Tovenaar met taal: de epigrammen en puntdichten van Huygens

Huygens was een taalvirtuoos. In zijn gedichten wemelt het van de woordspelingen, grappige omkeringen, vreemde combinaties en cryptische formuleringen. Deze spitsvondigheid treft men in zijn gehele oeuvre aan, maar valt misschien nog wel het meest op in een genre dat ter demonstratie van taalkunst uitgevonden lijkt te zijn: het puntdicht. Huygens zelf noemde het puntdicht 'sneldicht', wat hij als volgt definieerde:

Vraeght ghy wat Sneldicht voor een Dicht is?
Het is een Dicht dat snel en dicht is
(9, p. 7)

Titelprent inKorenbloemen(1658)

Titelprent inKorenbloemen(1658)

Vooromslag van bloemlezing puntdichten (1956)

Vooromslag van bloemlezing puntdichten (1956)

UitEen drucker in de Zeeuwse Bibliotheek  ([Leiden]: De Ammoniet, 1992)

Uit*Een drucker in de Zeeuwse Bibliotheek *([Leiden]: De Ammoniet, 1992)

Wel drieduizend van deze epigrammen in verschillende talen schreef Huygens. De meeste ervan zijn opgenomen in de verzamelbundel Korenbloemen uit 1658 en vooral in de vermeerderde uitgave van 1672. Maar er zijn ook veel puntdichten slechts in handschrift overgeleverd. Deze in handschrift overgeleverde epigrammen bevatten vaak allerlei aanwijzingen over de werkwijze van Huygens bij het schrijven van zijn gedichten. Zo voorzag Huygens de gedichten waar hij aan werkte vaak van een datering, waaruit herleid kon worden hoeveel epigrammen Huygens op een dag schreef.

Populariteit

Maar wat verstond Huygens nu precies onder een epigram? De hierboven geciteerde 'definitie' geeft nauwelijks houvast. Met 'dicht' bedoelde Huygens dat een epigram compact moest zijn, het mocht geen woord teveel bevatten. Wat hij precies bedoelde met 'snel' is onduidelijk, hij kan hierbij gedacht hebben aan de levendigheid van het gedicht, maar ook aan de manier waarop het tot stand kwam In dat geval moeten we onder een sneldicht dus een gedicht verstaan dat snel geschreven kan worden. Door deze onduidelijke afbakening van het genre is het soms moeilijk om te bepalen of iets nu een sneldicht is of niet.

Erg veel lof heeft hij er in literatuurgeschiedenissen in elk geval nooit mee geoogst. Het puntdicht paste niet in het poëzie-ideaal van 'originaliteit' en 'ontroering' (Meer, 1991, p. 2). Steeds stelden literatuurgeschiedenisschrijvers weer dat Huygens vooral uitblonk in het genre van de epigrammen, maar dat genre had men niet erg hoog zitten. Dat blijkt bijvoorbeeld impliciet uit de verdediging van Huygens door Knuvelder, die vond dat Huygens niet alleen op zijn puntdichten aangekeken moest worden. Men zou Huygens tekort doen door hem alleen als dichter van dergelijke rijmpjes te kenmerken:

*Men stare zich echter op dit veel geroemd aspect van Huygens' werk niet blind; deze man met zijn scherp intellect bezat het warme, menselijke hart en de diepe, edele wijsheid die iemand tot een waarachtig mens maken, en welker afzijdige werkzaamheid in de mens een voorwaarde is voor een nobel dichterschap *(Knuvelder, 1971, p. 311-312).

Zelf stelde Huygens zich ook bijzonder bescheiden op ten aanzien van zijn epigrammen, hij deelde zijn sneldichten een nog geringere plaats toe dan zijn andere dichtwerk. Maar zoals al eerder bleek, was Huygens' bescheidenheid meestal geveinsd. Men verwachtte van een man als Huygens met zijn positie, dat deze zich niet als beroepsdichter op zou stellen. Hoog van de toren blazen over zijn vrijetijdsbesteding was not done. Bovendien wilde hij niet de indruk wekken dat dichtkunst voor hem belangrijker was dan zijn "echte" baan. Maar ondertussen blijkt uit de zorgvuldigheid waarmee Huygens te werk ging, zijn strenge selectie van gedichten en de aangebrachte verbeteringen dat hij wel degelijk een perfectionist was. Hij hield van zijn gedichten, en gezien de enorme aantallen puntdichten die hij schreef, lag dat genre hem in het bijzonder. Hoewel hij beweerde dat het schrijven van epigrammen iets was dat hij tussen de bedrijven door deed, heeft hij waarschijnlijk nauwelijks tijd gehad om iets ànders te doen.

