door de beeldhouwer Tjipke Visser (1876-1955), een van de kunstenaars van de Bergense School en oprichter van de Nederlandse Kring van Beeldhouwers. Hij ontwierp onder andere grafmonumenten, maar ook beelden van vissers en dieren. Hij ontwierp voor uitgeverij Leopold ook de band voor Couperus’ reisverslag *Nippon *(1925).

Het bruine stofomslag reproduceerde de bandtekening, nu in rood op een blauw vlak. De belettering van de band en het stofomslag was in een schreefloos lettertype. Op de rug zijn niet alleen de auteursnaam en de titel vermeld, maar werd ook de uitgeversnaam en het vignet in blauw gedrukt. Midden op de rug prijkt een sterretje. Daarmee werd dit deel één van een tweeluik over Couperus’ reis naar de Oost, want het deel over Japan kreeg twee sterren op de rug. De kleurstelling van de band van dat deel is eveneens overeenkomstig dat van Oostwaarts. De band van Oostwaarts is niet gesigneerd; die van Nippon heeft het monogram van Visser links naar de afgebeelde krijger.

Behalve deze gebonden uitgave (prijs f. 5,90) verscheen ook een ingenaaide editie met papieren omslag. De decoratie daarvan is identiek.

Later werd een nieuw stofomslag voor de gebonden editie gedrukt. Daarop is een ander lettertype gebruikt (met schreef) en er is in plaats van een sterretje op de rug een fleuron (blaadje) afgebeeld. Deze is niet opgenomen in de bibliografie van Van Vliet over de boekbanden voor Couperus’ romans.

Illustraties voor de boekuitgave

In het contract van 24 mei 1921 werd Couperus herinnerd aan zijn ‘belofte te zorgen voor een flinke sorteering mooie fotografieën of desnoods prentbriefkaarten voor de illustraties in het boek’.

Couperus schreef vanuit Singapore op 23 augustus 1922 aan Van Oss – hij had na Indië ook Japan bezocht en was inmiddels op de terugreis naar Nederland – dat hij had vernomen dat ‘het pakket fotografieën, dat wij je aangeteekend in Soerabaia verzonden, niet terecht is. Wanorde der Indische Post. Het is doodjammer. Ik beging de fout het niet in mijn koffer te behouden maar koffers worden zoo vol op reis. Dus de foto’s, met zorg verzameld, zijn weg. Laat ons er niet over zeuren. Er is zooveel “weg” in de wereld. Er is veel te verhelpen: ik zal schrijven aan Hacks (Garoetsche hôtelier) en Tilly Weissenborn, om ons vele nieuwe te zenden. Dus niet wanhopig zijn.’

Thilly Weissenborn (1889-1964) was de eerste vrouwelijke fotograaf in Indië. Ze was geboren op Oost-Java, groeide op in Den Haag en vertrok in 1913 naar Java, waar ze haar opleiding tot fotograaf voltooide bij Atelier Kurkdjian. In 1917 kreeg ze de kans hoofd te worden van een foto-atelier en vanaf 1920 was zij eigenaar van dat atelier Lux in Garut. Couperus vond haar foto’s prachtig en ‘met groote kunst uitgevoerd’. Ze gaven ‘de stemmingen der natuur in dichterlijke belichting’ weer. Kennelijk stuurde zij Couperus nieuwe foto’s, want voor het boek zijn inderdaad foto’s van haar atelier gebruikt. In het voorwoord bij de uitgave schreef Van Oss dat ‘een aantal reproducties en fotografieën bijeengegaard [waren] door Mevrouw Couperus’.

Tegenover de titelpagina is een portret van Couperus gereproduceerd en daaronder zijn handtekening. Couperus had de foto op 4 juni 1921 in Londen laten maken bij de firma van E.D. Hoppé. Emil Otto Hoppé (1878-1972), geboren in München, maakte portretten van vele Engelse beroemdheden en publiceerde ze bijvoorbeeld in de uitgave Gods of modern Grub Street. Impressions of contemporary authors (1923). Couperus kreeg diens adres van Alexander Teixeira de Mattos en schreef over Hoppé: ‘In zijn atelier belicht Hoppé mij met spiegels en neemt vier poses van me. Ze zijn heusch niet slecht geworden. Wel deftig, maar het schijnt, dat ik iets deftigs krijg.’

De door Louis en Elisabeth Couperus geselecteerde foto’s zijn op kunstdrukpapier ingevoegd, steeds binnen een kader van zetstukken in goud. In totaal zijn er 23 eenzijdig bedrukte bladen, met 10 paginagrote en 26 kleinere foto’s van bijvoorbeeld een winkelwijk in Medan, rijstschuurtjes in de Padangse bovenlanden, de Boroboedoer en een vleermuizengrot op Bali. Tegenover pagina 64 is een foto aangebracht van de auteur en zijn vrouw aan het Toba-meer.

