Gerhardts goddelijke en autobiografische inspiratie

Goddelijke opdracht

Het openingsgedicht uit de bundel Vijf vuurstenen (1974) maakt duidelijk hoe Ida Gerhardt haar dichterschap ziet. Ze krijgt vijf vuurstenen aangereikt waar ze het vuur van haar poëzie uit moet slaan, maar het woord 'aangereikt' wil nog niet zeggen dat ze het dichterschap cadeau krijgt.

Ida Gerhardt, *Vijf vuurstenen* (1974)
Vijf vuurstenen (1974)

Ida Gerhardt, Vijf vuurstenen (1974)

Handschrift van Vernomen tijdens een onweer, 1971  (Collectie Letterkundig Museum © A.P. ten Bosch)
Handschrift, 1971

Handschrift van 'Vernomen tijdens een onweer', 1971 (Collectie Letterkundig Museum © A.P. ten Bosch)

Maria de Groot, *In gesprek met Ida Gerhardt* (2002)
In gesprek met Ida Gerhardt (2002)

Maria de Groot, In gesprek met Ida Gerhardt (2002)

De vuurstenen zijn namelijk:

een harde jeugd, die ziel en ribben treft,
een sterk talent, in eenzaamheid beseft:
aanstoot blijft het voor vrienden en verwant.
Het ongeëerd zijn in uw eigen land.
Dat zich de minste boven u verheft.
(Gerhardt, 2001, p. 471)

De titel van dit gedicht, 'Vernomen tijdens het onweer', legt een verbinding met het evangelie van Johannes (12:28-29) waarin Jezus een stem uit de hemel hoort spreken terwijl omstanders een donderslag horen. Het dichterschap is voor Gerhardt dus een opdracht, een zware opdracht, een goddelijke opdracht. In een vraaggesprek met Maria de Groot vertelde ze: 'mijn talent is onverbrekelijk verbonden met mijn gebedsleven' (Groot, 2002, p. 12).

Haar opdracht bestaat niet uit het bedenken van gedichten. Hiertoe achtte zij zich niet in staat;deze opvatting over het dichterschap doet sterk denken aan de Romantiek. De gave van de dichter bestaat uit het zich openstellen voor poëzie. Een gedicht kan zich spontaan aandienen en de dichter kan dit dan verder bewerken tot het voltooid is. De dichter heeft echter geen zeggenschap over wanneer een gedicht zich aandient.

Het zich aandienende gedicht heeft in Gerhardt’s poëzie vaak de vorm van een vogel, bijvoorbeeld in het gedicht 'ΠΟΙΗΣΙΣ':

De strofen komen toegevlogen
gelijk de vogelen overgaan
(Gerhardt, 2001, p. 243)

De afhankelijkheid van deze inspiratie komt naar voren in 'Inzet' waarin een houtsnijder vroeg is opgestaan en zijn materiaal klaar heeft, maar niet kan beginnen, totdat:

Een flits. Was dit een vogel langs het raam?
Uw oog licht op, - gij vangt de arbeid aan.
(Gerhardt, 2001, p. 99)

Toch laat Gerhardt er geen twijfel over bestaan dat de bron van de poëzie een goddelijke bron is:

Dat wat een vers tot een vers maakt
ìs niet van sterfelijke oorsprong

Wie dichter is zorgt dat hij staan laat,
mijn zoon, wat nièt van zijn hand is.
(Gerhardt, 2001, p. 540)

De goddelijke inspiratie is zeer expliciet in het gedicht 'Dankzegging':

Ik houd het linnen blank. Maar als ik in de laden
de geurige stapels strakker in hun vouwen schik
treedt Gij soms achter mij. De glans van Uw genade
glijdt over werk en hand, en zoekt het wachtend ik.

en:

Het valt mij soms zwaar, ’t werk in zijn stugge ronden.
Maar het voldragen vers zegt voor die strengheid dank,
zo vaak Uw trouw mijn huis, mijn arbeid heeft gevonden.
Gij weet mij bij mijn werk: ik houd het linnen blank.
(Gerhardt, 2001, p. 102)

De dichteres kan niets anders doen dan wachten op Gods 'genade', ofwel inspiratie. De eerste en de laatste woorden van het gedicht, 'Ik houd het linnen blank', suggereren dat naast het geduldig wachten ook een zekere zuiverheid – misschien zelfs maagdelijkheid – nodig is om voor deze genade in aanmerking te komen.

De opdracht te strijden voor het landschap

Het landschap staat in mij geschreven,
gras, water, bloemen, ieder ding.
(Gerhardt, 2001, p. 6)

Zo schrijft Gerhardt in het openingsgedicht 'Wandeling in Vlaanderen' van haar eerste bundel Kosmos. De bundel heeft als thema het sterke verband tussen de schepping als geheel en al haar afzonderlijke delen. In het gedicht 'Kinderspel' komt dit goed tot uitdrukking. Een kind ziet in gevonden schelpen dwars door tijd en ruimte de wereld die bij die schelpen hoort:

de namen prevelend zag hij de uren
terug, waarin hij ze gevonden had.

