Gedichten des Vaderlands

Onder het teken van de Dichter des Vaderlands publiceerde Gerrit Komrij op hoogtijdagen een speciaal geschreven gedicht in NRC Handelsblad.

Oranjekindje

8 december 2003 (Geboorte prinses Catharina-Amalia)

Er is een kindje. Iedereen is blij.
Katrien is blij. Truus is zelfs in de wolken.
Want kindjes zijn onschuldig en, daarbij,
Ze hebben Mabel nu genoeg gemolken.

Goed dat Oranje weer een wedstrijd wint.
De hele intellectuelenkliek
Valt stil, doodstil, door toedoen van een kind.
Baar, baar en op de vlucht slaat de kritiek.

Als dichter moet ik nu mijn zegje doen.
Welaan, ik geef het kind een dikke zoen
En zeg u dit: als uw gejuich oprecht is,

Zorg dat het kind een leven krijgt dat echt is,
Gun het een stem, een hart, een eigen pad -
En schop de monarchie onder haar gat.

© Gerrit Komrij

Oorlogssonnetje

25 februari 2003 (Dreigende oorlog met Irak)

Loert daar geen terrorist achter het raam?
Ik hoorde het in de keuken ook al tikken.
Ik droom van mullah, mohammed, imam
En van de minste windstoot moet ik schrikken -

Een losse dakpan of een arabier?
Ik slorp het nieuws op. De tv staat warm.
Ik ben nerveus. Ik heb niet echt plezier -
Ik ben de gijzelaar van vals alarm.

De heren worden stichtelijk bedankt.
Ze stampvoeten en zijn alleen nog zoet
Als er ten minste één sirene jankt.

Wie speelt het in zo'n kleuterklasje klaar
Een oorlog af te wenden die al woedt?
Doe nu je oorlog maar, papkind, doe maar.

© Gerrit Komrij

De favoriet

30 januari 2003 (Gedichtendag)

Het fabeldier dat leeft in mijn gedachten
Is een poliep met vliegwiel en op stelten
Dat dol is op bedriegen en verkrachten
En liefst vakantie viert op vuilnisbelten.

Hij stinkt van Almelo tot Arnemuiden.
Zijn lip hangt scheef. Het ettert uit zijn zak.
Hij heeft een hekel aan de fijne luiden.
En aan de kleine man. Ook die heeft kak.

Het is een beest met parelmoeren schubben
Dat scharen draagt, tentakels en daarbij
Een harnas van oud roest, een koekoeksjong

Dat iedere passant zou willen lubben
Met messen, scherper dan een mensentong,
En dat zich enkel aaien laat door mij.

© Gerrit Komrij

Bij de dood van een prins

8 oktober 2002 (Overlijden prins Claus)

Werd hij niet, toen liefde hem tot ons voerde,
Met geweld en hatelijkheid verwelkomd?
Vreemdeling te midden van volk dat niet vroeg
Naar wat hij zelf dacht.

Oude wonden eerde hij prinsgewijs, door
Sinds die dag het volk tegemoet te treden
Met discretie, intelligentie, humor -
Vreemde talenten.

Nu hij dood is lijkt ook zijn aard begraven:
Wrok en kleinheid maken opnieuw de dienst uit.
Tranen zie ik? Valt van dit volk de rouwklacht
Nog te vertrouwen?

© Gerrit Komrij

De zittende politicus

8 mei 2002 (Moord Pim Fortuyn)

Hij heeft nog nooit gedanst. Hij kent zijn doel.
Nog nooit is op zijn vale klerkensmoel
Zomaar een lach verschenen, maar die nacht,
Nadat de gek de nar had omgebracht,
Kroop hij zijn bed uit, glimmend van de pret,
En maakte hij onbespied een pirouette.
Dank, dank, riep hij, het monster is geveld.
Hij oefende het woord 'geschokt' voor morgen
En sliep als twintig ossen kunnen slapen.
Straks is hij, voor de camera, vol zorgen.
Natuurlijk is hij zwaar tegen geweld.
Daar klinkt verdomd weer zijn belegen lied.
Hij loopt op straat, ondragelijk rechtschapen,
En ziet nog steeds het echte monster niet.

© Gerrit Komrij

Spontane bekering

26 januari 2002 (Introductie van de Euro)

Vaarwel, vaarwel, gemene gore gulden,
Dom dubbeltje, kwaad kwartje, saaie cent -
Te lang heb ik uw grofheid moeten dulden
En de escapades van uw roversbent.

