Bredero als dichter: tijdgenoten en kritiek

Het werk in eigen tijd: wisseling van de wacht

De generatie van Bredero was de opvolger van een groep roemruchte schrijvers: Coornhert, Van Mander, Van der Noot, Spieghel en Roemer Visscher. De laatste stierf pas na het overlijden van Bredero, maar was toen al 73 jaar oud. De oudere generatie speeldeeen rol in de vorming van de nieuwe: de jonge schrijvers en letterkundigen ontmoetten elkaar in de huizen van Spieghel en Roemer Visser. De bijeenkomsten bij Spieghel kwamen tot een einde toen hij naar Alkmaar verhuisde, waar hij in 1612 stierf. De ontmoetingen bij Roemer Visscher gingen voort tot hij overleed in 1620.
De schrijvers uit Bredero’s generatie werden, evenals hij zelf, belangrijke auteurs. Tot deze groep behoorden bijvoorbeeld Vondel en Hooft, maar ook Samuel Coster en Jan Janszoon Starter. De invloed van hun ‘leermeesters’ is nog wel zichtbaar: zo is de leer van de Stoa (een filosofische stroming uit het hellenisme en het Romeinse rijk), die Spieghel en Coornhert populairseerden, terug te vinden in werken van Hooft, Coster en Vondel.

Portret van Coornhert, ca. 1590.

Portret van Coornhert, ca. 1590.

Portret van Joost van den Vondel, ca. 1640. Kopergravure van Theodoor Matham, naar de tekening van J. Sandrart.

Portret van Joost van den Vondel, ca. 1640. Kopergravure van Theodoor Matham, naar de tekening van J. Sandrart.

Het gebouw van de Nederduytsche Academie. Gravure van Caspar Philips Jacobszoon (1732-1789).

Het gebouw van de Nederduytsche Academie. Gravure van Caspar Philips Jacobszoon (1732-1789).

Het wapen van dEglentier, 1584. (Tekening opgenomen inTwe-spraack vande Nederduitsche Letterkunst, Leiden, 1584.)

Het wapen van d'Eglentier, 1584. (Tekening opgenomen inTwe-spraack vande Nederduitsche Letterkunst, Leiden, 1584.)

Rederijkerskamers en de Nederduytsche Academie

Tijdens het leven Bredero was het culturele leven in Amsterdam verenigd in de verschillende rederijkerskamers, zoals De Lavendelbloem en de Brabantse kamer ‘’t Wit Lavendel. Bredero zelf had zich in 1611 aangesloten bij d’Eglentier: de grootste en meest invloedrijke kamer van de stad. Een logische keuze: d'Eglentier was gevestigd aan De Nes, waar Bredero geboren was. Bredero's vriend Karel Quina koos voor "t Wit Lavendel.
De verschillende kamers gingen vriendelijk met elkaar om: er werden lofdichten geschreven op het werk van een ander, waarin vaak de kenspreuken van de kamers werden verwerkt.

De rol van de rederijkers was een dienende: het was hun taak om de overheid te helpen om feestelijkheden te organiseren, zoals straattonelen wanneer een voornaam persoon de stad bezocht. De bestuurders van de stad hadden grote invloed op de uitgave van literatuur: wanneer een dichter iets schreef wat hen niet aanstond, konden zij het de verkoop en de opvoering van het stuk verbieden.

