De gedichten van Gerrit Achterberg

De vroege gedichten

In de loop van het jaar 1925 (de exacte datum is niet bekend) verscheen het debuut van Gerrit Achterberg: De zangen van twee twintigers. Deze bundel bevat 22 gedichten van Achterberg, en 23 van zijn vriend Arie Jac. Dekker. Ze hebben dit bundeltje destijds op eigen kosten uitgegeven en zijn er zelf mee langs kennissen en familieleden en langs de deuren gegaan, om de kosten terug te verdienen. De gedichten van Achterberg gaan over allerlei onderwerpen, maar verschillen heel erg van de rest van zijn werk. (De hierna volgende citaten zijn afkomstig uit deel 1 van de historisch-kritische uitgave van Achterbergs gedichten uit 2000, zie Literatuurverwijzingen: Achterberg, 2000). 

Foto van Gerrit Achterberg en Arie Jac. Dekker in een gebonden exemplaar vanDe zangen van twee twintigers (uit: Hazeu, 1988, ill. nr. 28)

Foto van Gerrit Achterberg en Arie Jac. Dekker in een gebonden exemplaar van De zangen van twee twintigers (uit: Hazeu, 1988,ill. nr. 28)

Sommige gedichten zijn uitgesproken sfeerbeelden. 'Liedje' bijvoorbeeld geeft een idee van de sfeer rond een steenfabriek:

De mannen en meisjes van de fabriek
trekken zingend door de mist
in den avond.
En de mannen rooken hun pijpen
en de meisjes droomen wat heen
tusschen de boomen.

Aan het einde denkt de dichter met heimwee terug aan zijn geboortedorp:

  z'n hart klaagt
zacht in den avond:

't Kinderlijk kennen van zijn eigen dorpje
doemt voor hem op
        in den avond.
(p. 8)

Hij schrijft ook over de liefde, in gedichten met titels als 'K zal haar gaan zeggen', 'De liefde', en 'Liefdes macht'. In die laatste heeft hij het, zoals de titel al zegt, over de macht der liefde:

De Liefde komt mij ingehouden nader
en werpt vooruit een vlamgevoel;
zou trouw deez' Liefde blijven willen?
't Vragen van mijn harte stil-verstillen?

Als zacht mijn hoofd in 's Liefdes armen rust,
als 't donker licht van wonderbeelden
in vreemde vrouwenoogen zweeft,
dan blijft voor mij 't zich overgeven.
(p.12)

Andere gedichten gaan over de dood, weer andere over de weemoed:

Ver kermisgerucht waait weenensweemoed
Door droef-verscholen avondlanden heen.
't Wordt over zachte scheem'ring heengedragen;
O, lieve levensweemoed, 'k ween met u, ik ween!
(p. 14)

Achterberg heeft De zangen van twee twintigers later niet meer tot zijn oeuvre willen rekenen. Hij heeft nog wel exemplaren weggegeven, maar steeds met de vraag die aan niemand anders te laten lezen. In een brief aan Jan Vermeulen uit 1941 schrijft hij bijvoorbeeld: 'Zul je die 'Zangen van 2 Twintigers' nooit laten lezen? Dat heb je beloofd. Wat niet goed is, is niet geschreven' (Achterberg, 1989, p. 95). Deze bundel wordt dan ook niet gezien als zijn echte debuut en is niet opgenomen in zijn Verzamelde gedichten.

Gerrit Achterberg, handschrift van het gedicht 'Afvaart' (uit: Gerrit Achterberg, 1981, ill. nr. 45)

Gerrit Achterberg, handschrift van het gedicht 'Afvaart' (uit: Gerrit Achterberg, 1981, ill. nr. 45)

Gedichten 1925-1946

Tussen 1925 en 1946 kwamen twintig bundels van Achterberg uit, en publiceerde hij in een groot aantal tijdschriften, waar onder Elsevier's geïllustreerd maandschrift, De gids, Opwaartsche wegen, en De vrije bladen. (De hierna volgende citaten zijn afkomstig uit deel 1 van de historisch-kritische uitgave van Achterbergs gedichten uit 2000, zie Gerrit Achterberg: literatuurverwijzingen. Voor het gemak worden de paginanummers uit de dertiende druk van de Verzamelde gedichten ook vermeld). De gedichten uit deze tijd zijn meestal vrije verzen, soms sonnetten, met een onregelmatig aantal lettergrepen.

