De gedichten van Anne Vegter, 1989-2012

Het veerde (1989)

In 1989 verscheen Het veerde, de eerste dichtbundel van Anne Vegter. Elk gedicht in de bundel was geïllustreerd met een prent door Annelies Alewijnse. Net als bij haar eerder gepubliceerde kinderboeken werd de stijl van de gedichten als licht, geestig en eigenzinnig ervaren. Toch waren de onderwerpen lang niet altijd even opgewekt. Wie in een bloemkool het patroon van de hersens herkent, bijvoorbeeld, zoals in het gedicht 'De bloemkool', roept verwarring over zich af.

Anne Vegter, Het veerde (1991)
Anne Vegter, Het veerde (1991)

Anne Vegter, Het veerde (1991)

Anne Vegter, Het veerde (1991)
Anne Vegter, Het veerde (1991)

Anne Vegter, Het veerde (1991)

Hersens, dacht ik bij de bloemkool.
Doormidden? vroeg de groenteboer.

En met het in mijn ogen wonder in een zak wist ik
buiten niet precies meer wie ik was en waar ik woonde.

Ik keek goed uit mijn ogen hoe ik
verdraaid goed uit mijn ogen keek

en liep op het geluk af naar een straatnaam die
in spiegelbeeld geschreven was? en die ik niet ontcijferde.

(p. 11)

Erotiek is een thema dat Vegter niet alleen in gedichten laat voorkomen. In 1994 verscheen Ongekuiste versies, een bundel erotische verhalen. Van haar kinderboek De dame en de neushoorn werd eens gezegd dat het eigenlijk een liefdesgeschiedenis beschreef die, voor wie het zo wilde lezen, boordevol met erotische woordspelingen zat. In Vegters gedichten komt erotiek soms expliciet, soms min of meer verhuld, aan de orde, zoals in 'Een dagje uit' (uit Het veerde).

Slang die over de buik grasduint,
aan de nek parkeert, de tongs rug
streelt, verdraait om het oor:
'U wilt uit neuken met de neus?'

(p. 19)

In zes gedichten volgt Anne Vegter een en hetzelfde personage, Sarah Bertha (Dolly) Rootmond. Zo ziet de lezer haar in haar dromen, in het café, bij haar liefdesavonturen en tijdens haar zwangerschap. Achter grappige beschouwingen en stoere formuleringen gaat een triest leven schuil. In het gedicht De avonturen van Dolly, zwanger (I) mijmert Sarah Bertha over haar zwangerschap en de man die haar na een kortstondig avontuur achterliet.

Liep in het bos, een pad wees naar het kerkhof.
Ik zag misschien een naam voor Charley:
Henrikus Verwater? Josephus Marie Kamsteeg?
Roelof Wiebe Brons? Zijn vaders naam kwijt (Peereboom?
snel met de tong, 't ultieme ding erin en bruisend
door de pasta heen, niet meer gezien).

(p. 29)

Ziekte en dood, ouderdom en verval toont Vegter als onvermijdelijke zaken, die echter liever nog even uitgesteld moeten worden. Of toch niet? De keuze tussen jong - en met de eigen hand - sterven of de dood afwachten en dus oud en met gebreken sterven is kennelijk moeilijk te maken:

Geslaagd, jong, roos desnoods,
in het rijbewijs blijf ik geldig tot
nieuwjaarsochtend twintignegenentwintig,
in het paspoort vroeg scheel, rond de veertig, dat is:
ruim tien maal vijf maal driehonderdenzestig dagen
tenminste bijziend naar toilet, dan bril.

(p.35)

Niet alle gedichten van Anne Vegter zijn zwaar onder een luchtige vermomming. Ook simpele alledaagse taferelen komen aan bod, maar worden op een verrassende manier bekeken, zoals in een gedicht over een logeerpartij: 'Tijdelijk Ergens'.