Ik zag u languit rollen in de goot,
Ik zag u vuile gleuven binnendringen
En u misdragen als de Zilvervloot.
Rot op, beschamend blikkerige dingen.

Er zweeft iets schoners langs de hemel nu,
Het zweeft er elegant, het zweeft sportief.
Het heeft zo helemaal en helemaal

Niets weg van dom en bloedbevlekt metaal.
Vlieg haastig binnen euro, eurolief -
Uw oude trouwe geldwolf wacht op u.

© Gerrit Komrij

Het aanstaande huwelijk

31 maart 2001 (Verloving van prins Willem Alexander en Máxima)

Straks trouwt mijn zoon.
Mijn hart danst. Er is geen mooier dag
voor een moeder.
Een dag van rotsen die smelten,
een dag van vonken en licht,
de trouwdag van mijn zoon.

Hij heeft een koninklijke lach. Wild
speelt de wind door zijn haar.
Het gaat goed tussen hem en de wereld.
Hij zal gelukkig worden,
hij moet gelukkig worden,
ik ben immers zijn moeder.

Kijk, hoe hij wordt toegejuicht.
De straten zien zwart van volk.
Zijn nek staat fier in zijn kraag,
de kraag van zijn sneeuwwitte jas.
Hij zal verdwijnen tussen de mensen
en dit keer huil ik van vreugde.

Ik ben zijn trotse moeder.
Mijn naam is Elisa Del Carmen,
uit het huis met de donkere schroeiplek.
Zijn naam was Héctor Alejandro.
Twintig jaar is hij nu verdwenen,
net als Pablo en Ramón, zijn vrienden.

Ze noemen me gekke Elisa.
Wie verbiedt een moeder te dromen?
Kijk, de storm in zijn zwarte lokken.
Aan zijn zijde een prachtige meid.
Feest, Elisa! Zo'n trouwdag verdien ik.
Ik kan niet wennen aan zijn dood.

© Gerrit Komrij

Jan Wolkers 75

1 augustus 2000 (75ste verjaardag van Jan Wolkers)

Al bijna losgezongen van zijn werk
Zijn boeken zweven ergens aan de top
Werd Wolkers een begrip, een handelsmerk.
De recensenten kregen lelijk klop.

Er groeide uit de pesterige vlerk
Een ideale vader, grijs van kop,
Zonder verraad aan Gorter en Jacques Perk,
Zonder vermindering van harteklop.

Vier zonen en een vrouw, het kan niet op,
En tóch liefst voor het zingen uit de kerk.
Zijn boeken schiep hij, leek het, met miljoenen.

Hij gaf ons lachend allemaal een schop.
Nu is ook Jan een man van vier seizoenen.
In winters laaien vuren extra sterk.

© Gerrit Komrij

Hetzelfde water

31 augustus 2000 (Over waterbeheer, geschreven op verzoek van de Commissie Waterbeheer 21ste eeuw)

Hetzelfde water dat met stormgejoel
En helse vlagen komt en wordt gevreesd,
Is ook het water dat, sereen en koel
De mensen van hun kwellingen geneest.

Ons lage land aan zee is een groot lijf
Met aderen, aorta's, bloedkanalen
En al wat zich vertakt - een druk bedrijf
Dat regelt dat we pijnloos ademhalen.

Geen netwerk dat je ongestraft verbouwt.
Het overstroomt bij elke prop meteen.
Wordt het in één arterie te benauwd,
Dan spatten duizend haarvaten uiteen.

Elk lichaam is een tijdelijke spons.
Bepleister het geval met poederdons
En kalk, van top tot teen, dan wordt dat lijf
Sneller dan je tot tien telt droog en - stijf.

Verwen de stroom die door je lichaam stuwt.
Laat bloed, bekwaam getemd, de vrije loop.
Bedenk - wie van de norse buien gruwt -

Dat ook een hart niet wordt geamputeerd
Omdat het breken kan. Wie water keert
Omdat het aanvalt doodt de biotoop

Van al wat weerloos is en wordt bedreigd.
Het lijkt wel op een gordiaanse knoop.

Het water zelf intussen, daalt en stijgt.

© Gerrit Komrij

Smaad

14 juli 2000 (Herdenking van de val van Srebrenica)

Vijf jaar na Srebrenica

Het is een spookbeeld dat niet wijken wil:
Soldaten spelen hun soldatenspel
En, zogenaamd onopgemerkt, is stil
Een sjofele groep verdwenen, richting hel.