Om zijn sneldichten zo scherp en spitsvondig mogelijk te maken wendde Huygens allerlei middelen aan, waarvan woordspel er maar één is. Tineke ter Meer noemde in haar studie over Huygens' epigrammen alles wat de tekst scherpte geeft ('argutia') een 'vondst'. Zo'n vondst kan hem ook zitten in de thematiek, die Huygens dan ook regelmatig ontleende aan andere auteurs. Het is natuurlijk moeilijk te bepalen welke auteurs hij voornamelijk ter inspiratie gelezen zal hebben, maar doordat Huygens vaak in series dichtte heeft Ter Meer er toch een aantal kunnen determineren. Met name de epigrammenbundels van John Owen, John Harington en de bloemlezing Wits recreations werden door Huygens als bron gebruikt, maar ook anekdoten van Baldassare Castiglione, werk van Erasmus en - natuurlijk - de bijbel dienden als intellectuele benzine bij het schrijven van sneldichten. Qua werkwijze leek Huygens op Martialis, een Romeinse dichter die ook vele epigrammen schreef. Maar staan bij Martialis alle stijlfiguren in dienst van zijn doel, het voorhouden van een spiegel aan de mensheid, Huygens lijkt het woordspel als doel op zich te zien, wat hem vaak het verwijt heeft opgeleverd dat zijn poëzie te duister zou zijn.

Omslag van Koppermaandag 1982 (Orvelte : Peter Visser, 1982)

Omslag van Koppermaandag 1982 (Orvelte : Peter Visser, 1982)

Gedicht van Huygens in Koppermaandag 1982 (Orvelte : Peter Visser, 1982)

Gedicht van Huygens in Koppermaandag 1982 (Orvelte : Peter Visser, 1982)

Thematiek

Huygens heeft allerlei soorten epigrammen geschreven, over specifieke thema's uit de epigramtraditie, maar ook epigrammen voor of over een bepaald persoon. Sommige hebben een serieuze toon, anderen zijn humoristisch, weer anderen zijn religieus en er zijn er ook die ronduit plat zijn. In de Korenbloemen heeft Huygens een deel van zijn puntdichten thematisch gepresenteerd, namelijk: het boek 'Menschen' en het boek 'Dingen'. In het boek 'Menschen' dichtte Huygens over allerlei typen die een bepaald beroep uitoefenen, zoals de dokter en de kwakzalver. Hij liet zich voor dergelijke gedichtjes wellicht inspireren door een bepaald type grafschrift waarin op een bepaald beroep op speelse of satirische wijze werd ingegaan.

Drucker.

Van 'tKeiserlicke Hof tot de Schaepherders Kluijs
  Tracht ijeder vred' en vreughd en vrijheit te gewinnen;
  Ick ben de man alleen van averechtse sinnen,
  Die staegh om perssing en om druck wensch in myn huijs
(5, p. 49)

Huygens bedoelde dat iedereen, of ze nu aan het hof rondlopen of als schaapsherder werken, op zoek naar vrede, vreugde en vrijheid, maar dat de drukker voortdurend 'gepers en druk' wenst in zijn huis, en dus een man is van 'tegengestelde opvattingen' (Blijlevens, 1988, p. 100-101).

Quacksalver.

Ick steeck mijn' stouten voet in der Doctoren Schoen,
  En danss'er met voor 'tvolck, soo dat het oude seggen
  Door mijn' vertieringen licht is om wederleggen:
  Wat dunckt u, Boeren, is 't met seggen niet te doen?
(6, p. 60)