Nu woon ik Tijdelijk Ergens. Maar deftig:
er staat een schemerlamp, een bed van eikehout.
(Mooi zo. Wie deden het erin?) En iemand
die tegen me zei: 'Je moet sterke
alcoholhoudende drankjes nemen, dat past.'
Om aan het bed te wennen heb ik Beerenburg gedronken,
zo uit de fles en soms glaasjes.

(p. 17)

Vegter omschrijft de werkelijkheid als vrolijk en dreigend tegelijk en de dagelijkse wereld als een bron van verveling èn verrassing. Soms fantaseert de ik-persoon in deze gedichten over het leven van een hond, zie bijvoorbeeld het gedicht 'Verzaak mijn koninkrijk van verf en olie': het hondse is wellicht een aantrekkelijk alternatief voor het gewone dagelijkse bestaan?

Misschien dat ik mijn bed uit moet,
het is zelfs heel waarschijnlijk: ergens in de dag
wacht mij een afspraak, een of ander honds tafereel.
'Waarin Anne Vegter een schilderij toont', dat met de moeders,
wie weet verkoopt het.

(p. 37)

Aandelen en obligaties (2002)

In 2002 verscheen de tweede dichtbundel van Anne Vegter: Aandelen en obligaties, een titel die eerder verwacht wordt op een boek over de financiële markt. De bundel is opgedeeld in vier afdelingen met de titels 'Preferente aandelen', 'Voorkennis', 'Fusiekoorts' en 'Effectief rendement'. Titels die echter ook begrepen kunnen worden als metaforen van het bestaan.

Net als in Het veerde is de thematiek in deze bundel zeer divers: de dood, ziekte, relaties, ouder worden, kinderen, koninginnedag.

Anne Vegter, Aandelen en obligaties (2002)
Anne Vegter, Aandelen en obligaties (2002)

Anne Vegter, Aandelen en obligaties (2002)

Anne Vegter, Aandelen en obligaties (2002)
Anne Vegter, Aandelen en obligaties (2002)

Anne Vegter, Aandelen en obligaties (2002)

B. Zwaal (Keerdruk met: Anne Vegter) (2003)
B. Zwaal (Keerdruk met: Anne Vegter) (2003)

B. Zwaal (Keerdruk met: Anne Vegter) (2003)

Anne Vegter gaf in een interview aan dat zij als dichter graag gebruik maakt van de dialoog. Vanwege haar interesse in drama, maar ook omdat zij iemand is die graag een gesprek voert met zichzelf. De zeven gedichten in de eerste afdeling van Aandelen en obligaties zijn gewijd aan de relatie met een zekere Enricus. Ze lijken te bestaan uit flarden van gesprekken vol emotie. Er is pijn om stukgelopen verhoudingen en over het gevoel in de steek te zijn gelaten, zoals in het voorlaatste gedicht van de cyclus. De tekst van deze gedichten is - ongebruikelijk voor poëzie - gecentreerd op de pagina, zoals in een inhoudsopgave.

overwhelming pain
historisch besef heeft er geen enkele invloed op
en, riep iemand al:
het gaat wel over
of
je komt er uiteindelijk beter uit
vergeet die berusting
als de boodschap van je Enricus klinkt
( p. 16)

Met grote nuchterheid en op de toon van een quizmaster wordt deze Enricus voorgesteld als een man die om vergeving komt smeken, terwijl een kolibrie 'uit zijn hart omhoog schoot' - dezelfde kolibrie die op het omslag is getekend door Geerten ten Bosch (de zogeheten Loddigesia mirabilis ofwel de mannelijke vlagkolibrie), zij het met een klein verschil want in de tekst is kolibrie gespeld als 'kolibri'. Zo'n man heeft ze dus gehad, zegt de ik-persoon en zij concludeert:

u mag mij schrijven
u kunt de blauwdruk van mijn liefdesproject
ook telefonisch bestellen
( p. 17)

