1890-1897: Van Verzen naar het socialisme

Verzen van 1890

De boomen waren stil,
de lucht was grijs,
de heuvelen zonder wil
lagen op vreemde wijs.

Voorzijde band van de eerste druk van Herman Gorter, *Verzen* (1890)
Verzen (1890)

Voorzijde band van de eerste druk van Herman Gorter, Verzen (1890)

Titelpagina van Herman Gorter, *Verzen* (1890), exemplaar door de uitgever ingeleverd bij het Departement van Justitie (zoals destijds verplicht), met datum van uitgave ingevuld: 8 oktober 1890.
Verzen (1890)

Titelpagina van Herman Gorter, Verzen (1890), exemplaar door de uitgever ingeleverd bij het Departement van Justitie (zoals destijds verplicht), met datum van uitgave ingevuld: 8 oktober 1890.

Bloemlezing uit de poëzie van Herman Gorter door [Pieter Boskma](/node/14159):*Ik vind je zo lief en zo licht* (1997)
Bloemlezing (1997)

Bloemlezing uit de poëzie van Herman Gorter door Pieter Boskma:Ik vind je zo lief en zo licht (1997)

Herman Gorter, omstreeks 1920 (uit:Herman Gorter en Henriette Roland Holst in hun tijd. Den Haag, Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum, 1977)
Gorter (1920)

Herman Gorter, omstreeks 1920 (uit: Herman Gorter en Henriette Roland Holst in hun tijd, 1977)

De mannen werkten wat
rondom in de aard,
als groeven ze een schat,
maar kalm en bedaard.

Over de aarde was
waarschijnlijk alles zoo,
de wereld en 't menschgewas
ze leven nauw.

Ik liep het aan te zien
bang en tevreden,
mijn voeten als goede lien
liepen beneden.
(p. 23)

Dit gedicht is misschien wel het beroemdste lyrische gedicht van Herman Gorter.

Deel van voorzijde omslag van Herman Gorter, *Verzen: de editie van 1890*, bezorgd door Enno Endt (1977)

Deel van voorzijde omslag van Herman Gorter, Verzen: de editie van 1890, bezorgd door Enno Endt (1977)

Directe uitdrukking van de werkelijkheid

Gorter zocht naar een manier om niet via de beeldentaal van de mythologie uitdrukking te geven aan zijn waarnemingen en ideeën, zoals in Mei, maar om dat directer te doen, zo direct mogelijk de prikkels van de werkelijkheid en de werking van die prikkels uit te drukken (Halsema, 2010, p. 13-42). En juist daarom worden de Verzen uit 1890 wel gezien als het echte begin van de moderne Nederlandse poëzie: Gorter onttrok zich aan alle heersende conventies en regels. In 1905 zei Gorter in het voorwoord bij de nieuwe druk van de verzamelbundel De school der poëzie: 'ik had zelf dat onmiddellijke leven zo lief, ik had zoo'n voorgevoel ook, dat er in dat leven een nog veel dieper schoonheid verborgen lag, dat ik besloot te trachten poëzie te maken van de onmiddellijke realiteit – zonder de traditie van de vroegere tijden.' (Gorter, 1978, p. 519). Het leidde tot gedichten als deze:

Avond. De heuvels vallen vaal -
klimt de hemel in praal
hoog naar de sterren,
somber zon laat en rood, verre.

De grijze stofweg
vast in de somber stronkrommelde hei,
boomen voor 't zonrood vèr weg,
waar ik adem en rij.

Geuren, vocht- en kouzoete -
voort gaan de rijende wielen
om de trappende voeten -
oogzwerven en zweetrillen.
(p. 103)

Dit gedicht gaat over een fietstocht. De natuurimpressies van de geuren, de kleuren en het licht trachtte Gorter weer te geven zoals ze op hem inwerkten, zonder het vluchtige van het echte leven te verliezen. Het is zeer kenmerkend voor Gorter dat deze drang naar eenwording met de natuur op de fiets wordt beleefd, maar de (poging tot) weergave van het 'in beweging zijn' is in veel impressionistische kunst terug te vinden.

Herman Gorter, *Verzen: de editie van 1890* (2010)

Herman Gorter, Verzen: de editie van 1890 (2010)

Liederen van vervulling en tekort

Hoewel het er maar van afhangt hoe eng of hoe ruim definitie van 'sensitivisme' wordt gemaakt, zijn veel van de gedichten uit Verzen eigenlijk helemaal niet zo volgeladen met directe impressievertolkingen en neologismen. Zie 'De boomen waren stil', bijvoorbeeld. Maar ook andere gedichten in Verzen zijn strakker van vorm en toon. Bijvoorbeeld ook dit bekende gedicht:

Zie je ik hou van je,
ik vin je zoo lief en zoo licht -
je oogen zijn zoo vol licht,
ik hou van je, ik hou van je.

