J.C. Bloem (1887-1966)

In 1887 werd de dichter J.C. Bloem geboren. Hij is de dichter van onsterfelijke regels als Denkend aan de dood kan ik niet slapen, / En niet slapend denk ik aan de dood (Eerste twee regels uit het gedicht 'Insomnia'). Bloem behoort tot de bekendste en meest gewaardeerde dichters van Nederland. Anders dan tijdgenoten als A. Roland Holst of P.N. van Eyck wordt Bloem nog steeds veel gelezen en geciteerd. Zijn Verzamelde gedichten zijn al achttien keer herdrukt en een negentiende druk zal ongetwijfeld volgen.
J.C. Bloem is de dichter van het verlangen, van de hunkering naar een vervulling of een geluk dat altijd onbereikbaar zal zijn, terwijl de dood steeds dichterbij komt. Berusting voert uiteindelijk de boventoon, gemengd met flarden liefde, genot, aanhankelijkheid en vreugde die de melancholie eigenlijk alleen nog maar sterker maken. In het korte gedicht ‘De nachtegalen’ schreef Bloem:

Ik heb van ’t leven vrijwel niets verwacht,
’t Geluk is nu eenmaal niet te achterhalen.
Wat geeft het? – In de koude voorjaarsnacht
Zingen de onsterfelijke nachtegalen.

Paradijselijke jeugd

Jacobus Cornelis (Jacques) Bloem werd op 10 mei 1887 geboren in Oudshoorn (nu in de gemeente Alphen aan den Rijn). Zijn vader was daar burgemeester. Bloem groeide op in een aristocratische sfeer, samen met zijn zusje Ini en zijn broer Floris. Het gezin bewoonde een fraai huis met tuin. Het gezinsleven stond niet in het teken van hard werken, vooral niet toen de familie door een erfenis zeer vermogend werd. In 1904 bleek het familiekapitaal echter verdampt door verkeerde beleggingen, en de jonge Jacques werd erop uitgestuurd om geld te lenen van vrienden. Het moet één van de grootste trauma’s uit zijn jeugd zijn geweest en het financiële drama was voor hem als een verjaging uit het paradijs.

De beweging

J.C. Bloem ontdekte de poëzie op vijftienjarige leeftijd. Hij kreeg het gedicht ‘Sluimer’ van de jonggestorven Tachtiger Jacques Perk onder ogen. In één klap besefte hij dat gedichten onvoorstelbare werelden openbraken en zijn horizon enorm konden verbreden. Vanaf dat moment wilde Bloem niets anders dan dichter worden. Op jonge leeftijd vond hij aansluiting bij het door Albert Verwey geleide tijdschrift De beweging, samen met dichtende leeftijdgenoten als P.N. van Eyck en Geerten Gossaert, waarin in 1910 voor het eerst zijn gedichten verschenen.

Het verlangen

In 1915 publiceerde Bloem een artikel in De beweging: ‘Het verlangen’. In 1921 zou zijn eerste poëziebundel ook onder de titel Het verlangen verschijnen. De jonge dichter legde in zijn artikel uit dat volgens hem het verlangen de kern van de poëzie en het leven was. Bloem noemde dit verlangen een ‘goddelijke onvervuldheid’: een zoeken naar ‘dat wat ons in staat zal stellen, al ware het maar voor een ondeelbaar kort oogenblik, buiten ons zelf te treden’. Het sterke besef dat dat nooit zal lukken en dat het besef van onvervuldheid altijd zal blijven, kan evenwel ook voor een intens leven zorgen, want: ‘Alles is veel voor wie niet veel verwacht’. Maar in Bloems gedichten wordt ook vaak teruggedeinsd voor een praktische levensinvulling, want het verzilveren van een mogelijkheid brengt hem verder weg van het oorspronkelijke verlangen. En dat altijd in het pijnlijke besef dat het leven voorbijgaat, zoals in het gedicht ‘Aanvaarding’:

Want ik wist door een keuze verloren
Ieder ander verlokkend bestaan.
Ik heb dan ook niets verkoren,
Maar het leven is voortgegaan.