Nuchterheid en humor zijn ook de wapens van Vegter tegen dood en verderf. In het gedicht 'Requiem' wordt een gesprek over de dood gevoerd:

altijd verkouden als het over dood moet

En reutelend of hoestend wordt verklaard dat niet dood zijn bedreigend is, maar doodgaan:

de finale en of ik er rekening mee houd.
'Ik heb er,' hoest ik, 'geen moeite mee,
het hangt er krek van af

welke gast je aan je raam krijgt.'
(p. 25)

In het gedicht 'Dan' klinkt de ik-persoon welhaast teleurgesteld na een ontmoeting met de Dood die over haar 'veld' liep, maar toch verkoos haar te passeren.

Steekt mijn veld diagonaal over,
die dood heeft ontwikkeld vorminstinct,

slaat af, god mag zijn bestemming weten
en ik hád natuurlijk opengedaan:

ik sterf al jaren van nieuwsgierigheid.
Als hij me de dood gaf

waar een woord voor staat,
dan.
(p. 22)

Hoe je met een onheilstijding over je eigen gezondheid omspringt, beschrijft zekere 'Mevrouw Vegter' in het gedicht 'Particuliere tijding'. De aanloop van het slechtnieuwsbericht wordt met precisie en herkenbaarheid beschreven:

Hoop, op een koopje: u kunt er oud mee worden.
'Hoe breng je zoiets?'
Die in die witte jas telt verpletterend zonder nut
zijn schema's na: ze heeft het, ze heeft het niet,
ze heeft het niet, ze heeft het.
Dat zeker weten nog een leugen afdwingt
in de gedaante van ontroering, het zonnetje

prikt feestelijk door de ramen der kliniek.
(p. 23)

Zodra er kinderen in een gezin komen verworden ogenschijnlijk simpele dingen tot grootse zaken. Over het gedicht 'uit eten' en enkele andere autobiografische gedichten merkte Anne Vegter eens op dat ze niet zo zeer gaan over de dagelijkse kleine maar daardoor grote frustraties waarmee je als moeder te maken krijgt, maar veeleer 'over het verschil tussen wat je wilt en wat er gebeurt':

Die eten ook werkelijk niets van wat wij vinden dat zij te eten hebben.
En al die oude koek, daar lachen zij om.
Courgettes, jij durft! Of aubergines, het moet niet gestoorder worden.

Hoe de ik-persoon ook haar best doet de kinderen verantwoord eetgedrag aan te leren, uiteindelijk levert capitulatie de meest dankbare reactie op: een uitje in 'De Berehap', ('daar frituurt men maagvulling') eindigt met een enthousiast:

Ja, met met met met met!

Waarbij echter wel de vertwijfelde gedachte blijft hangen:

Ik vind het goed, wat ben ik er voor eentje?
(p. 37)

De bundel eindigt met de afdeling 'Effectief rendement': een lang, vijf pagina's tellend gedicht: 'Fuga'. Vegter schreef het al jaren eerder voor een kinderfestival, waarvoor ze het uiteindelijk niet gebruikte. 'Fuga' schetst een levendig beeld van drie kinderen die een dagje naar het strand gaan. De talrijke herhalingen doen denken aan kindergedichten of -liedjes.

Een duin, een trap en zo kom je er
Je klimt op het duin en dan ben je er
Je bent er als je boven staat
Je staat boven
Boven is nog niet genoeg
Niet genoeg aan boven heb je,
je wilt hoger
Drie kinderen staan op een duin,
staan daar en gillen: vlieger!
Gillen een vlieger een gillende vlieger gillen vlieger vlieger gillen willen
     een vlieger
gillen zij,
in de lucht met uitzicht op hen

(p. 46)

Het vervloeien van verschillende genres in het werk van Anne Vegter wordt duidelijk geïllustreerd in het gedicht 'De rode schoenen' dat in 2003 gepubliceerd werd in een bibliofiele uitgave van uitgeverij 117-234. Een moddervette en verwende prins speelt hierin de hoofdrol. Hij is zo dol op eten dat hij elke dag door zijn eigen schoenen zakt, tot wanhoop van zijn vader de koning. Zoals dat hoort in zekere sprookjes loopt het slecht af met de prins, terwijl er in dit geval toch sprake is van een onverwacht gelukkig einde, al is het dan niet voor de koningszoon in kwestie. Op last van de koning tovert de tovenaar twee schoenen 'waar de prins van zal lusten', een opdracht die de tovenaar letterlijk neemt.