En je neus en je mond en je haar
en je oogen en je hals waar
je kraagje zit en je oor
met je haar er voor.

Zie je ik wou graag zijn
jou, maar het kan niet zijn,
het licht is om je, je bent
nu toch wat je eenmaal bent.

O ja, ik hou van je,
ik hou zoo vrees'lijk van je,
ik wou het heelemaal zeggen -
Maar ik kan het toch niet zeggen.
(p. 99)

Eerste tekstpagina van het *Verslag van het openbaar debat over 'Het ministerie-Kuyper' gehouden 20 october 1904 te Veendam tusschen dr. H. Gorter en mr. G.J. Sybrandy* (1905, herdruk)

Eerste tekstpagina van het Verslag van het openbaar debat over 'Het ministerie-Kuyper' gehouden 20 october 1904 te Veendam tusschen dr. H. Gorter en mr. G.J. Sybrandy (1905, herdruk)

Spinoza

Gorter was na de Verzen een zoektocht begonnen naar een alomvattende wereldbeschouwing die ook zijn een poëzie een vast fundament zou geven. Hij vond die in de eerste plaats in de filosofie van Baruch Spinoza (1632-1677). In de jaren 1891-1892 stortte Gorter zich verwoed op de bestudering van deze wijsgeer. In Spinoza's leer is helemaal geen tegenstelling tussen ziel en zinnen of lichaam en geest, het is een pantheïstische leer die uitgaat van de eenheid van alles. De tegenstelling, waarmee Gorter worstelde in Mei, is bij Spinoza opgeheven: alles is bezield dus er is geen tegenstelling tussen ziel en natuur. Voor Gorter was deze leer een verlossing (De Liagre Böhl, 1996, p. 184-185). Hij was zo idolaat van Spinoza dat hij ook verschillende 'Spinozistische gedichten' schreef over diens filosofie:

En nu deze waarheid dus hier zoo staat,
dat God is eindloos geest en lichaam, nu
daagt er misschien iets van ´t geluk in u,
dat gloeide op het zacht denkend gelaat
van allen die zoo begrepen Gods staat.
Waardoor hun stem zooals een wind zoo luw
zeide dat elk ding schoon is, geen schaduw
ergens; dat schoonheid eeuwig vreugde had.

En gij ziet achter dat gevoel een waarheid,
omdat gij voelt dat het begrip van ´t ware
vreugde moet geven, en die dingen schoon
dus zijn, die gij zoo ziet in ware klaarheid.
Want schoon zijn immers die dingen die baren
vreugde, als ze zijn in ons metterwoon?
(p. 240)

Heel succesvol was Gorter met deze gedichten niet. Ze toonden meer Gorter de didacticus dan Gorter de lyricus.

Voorzijde omslag van Herman Gorter, *Kenteringssonnetten* (1979)

Voorzijde omslag van Herman Gorter, Kenteringssonnetten (1979)

Titelpagina van Herman Gorter, *De school der poëzie* (1897), waarin de 'kenteringssonnetten' zonder die titel zijn afgedrukt (p. 128-158)

Titelpagina van Herman Gorter, De school der poëzie (1897), waarin de 'kenteringssonnetten' zonder die titel zijn afgedrukt (p. 128-158)

Voorzijde omslag van Rob Antonissen, *Herman Gorter en Henriëtte Roland Holst* (1979)

Voorzijde omslag van Rob Antonissen, Herman Gorter en Henriëtte Roland Holst (1979)

De school der poëzie

In 1897 verscheen de bundel De school der poëzie waarin Gorter ook de Verzen uit 1890 opnam en de nieuwe gedichten geschreven tussen 1891 en 1897. Met de titel De school der poëzie wilde Gorter zijn dichterlijke ontwikkelingsgang tot uitdrukking brengen. Die ontwikkelingsgang leidde van het individualistische sensitivisme via het spinozisme uiteindelijk tot het socialisme, de ideologie waarin Gorter zijn definitieve intellectuele huis zou vinden. In 1903 verscheen een nieuwe bundel onder de titel Verzen met nieuwe socialistische lyriek van Gorter. Door zijn nieuwe poëzie opnieuw uit te brengen onder de noemer Verzen lijkt Gorter zijn nieuwe socialistische elan op dezelfde manier naar buiten te brengen als met de Verzen uit 1890: het begin van iets nieuws. In 1905 zou echter weer een nieuwe verzamelbundel wederom verschijnen onder de titel De school der poëzie, de nadruk op de ontwikkeling werd daardoor weer sterker.