Aartsluie jurist

Bloem was het liefst Nederlandse taal en letteren gaan studeren, maar zijn vader dirigeerde hem in de richting van een studie rechten. In 1915 promoveerde hij na een zeer traag doorlopen studie op stellingen tot doctor in de rechten. Die promotie was toen nog noodzakelijk om een juridische functie te kunnen verkrijgen. Een uitmuntende jurist is Bloem nooit geworden, met name omdat hij aartslui was. Zijn hele leven lang heeft Bloem met de grootst denkbare tegenzin betaald werk verricht. Hij werd her en der aangesteld als griffier, maar zijn inertie was onder juristen berucht. Door zijn beschermde, verwende jeugd, zonder werkende voorbeelden was Bloem allergisch voor alle taken die hij moest verrichten en hij deed daarom op kantoor liefst zo weinig mogelijk. Het leidde vaak tot ernstige conflicten en ook tot grote geldproblemen, want wat Bloem wel fanatiek deed was lezen en hij was verslaafd aan het kopen van boeken. Vrienden en maecenassen moesten Bloem vaak redden uit de handen van schuldeisers.

Clara Eggink

In 1925 had Bloem kortstondig een niet al te veeleisend bijbaantje: gecommiteerde bij mondelinge examens op de H.B.S. Het was in die tijd niet ongebruikelijk dat letterkundigen aanzaten bij mondelinge literatuurexamens. Eén van de kandidaten was de latere dichteres Clara Eggink (1906-1991). Bloem werd onmiddellijk verliefd. Tot verbazing van velen stemde Clara toe in een huwelijk met de twintig jaar oudere Bloem. Bloem moet op zijn zestiende al de uitstraling van een oud mannetje hebben gehad,maar op zijn veertigste was hij helemaal een kaal, gezet heertje. Toen Clara Eggink werd gevraagd waarom ze met Bloem was getrouwd, antwoordde ze: ‘Hij was de eerste man die me niet verveelde’. Eggink beleefde met Bloem een zeer intens huwelijk, met een man wiens leven volledig in dienst van de literatuur stond. Ze deed daar van verslag in haar boek Leven met J.C. Bloem uit 1977. Samen kregen ze één zoon: Wim. Het huwelijk werd na heftige jaren formeel ontbonden, maar Eggink zou altijd in de nabijheid van Bloem blijven leven.

Universele thematiek

J.C. Bloem heeft niet veel bundels gepubliceerd. Na Het verlangen volgde pas na tien jaar de bundel Media Vita (1931). Daarna kwamen nog bundels alsDe nederlaag (1937) en Quiet though sad (1946). Als ambtenaar gooide hij er met de pet naar, maar het tekent de dichter Bloem dat hij vaak eindeloos aan zijn gedichten bleef schaven.In 1947 werd al de eerste versie van de Verzamelde gedichten uitgegeven. In al zijn werk is Bloem de thematiek van het verlangen trouw gebleven. Hij zei zelf dat hij in zijn poëzie probeerde ‘enkele essentiële dingen van het leven zo uit te spreken, dat dit van mij en van niemand anders zou hebben kunnen zijn.’ Tegelijkertijd schrapte hij uit zijn gedichten bijna alle concrete aanduidingen van personen en plaatsen, zodat ze een heel algemeen karakter kregen. Bloems poëzie is bovendien van een bedrieglijke eenvoud en helderheid. Die algemeenheid en die helderheid zorgen samen met de universele thematiek van het lijden aan het leven voor de grote aantrekkingskracht van zijn gedichten.

J.C. Bloem overleed op 10 augustus 1966 in Kalenberg (Overijssel). In zijn laatste jaren was hij erg ziek, maar hij werd tot zijn dood verzorgd door Clara Eggink. Op zijn grafsteen op het kerkhof vanPaasloo staat de laatste dichtregel uit het gedicht ‘Herinnering’:

Voorbij, voorbij o en voorgoed voorbij.

Literatuur

Links

Van alle dingen los : het leven van J.C. Bloem / Bart Slijper, 2007

Van alle dingen los : het leven van J.C. Bloem / Bart Slijper, 2007

Verzamelde gedichten / J.C. Bloem, 18e dr., 2007

Verzamelde gedichten / J.C. Bloem, 18e dr., 2007

Leven met J. C. Bloem / Clara Eggink, 5e dr., 1991

Leven met J. C. Bloem / Clara Eggink, 5e dr., 1991

Quiet though sad : gedichten / J.C. Bloem, 1946

Quiet though sad : gedichten / J.C. Bloem, 1946

De gelatene, uit: Quiet though sad : gedichten / J.C. Bloem, 1946

De gelatene, uit: Quiet though sad : gedichten / J.C. Bloem, 1946

Doorschenen wolkenranden : keuze uit eigen werk / J.C.Bloem, 1958

Doorschenen wolkenranden : keuze uit eigen werk / J.C.Bloem, 1958