Aan de voeten van de prins staken twee rode schoenen.
Hard als goud, zoet als suiker.
Het hele hof geurde er naar.
Die onbedaarlijke prins werd smoorverliefd.
'Die schoentjes zijn om te smullen!' smakte de dikzak.
Hij rekte zijn tong uit.
Hij wilde bij zijn schoenen.
Hij kon niet bij zijn schoenen.
Hij wilde.
Hij kon niet.
Hij werd mager van verlangen.
Steeds magerder.
Op een dag was de prins op.
Maar de rode schoenen leefden lang en lekker gelukkig.

(p. [3]-[4])

Tekening in Anne Vegter, Eiland berg gletsjer (2011) (p. 24-25)

Tekening in Anne Vegter, Eiland berg gletsjer (2011) (p. 24-25)

Eiland berg gletsjer (2011)

In 2011 verscheen Anne Vegters vierde bundel: Eiland berg gletsjer. Deze bundel maakte grote indruk. Vegter ontving er de Awater-poëzieprijs voor. Eiland berg gletsjer bestaat uit drie afdelingen: een eerste reeks gedichten onder de titel ‘Tramps’, acht gedichten onder de titel ‘Eiland berg gletsjer’ en een lang gedicht ‘Dochter van’, waarin het verhaal van Noach en de zondvloed totaal wordt herzien, vanuit het vrouwelijke perspectief van een dochter van Noach.

Meer dan in Spamfighter verkent Vegter in deze bundel weer de erotische beeldspraak, zoals ze ook al deed in Het veerde en in haar prozabundel Ongekuiste versies. Maar echt erotisch of opwindend zijn de situaties die Vegter schetst niet. In een aantal gedichten is sprake van een man en een vrouw die samenkomen, er worden lichaamsdelen benoemd en seksuele handelingen, maar de toon is schril en de erotische beeldspraak wordt ontmanteld, zoals in ‘Persoonsverwisselingen’:

‘In mijn laatste seconde o kom ik klaar als ik sterf.’
In voorspoed de makers van geilheid: persoonsverwisselingen.

Ik liet je ja neuken omdat het bij een nieuwe vriendin
vaardigheden heette. Wat tussen ons veranderde dacht je

en of dat de doorslag van iets zou geven. Wat denk je over
maar het roept een herinnering wakker: je bent nog eens bang

dat je rol is uitgespeeld. ‘Als ik je man ben doen we het
ook als ik je vrouw ben.’ Hoe hervindt mijn basisaap zich:

stamoudste, alphamale, immoreel. Thuis verdelen we in bed
in verhouding twee staat tot één. ‘Thuis kan ik slapen maar.’

‘Nu ben ik aan de beurt.’
(p. 20)

Eiland berg gletsjer is door Vegter zelf geïllustreerd met tekeningen die zeer nauw aansluiten bij de gedichten: man- en vrouwfiguren in grillige vormen met grotesk vertekende geslachtsdelen. Op het omslag zien we een naakte man zich onderzoekend vooroverbuigen naar het kruis van een vrouw in een moeilijke achteroverleunende positie.

De eerste reeks uit de bundel heet ‘Tramps’, dat kan vertaald worden als ‘hoeren’ of ‘sletten’, maar ook als ‘zwervers’ of ‘reizigers’. Er is vaak sprake van een reis of een tocht, of een plaats van vertrek, zoals in het titelgedicht van de reeks, waarin geliefden afscheid lijken te nemen, zonder elkaar werkelijk te kennen:

Je had het over gevoelstemperatuur, onder nul vond je het tussen mijn dijen
in de vertrekhal. Na je tas hebben we elkaar heart to heart omhelsd,

man ik kon je wel pijpen van plezier. Luister je eigenlijk nog.