Het echte debuut van Achterberg is de bundel Afvaart, die verscheen in 1931. In deze bundel zijn alle elementen die het oeuvre van de dichter kenmerken al aanwezig. Bijvoorbeeld de twee centrale figuren, de 'ik' en de overleden 'u':

Wat is dit een zoete verbintenis,
u en de dood en ik.

(p. 26 [VG, p. 26])

De 'ik' in het werk van Achterberg is steeds, door de dood, gescheiden van de 'u': een voorbeeld daarvan is het gedicht 'Tekort' uit de bundel Dead end (1940):

Ik ben het bitter overschot,
aan deze zijde Gods,
van ons in u voltrokken lot.

(p. 131 [VG, p. 150])

Hij spreekt haar aan in het gedicht, probeert haar te bereiken door te dichten. Maar de taal blijkt, hoewel machtig, uiteindelijk ontoereikend:

Dat ik bij machte ben te vinden
een laatste naam voor de beminde,
om dit heelal mee te verblinden,
voordat ik zelve naamloos word.

Het is mijn enige tekort.

Het woord was God in den beginne.
(p. 131 [VG, p. 150])

Vooral in het werk geschreven na Afvaart en in bundels verschenen voor 1942, en dan vooral in de bundels Eiland der ziel (1939), Dead end (1940) en Osmose (1941), komt het thema van de taal, het woord, en de dichtkunst regelmatig voor. Het gedicht zelf wordt het thema en dat blijft terugkomen, bijvoorbeeld in het gedicht 'Dichtkunst' (voor het eerst gepubliceerd in 1947):

De dikke dronken zwermen van gevoelen
krijgen kristal, wanneer ze in de taal
op woorden samentrekken, die ze schaal
geven, zoodat ze tot geluk verkoelen.

(p. 346 [VG, p. 651])

Ook het dichten om de overleden geliefde te bereiken wordt gethematiseerd. De taal dient als instrument om de dood te bezweren:

De levenskracht die gij eenmaal bezat
verdeelt zich over het a b c.
Ik combineer er sleutelwoorden mee
en open naar uw dood het zware slot.

Dit gedicht 'Code' eindigt als volgt:

De Dichter, onder 't schrijven, weegt en wikt,
op dood en leven een schermutseling,
totdat de deur eindelijk opengaat.

(p. 330 [VG, p. 604])

Een enkel gedicht van Achterberg gaat over de psychiatrische inrichtingen waar hij gedwongen verbleef, bijvoorbeeld 'Pastiches III', waarin hij een medepatiënt beschrijft:

Wandluis van God. Gebraden spek-gezicht.
En leege metselaarsogen,
die iedereen hebben belogen.
Een knevel groeit het prevelmondje dicht.

Hij loopt misdadig vlug en licht
achter denkbeeldige belangen,
waarin zijn geestje is gevangen,
door al de gangen van 't gesticht.

(p. 193 [VG, p. 253])

Gerrit Achterberg, handschrift van gedichten verschenen in *Osmose*, *Eiland der ziel* en *Dead end* (uit: Gerrit Achterberg, 1981, ill. nr. 62)

Gerrit Achterberg, handschrift van gedichten verschenen in Osmose, Eiland der ziel en Dead end (uit: Gerrit Achterberg, 1981, ill. nr. 62)

Gedichten, 1948-1962

Er is in het werk van Gerrit Achterberg geen radicale breuk, maar een geleidelijke ontwikkeling. Toch is wel sprake van een 'omslagpunt' dat meestal tussen 1946 en 1950 wordt gelegd. Na die tijd is het aantal sonnetten, cyclische sonnettenbundels, en verzen met een regelmatig aantal lettergrepen duidelijk omhoog gegaan. De vormvastheid in zijn werk neemt dus toe. Dat is opvallend, want in die tijd werd juist steeds meer geëxperimenteerd met de vorm, zoals door de Vijftigers, bijvoorbeeld Lucebert en Kouwenaar. Maar een belangrijker ontwikkeling is de veralgemenisering van de thematiek in het werk van Achterberg. In het begin ging het om de 'ik' en de overleden 'u'. Hoewel de persoonlijke ervaring belangrijk blijft, gaat het steeds meer om algemeen menselijke ervaringen.