Later maakte Bredero de overstap naar de in 1617 opgerichte Nederduytsche Academie, die door Samuel Coster was opgericht. Bredero was minder dan een jaar lid van de Academie, toen hij overleed.
De Academie had niet alleen de functie van rederijkerskamer, maar ook die van onderwijsinstelling met de bijzondere eigenschap dat de voertaal Nederlands was: geen Latijn dus, zoals gebruikelijk was. Hoewel de Academie dus ook dienst deed als ‘volksuniversiteit’, bleef theater toch haar voornaamste bezigheid. Belangrijke auteurs die verbonden waren aan de Acadamie waren naast Bredero onder andere ook P.C. Hooft en Jan Sieuwertsz Kolm.
De werken die vanuit de Academie verschenen, kennen een groot verschil met de stukken die voortkwamen uit d’Eglentier of “t Wit Lavendel. De schrijvers van de Academie wilden invloed uitoefenen op de maatschappij, en schreven bijvoorbeeld hekeldichten over actuele situaties. Dat polemische karakter onderscheidde de Academie van de gewone rederijkerskamers, waarin de auteurs nog met een zuiver literair doel schreven.
Na 1620 ging het bergafwaarts met de Academie: verschillende leden waren gestorven, vertrokken naar elders of hadden zich teruggetrokken. Alleen Joost van den Vondel bleef nog lange tijd trouw aan de Academie, tot de oprichting van het Athenaeum Illustre in 1632. Door de oprichting van het atheneum, verloor de Academie een groot deel van haar bestaansrecht. Uiteindelijk werd besloten tot een fusie: d'Eglentier, de Nederduytsche Academie en het Athenaeum Illustre verenigden zich in de Amterdamsche Kamer. Rederijkerskamer ''t Wit Lavendel had zich al eerder bij de Academie gevoegd. De nieuwe kamer speelde in het gebouw van de Nederduytsche Academie, maar dat werd gesloopt toen het te klein werd. In 1637 verscheen op dezelfde plek de eerste Nederlandse schouwburg, die geopend werd met Vondels Gijsbrecht van Amstel.

Bredero in Amsterdam

De culturele ontwikkeling van Amsterdam viel samen met het leven van Bredero. In zijn geboortejaar 1585 viel de stad Antwerpen, het cultureel en literair centrum van de Nederlanden en Europa. Amsterdam had op dat moment één drukkerij en twee boekwinkels. Dertig jaar later, enkele jaren voor Bredero’s dood, heeft Amsterdam de rol van Antwerpen over als cultureel en literair centrum: in eerste instantie alleen op het gebied van de cartografie, reisverhalen en geografische en zeevaartkundige werken, later op alle fronten.

Bredero zorgde er in hoge mate zelf voor dat zijn werk letterlijk paste in de tijd waarin hij leefde: zijn hechte band met de stad Amsterdam kwam naar voren in veel van zijn werken. Hij beschreef plaatsen die werkelijk bestonden en voerde personages op die gebaseerd waren op de bevolking van Amsterdam.

De poëzie die uitgegeven werd in de tijd van Bredero, is grofweg onder te verdelen in twee genres: de kunstpoëzie, zoals door Hooft werd geschreven, en de volkspoëzie, zoals door Bredero en Starter beoefend. De twee stromingen werden verenigd in het werk van Joost van den Vondel.
Een groot verschil tussen Bredero en schrijvers als Hooft en Vondel is dat hij niet politiek geëngageerd was. Hij legde wel duidelijk een relatie met de stad Amsterdam in zijn werk, maar die relaties steunden vooral op locaties en typetjes. Toespelingen op actuele bestuurlijke toestanden of misstanden maakte hij maar zeer zelden.

Bredero's grootste dichtwerk, het Groot Lied-boeck uit 1622 was opvallend in zijn tijd, omdat het zowel aansloot bij het verleden als vooruitliep op de toekomst. De verhalende manier van dichten die in deze bundel werd gebruikt, kwam overeen met bijvoorbeeld het oudere Antwerps Liedboek. Bredero greep terug op oudere dichtvormen en stijlen.
Het vernieuwende aspect aan het Groot Lied-boeck was dat alle gedichten in de bundel door één auteur geschreven waren; tot dan toe was het bij liedboeken gebruikelijk dat meerdere dichters, soms anoniem, bijdragen leverden voor een bundel. Dit gebeurde bijvoorbeeld in Apollo of Ghesangh der Musen (1615), waaraan Bredero ook meewerkte. Bredero's voorbeeld werd gevolgd door Jan Janszoon Starter, die in 1621 zijn Friesche Lust-hof uitbracht, en door Camphuysen met zijn Stichtelijke Rijmen in 1624.