Vergeet de laffe onderkolonel.
Hij is gestuurd. Waar is de generaal,
De man van de medaille en het bevel?
Waar de minister, kronkelend als een aal?

Owee, men weet weer van de prins geen kwaad.
Ze staan zichzelf lamlendig toe te juichen
En spelen blindeman. Het is iets geks,

Die Nederlandse oogkleppenreflex.
Dat ze verdomme nu hun hoofd eens buigen.
Dat ze de blik zien van wie sterven gaat

© Gerrit Komrij

Leegte na de ramp

2 juni 2000 (Ontploffing van vuurwerkfabriek in Enschede)

Aardbeving, bankroof, bliksem, watersnood:
In een seconde is de schrik geboren.
Er kan onaangediend een trein ontsporen
Of een verdwaalde kogel blijkt je dood.

Dan rest een graf. Of bloed droogt in de goot.
Gedwee belooft een dader beterschap.
Er overleeft een blinde, een hinkepoot.
Ze lachen bitter. - Soms is er een klap,

Dan rest er niets dan echo en ellende.
Waar iemand stond zie je de kraters roken.
Naar daders kan alleen worden gegist.

Spoorloos zijn zomaar lijf en lach. Je mist
Heel erg de mensen die je niet eens kende,
Alsof er in je ziel is ingebroken.

© Gerrit Komrij

Beatrix 2000

1 mei 2000 (20-jarig regeringsjubileum van koningin Beatrix)

Een vierluik

1

Toen ze aan haar baan als koningin begon
Was het met aarzeling - een brekebeen
Die (hoe parmantig ook) iets breken kon
In al de zekerheden om haar heen.

Geleidelijk, in twintig jaar hard werk,
Zoals dat gaat bij manager en boss,
Werd zekerheid haar trouwste handelsmerk,
Maar liet de wereld zekerheden los.

Is zij een boegbeeld in onzekere tijden,
Of is ze wrakhout in een wereld die
Heeft afgerekend met de monarchie?

Wie van de twee is hier aan het spookrijden?
Een koningin die neerdaalde in het echt,
Een wereld die aan wolkensprookjes hecht?

2

Ze zorgt ervoor dat Nederland bestaat.
Ze maakt het buitenland tot buitenland,
De presidenten temmend - en kordaat
Blust ze soms een geheime binnenbrand.

Ze schrijdt, ze wuift, ze glimt, ze zoeft voorbij -
Ons aller marionet in koningstooi.
Minzaam aanvaardt ze elke strijkerij.
Ze reist, net als de slak, nooit zonder kooi.

Ze doet haar best om koningin te zijn,
Maar er is niemand, zelfs geen huisbediende,
Die een goed woord heeft voor haar hondenbaan.

Wie zo gekooid is heeft verkeerde vrienden.
Soms zié je haar denken: o, los van de lijn,
De haren los - en, volk, loop naar de maan.

3

Er is geen keus: een koningin is mens,
Maar dan is ieder koning, koningin -
Of ze is symbool, verbinding, kwintessens,
En dan heeft pottenkijkerij geen zin.

Dus als zij werk en eigen leven scheidt
Is dat haar zwakke punt: het volk wil mee.
Mee wil het als zij met serviesgoed smijt,
Mee wil het, pardonnez-moi, naar de plee.

En mag het volk niet mee naar het toilet,
Dan wordt uit wraak op de details gelet.
Een struikeling. Een kreukel in haar rok.

Een kleine zenuwtrek. Wat daarin schuilt?
Zij ligt voortdurend op ons offerblok,
Omdat wij willen dat ze lacht en huilt.

4

Wat zou ze zeggen tot haar oudste zoon,
Als wijze raad of als verjaarsgeschenk,
Betreffende de toekomst van de troon?
Het volgende misschien: 'Lees boeken, denk,

Tuinier desnoods, ga wandelen met de honden,
Maar ga niet buikdansen in stadions -
Volkshelden worden door het volk verslonden.'
Misschien. Ze giet haar woorden graag in brons.

Misschien ook niet. Wie weet gaat hij zijn gang
En heeft hij lak, straks, aan angstvalligheid.
Wie weet wil hij de tirannie verdrijven

Van alles wat nu mysterieus moet blijven.
Dan worden we een dwergstaat, ben ik bang.
Dan zijn we koning én geheimen kwijt

© Gerrit Komrij