Bij 26 foto’s is de maker of leverancier vermeld: K.J. John, Medan (tegenover p. 16, 32), Fotogr. Atelier Nieuwenhuis, Padang (tegenover p. 40, 72, 96) en “Lux”, Garoet (tegenover p. 112, 120 (2x), 128, 144, 160 (2x), 176, 192, 200, 208, 224 (2x), 248, 256 (2x)). Karl Josef John was een Indië werkzame fotograaf, die daarvoor in Menden (Duitsland) in 1912 het fotografisch atelier Walram aan de Walram-Platz had opgericht. Tussen 1920 en 1935 was hij werkzaam in Medan. Het atelier Nieuwenhuis werd vanaf 1892 geleid door Christiaan Benjamin Nieuwenhuis en bevond zich in Padang (Sumatra), waar het in elk geval tot 1925 als bedrijf stond geregistreerd. Hij maakte portretten van welgestelde Europeanen, maar ook foto’s van spoorwegen en stations. Hij legde ook de cultuur van de Indonesische bevolking vast.

Latere edities en vertalingen

In 1971 verzorgde uitgeverij Leopold een fotografische herdruk in paperbackvorm, met een inleiding door Rico Bulthuis. Het omslag is een collage door Studio HBM en toont een bruin textiel met wajangfiguren in geel. Daarop zijn enkele brieven (met adressering Redactie Haagsche Post) gelegd en daaroverheen ligt een wandelstok met bewerkte gouden knop. In deze uitgave zijn de illustraties gedrukt op glad papier, dat tweezijdig bedrukt is. De foto van het frontispice is ook op deze wijze gereproduceerd en verschijnt nu pas tegenover pagina 28. De gouden kaders zijn weggelaten; het formaat van het boek is verkleind (202x129 mm) en de foto’s zijn op ware grootte afgedrukt, zodat voor het kader geen ruimte meer was.

Van deze uitgave werd in 1982 door Dedicon in Grave een Integrale weergave op 1 daisy-rom gemaakt. De Nederlands gesproken tekst (mannenstem) neemt 11 uur en 39 minuten in beslag.

In 1992 werd de tekst opgenomen in de Volledige werken Louis Couperus (deel 45). Hierin zijn de platen geconcentreerd in een fotokatern (op gewoon papier) tussen pagina 120 en 121. Hierbij zijn de namen van de makers en leveranciers weggelaten.

Een Engelse vertaling verscheen in 1924 bij Hurst & Blackett in Londen als *Eastward. *Deze vertaling werd ook, hetzelfde jaar, uitgebracht in New York door George H. Doran Company. Beide edities reproduceren alle foto’s van de oorspronkelijke uitgave. De vertaling werd gemaakt door Jacobine Menzies-Wilson en C.C. Crispin.

Een Duitse vertaling verscheen twee jaar later onder de titel *Unter Javas Tropensonne *bij de Deutsche Buch-Gemeinschaft in Berlijn (1926). De vertaling was van Else Otten (1873-1931) en de inleiding van Heinz Karl Heiland (1876-1932). In deze uitgave zijn niet de oorspronkelijke, maar 12 andere foto’s opgenomen. Ook de tekst wijkt zeer af. Van het eerste hoofdstuk zijn al twintig pagina’s weggelaten. In plaats van 43 hoofdstukken telt deze vertaling er slechts 22. De laatste twee Nederlandse hoofdstukken bleven bijvoorbeeld geheel achterwege.

Paul van Capelleveen

Voorzijde band van Louis Couperus, Oostwaarts (1923)

Voorzijde band van Louis Couperus, Oostwaarts (1923)

Voorzijde en rug van de band voor Louis Couperus, Oostwaarts (1923)

Voorzijde en rug van de band voor Louis Couperus,Oostwaarts(1923)

Stofomslag (rug en voorzijde) voor Louis Couperus, Oostwaarts (1923)

Stofomslag (rug en voorzijde) voor Louis Couperus,Oostwaarts(1923)

Rug en voorzijde omslag van Louis Couperus, Nippon (1925)

Rug en voorzijde omslag van Louis Couperus, Nippon (1925)

Monogram voor een beeldhouwwerk van Tjipke Visser

Monogram voor een beeldhouwwerk van Tjipke Visser

Monogram van Visser op de voorzijde van de band van Louis Couperus, Nippon (1925)

Monogram van Visser op devoorzijde van de band van Louis Couperus,Nippon(1925)

Eerste stofomslag (voorzijde) voor Louis Couperus, Oostwaarts (1923)

Eerste stofomslag (voorzijde) voor Louis Couperus,Oostwaarts(1923)

Later stofomslag (rug en voorzijde) voor Louis Couperus, Oostwaarts (1923)

Later stofomslag (rug en voorzijde) voor Louis Couperus,Oostwaarts(1923)

Voorzijde omslag van de heruitgave van Oostwaarts (1971)

Voorzijde omslag van de heruitgave van Oostwaarts (1971)

Achterzijde omslag van de heruitgave van Oostwaarts (1971)

Achterzijde omslag van de heruitgave vanOostwaarts(1971)

Titelpagina en auteursfoto in Louis Couperus, Eastward, vertaald door J. Menzies-Wilson and C.C. Crispin (1924)

Titelpagina en auteursfoto in Louis Couperus,Eastward,vertaald door J. Menzies-Wilson and C.C. Crispin (1924)

Voorzijde band van Louis Couperus, Unter Javas Tropensonne vertaald door Else Otten (1926)

Voorzijde band van Louis Couperus,Unter Javas Tropensonnevertaald door Else Otten (1926)