We maakten stroeve vogels na, een doodsmak ontwierp je op papier
(p. 12)

In de tweede afdeling, ‘Eiland berg gletsjer’, bevinden zich acht gedichten die allemaal beginnen met de woorden ‘Ook als’. In het eerste vliegt iemand (op vakantie?) boven een oorlogsgebied in de derde wereld. De morele pijnlijkheid van zo’n situatie wordt volledig uitgelicht:

Ook als je wakker wordt boven een sterfgebied en je gespt kinderen vast als gordels: laat mij
eens door een raam kijken of het daar erg is, zie je er niets van want het is een diepteoorlog
.

Ook als een doelwit vanaf de grond toch naar je zwaait en je verlangt naar bleke sterren
op zo’n voorhoofdje, taxie je over het oefenveldje van je grimassen en je speelt elk karakter.’

(p. 32)

In het vijfde gedicht wordt het ouder worden scherp neergezet:

Ook als het onder ons blijft dat de hike haast gelopen is en je leeftijd scrubt je familievachtje,
sta je er zo vrolijk bij, is dat die zelfreflectie weer en hoor jij dan ook hoe het geweldig in mij ruist.

(p. 40)

In de laatste afdeling van de bundel, ‘Dochter van’, wordt in één lang gedicht het bekende verhaal van de zondvloed op een geheel nieuwe wijze verteld, vanuit het perspectief van een dochter van Noach, die – met geweld – haar plaats opeist en zich niet weg laat duwen, zoals Noachs echtgenote. Dit lange gedicht is een uitwerking van de toneelmonoloog die Anne Vegter in 2009 publiceerde onder titel Om te beginnen een vrouw. Monoloog voor de dochter van Noach. Monoloog en gedicht zijn verwant, maar er is ook een groot aantal verschillen. Hoe dan ook is duidelijk is dat de oude Noach een nogal botte figuur blijkt:

nou daar staan we dan
het water is gezakt
de boot ligt op het droge
en wij kinderen van de oude Noach
zijn alles en iedereen kwijt
wat kan jullie dat schelen, zegt hij
wij hebben het gered
bovendien hebben die doden het gemakkelijk
die zijn dood

(p. 56)

Noach dicht zichzelf en zijn familie bovendien nogal bijzondere kwaliteiten toe:

de noachsen zijn nu eenmaal beter dan anderen
bescheiden democratisch vruchtbaar
honderd procent good stuff
de noachsen kunnen afzien van het menselijk tekort

(p. 56)

 Anne Vegter, Eiland berg gletsjer (2011)
Anne Vegter, Eiland berg gletsjer (2011)

Anne Vegter, Eiland berg gletsjer (2011)

 Anne Vegter, Eiland berg gletsjer (2011)
Anne Vegter, Eiland berg gletsjer (2011)

Anne Vegter, Eiland berg gletsjer (2011)

Mevrouw Noach wordt echter in Gods naam toegesnauwd dat ze met al haar vrouwelijkheid wel haar plaats moet kennen:

mijn moeder zoekt haar zusters
allemaal dood
mijn moeder mist haar vriendinnen
morsdood
ze heeft pijn
bloeden
wekenlang ongesteld
roept mijn vader: wat nou menstruele narigheid
je enige doel is gods leed te verzachten
denk je dat het een lolletje is
je in je eigen schepping te vergissen
bloeden is een negatieve functie
snauwt mijn vader
uit mijn ogen met die slijmerij

(p. 58)

Tekening in Anne Vegter, Eiland berg gletsjer (2011) (p. 30-31)

Tekening in Anne Vegter, Eiland berg gletsjer (2011) (p. 30-31)