De socialistische lyriek

De arbeidersklasse danst een groote reidans
aan de oceaan der wereld, zooals kindren
die men 's avonds op strandmuur bij de zee,
bij het geel licht der lantarens en 't licht
der zon, ziet huppelen op muziek. Hun lichte
dunne gestaltetjes dragen al dansend
hoop en gedachten gaand op de oceaan,
gaand in den hemel, gaand diep in de aarde -
zoo danst de arbeidersklasse aan de zee.
Hoop en verwachting stroomt hun van de zee,
hoop en verwachting straalt van uit de lucht,
hoop en verwachting rijst van uit de aard.
Hoe klinkt nu alles helder, 't aard-metaal
klinkt, en de lucht is sonoor, 't handgeklap
van mannen en vrouwen volgt op breeden zwaai
van armen door de zachte helle lucht.
Jongens en meisjes stuiven om hen heen.
Dezen zullen 't beleven dat de lichte
lichamen der menschen overal dansen
in vrijheid.
De arbeidersklasse danst een groote reidans
aan de oceaan.
(p. 297)

Dit openingsgedicht van de socialistische Verzen toont de socialistische dichter Gorter in optima forma. Onmiskenbaar is nog dezelfde dichter als die van Mei en de Verzen uit 1890 aan het woord, met de nadruk op licht, lucht en zee, maar de individuele werkelijkheidsbeleving is naar de achtergrond gedrongen ten gunste van de gemeenschap, of concreter: de arbeidersklasse. Heel bewust plaatst Gorter de arbeidersklasse hier in de eerste regel: over hen zal het gaan in de nieuwe socialistische poëzie. Verzen uit 1903 toont evenwel ook de worstelingen van Gorter met de combinatie van poëzie en socialisme:

Niet gemak'lijk, uit één kamertje
dat groote blijspel, dat socialisme
te overzien. Maar goed dat de zon lacht
in Oost en West. Dat is mijn broeder, die
laat het mij zien: hij trekt 't gordijn ten hemel.
(p. 309)

Het gedicht 'Spinoza's leer', in: Herman Gorter, *De school der poëzie* (1897, p. 162-163)

Het gedicht 'Spinoza's leer', in: Herman Gorter, De school der poëzie (1897, p. 162-163)

Inleiding door Herman Gorter in *De school der poëzie* (1897, p. [v])

Inleiding door Herman Gorter in De school der poëzie (1897, p. [v])

Inleiding door Herman Gorter in *De school der poëzie* (1897, p. [vi])

Inleiding door Herman Gorter in De school der poëzie (1897, p. [vi])

Een lyrisch dichter spreekt altijd vanuit een ikheid en het wezen van het socialisme is de collectiviteit en de gemeenschappelijkheid. In de bundel staan dan ook veel gedichten waaruit wel degelijk een individuele dichter spreekt, maar dan vanuit het geluk van het persoonlijk ontdekte socialisme:

Eindelijk heb ik het, het langverlangde;
als jongen zocht ik dat: die essentie
aller dingen, om en liefde en wil en daad
en wete' er aan te geven. Wat een nachten
heb ik doorgebracht, wat een gloeiende dagen
om het te zoeken! 'k heb 't: 't socialisme.
De eenheid, eenheid, eenheid aller menschen.
(p. 349)

De dichter zingt hier zijn liefde voor de mensheid uit. Gorter verbindt deze liefde met de liefde voor de natuur, die altijd al zo'n grote rol bij hem speelde (De Liagre Böhl, 1996, p. 268-269). En die liefde voor de natuur en de mensheid komt ook terug in de liefdesgedichten die ook in deze 'socialistische bundel' te vinden zijn en die van het grote beeld van de mensheid weer afdalen naar een heel concreet vereerde vrouwsfiguur en vaak zelfs een erotische component krijgen:

O liefste, 't is of van uw aangezicht,
nu gij hier onder mij ligt, stil uitgaan
alle kleuren en schilderen de wereld.
Het is of uw gelaat het heelal wordt,
uw kleuren vloeien in de atmosfeer.
Uw gelaat kleurt het al, het is het al.
Het is alsof ik in uw gelaat zie
alles, al 't leven; de zachte natuur
heeft zich verheven, en is daar gestold
tot één golf, uw gelaat. Het is de kroon
van haar lichaam, dat daar zoo roerloos ligt.

O laat ik u stil zeggen dat'k u lief heb,
en u zeer stil bewijzen dat 'k u lief heb,
'k ga in u op, ik voel uw innerlijk
hoe zacht het is, hoe innig en hoe week.
In't hemelhooge van het hoogst geluk,
in't hemelhooge van 't hoogst ideaal
dring ik door u. Een koepel van geluk
gaat open en ik stijg door u er in
(p. 357)