Hubert Lampo (1920-2006)

De Vlaamse schrijver Hubert Leon Lampo, die 12 juli op 85-jarige leeftijd stierf, werd vooral in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw in Nederland veel gelezen. Als jong onderwijzer begon hij zich bezig te houden met literatuur, als redacteur, vertaler en auteur. In 1943 verscheen zijn officiële debuut: de novelle Don Juan en de laatste nimf. Eerder al publiceerde hij een ‘Middeleeuwsche kerstlegende’ in het blad Vormen. Na de oorlog stopte hij met lesgeven en werd voltijds letterkundige; hij was redacteur van De Faun (1945-1946) en mede-oprichter en redactiesecretaris (1946-1965) van het Nieuw Vlaams Tijdschrift. Lampo was auteur van vele romans, verhalen, essays en studies. Specifiek voor Nederland schreef hij in 1969 het Boekenweekgeschenk De goden moeten hun getal hebben. Zijn werk werd vertaald en verfilmd. Lampo vervulde gastdocentschappen en ontving diverse onderscheidingen, zelfs was hij kandidaat voor de Nobelprijs voor de Literatuur (1982). In 1994 verscheen zijn laatste roman, De geheime academie. Daarna verschenen nog diverse bundelingen van eerdere publicaties onder nieuwe titels. De laatste jaren werd zijn werk in België weer meer bestudeerd, onder andere via het (Nederlands-Vlaamse) Hubert Lampo-genootschap, dat met de KB Brussel in 2003 een tentoonstelling organiseerde: ‘Inscheping naar Atlantis’.

In Nederland leek hij na zijn glorietijd zo goed als vergeten, hoewel hij in kleine kring nog steeds gelezen werd. Van officiële zijde kreeg hij in Nederland weinig waardering. Hij ontving in Vlaanderen de Staatsprijs voor Scheppend Proza (1963) en verschillende andere prijzen. In Nederland bleef het op dit gebied stil, vergeefs zoeken we hem in het literaire prijzenoverzicht: hij werd niet bekroond en ontbrak in letterkundige jury’s. Vaak werd Lampo beschouwd als meer kitsch dan kunst. Bij veel lezers lag dat anders: na de bekendmaking van zijn overlijden na een lange periode van geestelijke aftakeling, hadden twee reacties de overhand: “het einde van het magisch-realisme” en “o ja! De komst van Joachim Stiller!”.

Het magisch-realisme

Inderdaad is Lampo waarschijnlijk de laatste vertegenwoordiger van het magisch-realisme in de Nederlandstalige letterkunde. Dat we hem ook als de belangrijkste zien, heeft te maken met alle aandacht die hij er naast zijn primaire werk ook als essayist aan besteedde. Zo publiceerde hij in 1972 De zwanen van Stonehenge, ‘Een leesboek over magisch-realisme en fantastische literatuur’. Ook in andere publicaties gaf hij aandacht aan het magisch-realisme, een stroming in de schilderkunst en letterkunde waarin een andere werkelijkheid de onze binnendringt. Een geestverwante schrijver was bijvoorbeeld Johan Daisne. Lampo gaf in zijn verhalen tevens gestalte aan een deel van het gedachtegoed van de Zwitserse psycholoog Carl Jung, van wie hij het ‘collectief onbewuste’ gevuld met ‘archetypen’ leende. De voorbestemde zielsverwante, bij Jung ‘anima’ genoemd, keert als mystieke geliefde telkens in Lampo’s werk terug. Lampo leek altijd te zoeken naar tekenen van een andere wereld, die parallel aan de onze zou bestaan en zijn wortels had in oude legenden. Tot de verbeelding sprekende namen van landen uit de voortijd als Atlantis, Lemurië en Magonia duiken steeds weer op. Speciale aandacht had Lampo voor de Middeleeuwen – zo deed hij een poging om de ‘Kroniek van Madoc’ te reconstrueren, en bestudeerde hij legenden en sagen, zoals die rond Koning Arthur en de graal. Via de graal – de schaal waarin Jezus’ bloed bij de kruisiging zou zijn opgevangen – kwam hij ook uit bij de christelijke mystiek.

De komst van Joachim Stiller

Nieuw-testamentische noties met uitvoerige verwijzingen naar een ‘verlosser’ zijn volop aanwezig in De komst van Joachim Stiller. Dit boek verscheen voor het eerst in 1960 en werd een cultboek van generaties middelbare scholieren. Vrijwel elke eindexamen-kandidaat had het in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw op zijn literatuurlijst staan. Daarna bleef Joachim Stiller steeds ongekend populair: in 2003 verscheen de 43e druk – de voortdurende belangstelling voor spiritualiteit zal daar niet vreemd aan zijn. Joachim Stiller verwijst duidelijk naar een verlosser van christelijke signatuur, dat is al af te leiden uit het motto dat het boek vergezelt: “En zij zeiden tot elkander: Was ons hart niet brandende in ons, terwijl Hij tot ons sprak op den weg en terwijl Hij ons de Schriften opende?” (Lucas 24:32). Een citaat uit het verhaal van de Emmaüsgangers, aan wie Jezus na zijn dood verscheen.

Stiller schrijft brieven, telefoneert met de hoofdpersoon (Freek Groenevelt), kondigt zijn komst aan – maar blijft onzichtbaar. Hij blijkt in de zestiende eeuw geleefd te hebben en toen het einde der tijden te hebben voorspeld; hij sneuvelde in de Tweede Wereldoorlog. En nu (1957) komt hij weer gewelddadig om het leven: hij wordt overreden door een legervrachtwagen, vlak voordat Groenevelt zijn “opwaarts gekeerde, geopende” handen kan drukken. Dit gebeurt ’s avonds om half negen (Jezus stierf in ‘het negende uur’). Als Groenevelt hem op de derde dag komt bezoeken in het mortuarium om afscheid te nemen (na een nachtelijk onweer!), blijkt het lichaam verdwenen. Dit ondanks gesloten deuren en bewaking – zoals ook het lichaam van Jezus de derde dag verdwenen bleek te zijn. Door het hele boek is de dreiging van een naderend onheil – het einde van de wereld? – gevlochten, maar die dreiging is nu afgewenteld, want Stiller heeft verlossing gebracht. “Ik had zijn bloed gezien, zijn broederlijke bloed, dat langzaam uit zijn lichaam vloeide.” Groenevelt heeft het besef “dat hij niet doelloos gestorven was, dat het sedert het begin der tijden aldus was voorbeschikt” en dat er “de onverbiddelijke noodzaak [was] van een onafwendbaar offer”. Duidelijker kan het er bijna niet op gelegd worden.

Voorbestemming, vooruitwijzingen, voorspellingen, een offer, onverklaarbare zielsverwantschap, maar ook als nevenlijn de onontkoombare geliefde – het is allemaal volop aanwezig. Deze roman kan ook niet anders dan zoekende jongeren aanspreken, die bezig zijn met zingevingsvragen: wie ben ik, wat is liefde, is er meer dan deze wereld. Joachim Stiller doet dat tot op de dag van vandaag. De roman werd verfilmd door Harry Kümel in 1976, met Hugo Metsers in de hoofdrol.

Literatuur