De jaren maken hoeken in een mens
(p. 404 [VG, p. 758])

Deze veralgemenisering komt meestal voor in de context van het menselijk tekort. En het meest algemene menselijk tekort is natuurlijk de dood, want

Het eind laat ieder lichaam even koud.
(p. 392 [VG, p.743])

En de dood is het einde van alles, het brengt een definitieve scheiding aan, die nooit meer ongedaan gemaakt kan worden:

Alles wordt enkeling. Een eigen graf
wacht op het kerkhof zijn bewoner af.

(p. 477 [VG, p. 942])

Gerrit Achterberg, handschrift van het gedicht 'Bekeering' (uit: Gerrit Achterberg, 1981, ill. nr. 84)
Handschrift van 'Bekeering'

Gerrit Achterberg, handschrift van het gedicht 'Bekeering' (uit: Gerrit Achterberg, 1981, ill. nr. 84)

Gerrit Achterberg, handschrift van het gedicht 'Vervulling' [Collectie Letterkundig Museum] (uit: Gerrit Achterberg, 1981, ill. nr. 112)
Handschrift van 'Vervulling'

Gerrit Achterberg, handschrift van het gedicht 'Vervulling' [Collectie Letterkundig Museum] (uit: Gerrit Achterberg, 1981, ill. nr. 112)

Gerrit Achterberg, kladhandschrift van het gedicht 'Deïsme' [Collectie Letterkundig Museum] (uit: Gerrit Achterberg, 1981, ill. nr. 181)
Kladhandschrift van 'Deïsme'

Gerrit Achterberg, kladhandschrift van het gedicht 'Deïsme' [Collectie Letterkundig Museum] (uit: Gerrit Achterberg, 1981, ill. nr. 181)

Er bleven bundels verschijnen over het thema van de gestorven geliefde, maar er zijn ook uitzonderingen. De bundel En Jezus schreef in 't zand (1947) is een bundeling van gedichten met religieuze onderwerpen, bijvoorbeeld 'Triniteit':

God scherpt zijn wet op deze steen,
die mijn bestaan geworden is.
Maar Jezus Christus geeft ons vis
en droogt de tranen van geween.

Heeft een van beide zich vergist?
Wij zijn een duister phenomeen
zoolang niet in ons leven rijst
het licht van den heiligen geest.
 
(p. 233 [VG, p. 601])

De bundel Hoonte (1949) is ook uitzonderlijk. Het centrale thema van Achterberg komt er niet in voor. De gedichten zijn vaak wat anekdotisch:

Uit de Middeleeuwen van Ary Prins
is deze molen overgebleven.
Hout, water en leven
hielden dezelfde, eensgezinde kracht.

(p. 215 [VG, p. 645])

Ook komen er gedichten in voor over beroepen, bijvoorbeeld 'Glazenwasser', 'Werkster', en 'Melkknecht'. En over kunstenaars: Van Gogh en Vestdijk. Dat hangt samen met de veralgemenisering in het werk, er komen steeds meer personages buiten de 'ik' en de 'u' in voor. De dichter is minder afgesloten van de buitenwereld. In Hoonte staat ook een gedicht over kinderangst en één over dronkenschap:

Als ik hier liggen ga, slaap ik meteen.

Maar ik ga niet liggen; ik ben niet thuis.
Daar staat de maan, en daar en daar

(p. 395 [VG, p. 685])

Gerrit Achterberg, *Spel van de wilde jacht* (1957)

Gerrit Achterberg, Spel van de wilde jacht (1957)

In de bundel Spel van de wilde jacht (1957) wordt verwezen naar het platteland waar Achterberg vandaan kwam:

Er is een cosmisch, onbegrensd verblijden.
Ik kom weer bij m'n eigen oorsprong aan

(p. 489 [VG, p. 873])

Er zijn gedichten over het personeel op een landgoed, zoals de 'Jachtopziener', de 'Tuinbaas', de 'Rentmeester', de 'Chauffeur' en de 'Huisknecht':

Meneer al wakker?, vraag hij opgeruimd.
Dienstvaardiger dan ooit komt hij getreden
tot bij mijn stoel, met zijn bestaan tevreden
en heden wel bijzonder goed geluimd.

(p. 491 [VG, p. 876])

En de bundel behandelt ook het werk op het landgoed:

Wel wordt er soms een bosperceel geveld
en planten ze weer jonge bomen aan.

(p. 488 [VG, p. 868])