Rutger Kopland (1934-2012)

Op 11 juli 2012 overleed dichter Rutger Kopland. Kopland wist vanaf zijn eerste bundel Onder het vee uit 1966 heel veel lezers aan zich te binden door zijn persoonlijke en intieme toon. Zijn afzonderlijke bundels en de verschillende edities van zijn Verzamelde gedichten werden vele malen herdrukt, wat voor poëzie zeer opmerkelijk is.
Rutger Kopland was het literaire pseudoniem van Rudi van den Hoofdakker, hoogleraar psychiatrie in Groningen. Hij deed vooral onderzoek naar depressie. Hoewel hij onder pseudoniem gedichten publiceerde, zag Kopland geen wezenlijk verschil tussen het onderzoek naar de psyche en het schrijven van gedichten: beide waren vormen van onderzoek naar het menselijk bestaan en de ervaring daarvan.

Van Goor naar Glimmen

Rutger Hendrik van den Hoofdakker werd op 4 augustus 1934 geboren in het Overijsselse dorp Goor, in een gereformeerd gezin. In 1986 zei hij op het geloof terug te kijken als op een ruïne ‘met alle weemoed en alle ervaringen van dien’, maar het gebouw was ingestort en onderdak bood het niet meer. Na zijn schooltijd ging Van den Hoofdakker medicijnen studeren in Groningen, met als specialisatie psychiatrie. Hij zou altijd aan die universiteit verbonden blijven, want later werd hij er hoogleraar biologische psychiatrie. Zijn vaste stek vond hij in het dorp Glimmen, niet ver van Groningen en pal bij de stroom van de Drentsche Aa, waarover hij herhaaldelijk gedicht heeft.

Onder het vee

Als student begon Van den Hoofdakker met het schrijven van gedichten. In 1966 verscheen zijn eerste bundel: Onder het vee. Het pseudoniem ‘Rutger Kopland’ was hem aan de hand gedaan door vriend en criticus Aad Nuis. Eén van de gedichten in de debuutbundel is ‘Lijsterbessen’, waarin Kopland uiteen zet hoe hij met poëzie probeert de wereld te begrijpen:

De dichtkunst beoefenen is
met de grootst mogelijke zorgvuldigheid
constateren dat bijvoorbeeld
in de vroege morgen
de lijsterbessen duizenden tranen dragen
als een tekening uit de kindertijd
zo rood en zo veel.

Anekdotiek, en abstractie en eigen stem

Na Onder het vee volgden al snel Het orgeltje van yesterday (1968) en Alles op de fiets (1969). De helderheid en de toegankelijkheid van Koplands gedichten trokken meteen veel lezers. Kopland werd door de kritiekmet Judith Herzberg en Jan Emmens ingedeeld bij de ‘anekdotische’ dichters, dieschreven over realistische gebeurtenissen en herkenbare emoties. Maar een anekdote is op zich alleen maar een kort verhaaltje. In Koplands gedichten gebeurt altijd veel meer dan die ene aanleiding. Zo gaat het bekende gedicht ‘Jonge sla’ niet over sla, maar vooral over de vreselijke weemoed van de ik-figuur die nietecht greep heeft op de gebeurtenissen in de buitenwereld. Die thematiek zou Kopland altijd trouw blijven, ook in zijn latere gedichten, waarvan wordt gezegd dat ze kaler en abstracter werden. Overigens was ‘Jonge sla’ een heel Nederlands gedicht. Hoe simpel het ook lijkt, in vertaling zorgde het voor veel problemen. Nog een aanwijzing dat er meer betekenislagen zijn in deze toegankelijke gedichten. Kopland was een graag geziene gast op poëzie-avonden, waar hij met zijn sonore stem en begrijpelijke taal veel indruk maakte.

Hoogleraar psychiatrie

Rudi van den Hoofdakker deed als hoogleraar psychiatrie jarenlang onderzoek naar depressies, waarover hij onder meer schreef in Depressie (1990). In 1970 al publiceerde hij een kritische bundel over de psychiatrie: Het bolwerk van de beterweters. Van den Hoofdakker bestreed de opvatting dat depressie vooral een lichamelijke kwaal is die moet worden behandeld met medicijnen. Hij betwistte het nut van medicatie niet, maar voor het wezenlijk behandelen van iemand die zich in de onvoorstelbare grijsheid van een depressie bevindt en totaal geen greep meer heeft op zijn wereld, was volgens hem veel meer nodig. Hij bepleitte in zijn afscheidscollege als hoogleraar in 1995 een middenweg tussen ‘drogisten’ en ‘praters’.

Ongeluk

In 2005 kwam Kopland in een nachtmerrie terecht. Tijdens het autorijden kreeg hij een hartaanval en raakte hij zwaargewond. Ook zijn cognitieve en mentale vermogens waren aangetast en Kopland-Van den Hoofdakker belandde in de bizarre situatie dat hij moest revalideren op de afdeling die hij voorheen zelf leidde als hoogleraar-directeur. Het moet een diep ingrijpende ervaring zijn geweest. Kopland werd op een nooit gezochte manier gedwongen om de grenzen tussen ‘ik’ en ‘wereld’ zelf als patiënt te ervaren. Kopland herstelde, maar zou na deze periode nauwelijks meer in de openbaarheid treden. Wel verraste hijzijn lezers in 2008 met een nieuwe bundel: Toen ik dit zag.

'Toen ik dit zag'

In deze bundel, die nu vermoedelijk zijn laatste zalzijn, hebben het ongeluk en de herstelperiode daarna hun sporen nagelaten. Des te sterker gaat het in deze bundel ook weer over de verbazing dat er een wereld is die bestaat onafhankelijk van de mens, maar hem toch op onnaspeurlijke wijze beïnvloedt, zoals in het gedicht ‘Een merel’:

Er is iets in de zang van een merel
het is voorjaar, je wordt wakker

je ligt te denken in de nacht
het raam staat open – er is iets

waarvan die vogel zingt
en je denkt aan wat je moet opgeven

er is iets in je dat leeg is en het stroomt vol**
met het zingen van die merel.

Links

Literatuur

Selectie literatuur van en over Rutger Kopland

Verzamelde gedichten / Rutger Kopland, 2010

Verzamelde gedichten / Rutger Kopland, 2010

Onder het vee / Rutger Kopland, 4e druk, 1976

Onder het vee / Rutger Kopland, 4e druk, 1976