Dagen van open zon, dagen van regen
en vlagen wind, het breken van de zee,
en alle argeloze vreugden, die ermee
verweven waren; tot naar stiller wegen

zijn aandacht boog: het lijnenspel, de kleuren,
het kleine leven dat dit broze bouwde,
het zeediep met het wonderlijk gebeuren
van plant en dier
(Gerhardt, 2001, p. 11)

Ida Gerhardt, handschrift van 'Afscheid van Holland' (Collectie Letterkundig Museum © A.P. ten Bosch)

Ida Gerhardt, handschrift van 'Afscheid van Holland' (Collectie Letterkundig Museum © A.P. ten Bosch)

Ida Gerhardt bleef de strijd voor het landschap voeren en ook de verbittering bleef. Het gedicht 'Afscheid van Holland' uit De ravenveer (1970) demonstreert dit:

Twintig jaar vrijheid, twintig jaar verraad
aan het edelste. Ik hard u, Holland, niet
met dìt gelaat, waarop geschreven staat:
ziehier die zich voor geld aan ieder biedt.

en:

Ik had u lief en leerde u verachten,
Holland.
(Gerhardt, 2001, p. 422)

In 1989, veertig jaar na het verschijnen van Kwatrijnen in opdracht, stuurde Gerhardt zelfs een brief naar koningin Beatrix waarin ze het probleem nog eens onder de aandacht wilde brengen.

U is degene […] die door een beroep op het hele volk de rampzalige mondiale hordenren tot stilstand kunt brengen […] door een adempauze van behoud van wat nog ongeschonden is.
(Gerhardt, 2005, p. 655).

De koningin antwoordde dat ze de zorgen van Gerhardt deelde, maar dat ze een dergelijke oproep op dat moment niet effectief achtte.

Ida Gerhardt, handschrift van 'Entourage', uit *Sonnetten van een leraar* (1951) [onder de titel Woestijn (Collectie Letterkundig Museum © A.P. ten Bosch)]

Ida Gerhardt, handschrift van 'Entourage', uit Sonnetten van een leraar (1951) [onder de titel Woestijn (Collectie Letterkundig Museum © A.P. ten Bosch)]

Autobiografische inspiratie: de kinderjaren

In 1955 verscheen Het levend monogram. Ook deze bundel heeft een sterk autobiografisch karakter, maar de onderwerpen hebben een zwaardere lading dan haar docentschap in Kampen. In deze bundel sprak ze voor het eerst in haar poëzie over de moeizame relatie met haar ouders, haar moeder in het bijzonder. Het eerste gedeelte van de bundel heet dan ook 'In memoriam matris', ter nagedachtenis van moeder. In 'I De gestorvene' beschreef ze die moeder als

zij, die mij heeft gedragen;
zij, die mij naar het leven stond
in al mijn levens dagen.
(Gerhardt, 2001, p. 212)

De suggestie van moederliefde wordt meteen gevolgd door een bedreigende haat. In 'Kinderherinnering' komt die dreiging terug:

Opeens voelde ik, dat gij mij naar het water trok.
Gij zijt gekeerd, omdat ik wild en angstig schreide.
Wit liep gij de dijk op; ik hangend aan uw rok.
Moeder en kind: vijanden en bondgenoten beide.
(Gerhardt, 2001, p. 213)

Of de moeder nu werkelijk het kind het water in wilde duwen is niet eens zo belangrijk. Er bestond kennelijk een zodanige relatie tussen de twee dat het kind daar wel bang voor was. De beschreven gebeurtenissen vormen een analogie met een gebeurtenis in het leven van Ida Gerhardt. Tijdens haar studieperiode ontstond er eens een dusdanig felle ruzie tussen haar en haar ouders dat ze verbannen werd. Pas toen ze door te weinig eten en te slechte kleren ernstig ziek werd, was ze weer welkom in het ouderlijke huis. Er is een parallel denkbaar tussen deze periode uit Gerhardt's leven en het kind dat door haar moeder richting een verdrinkingsdood wordt geduwd en op het laatste moment door diezelfde moeder weer in veiligheid wordt gebracht.

Een directer verband met deze gebeurtenis is het gedicht 'Radiobericht'. Later komt Gerhardt namelijk terug op de verbanning in een brief naareen zuster in een klooster te Grave: 'Fietsend naar een mij bekende predikantsfamilie passeerde ik Grave waar ik bij de rivier mijn brood opat' (Gerhardt, 2002, p. 10).

Te Grave beneden de sluis
voorbij de zware deuren
mag mij het water sleuren
en kantelen met geruis.
- Grave beneden de sluis.

'Wij geven de waterstand'

O God hoe kon het gebeuren-
gesloten het venster, de deuren,
gebannen uit liefde en huis.
- Grave beneden de sluis.

De wanhoop in dit gedicht maakt echter plaats voor berusting:

Grave, dat is groen land
en water, dat draagt mij thuis.
(Gerhardt, 2001, p. 232)

Ida Gerhardt, *Het levend monogram* (1955)
Het levend monogram (1955)

Ida Gerhardt, Het levend monogram (1955)

Frans Berkelmans, *Dit donkere boek: over Het levend monogram van Ida Gerhardt* (2005)
Dit donkere boek (2005)

Frans Berkelmans, Dit donkere boek: over Het levend monogram van Ida Gerhardt (2005)

*Brieven aan Céleste* (2002)
Brieven aan Céleste (2002)

Brieven aan Céleste (2002)

Een minder dramatische, maar voor de jonge Ida toch indrukwekkende gebeurtenis komt terug in het gedicht 'Biografisch II' uit Vijf vuurstenen. In de eerste klas van het gymnasium had ze een slecht rapport gekregen. Ze zou blijven zitten en was bang dat haar ouders haar van school zouden nemen. Onderweg naar huis kwam ze langs een molen. 'In een radeloze behoefte om zich ergens te verbergen, de confrontatie nog uit te stellen, was het kind daar dus binnengelopen' (Zeyde, 1992, p. 40).

In een donkere romp, in de molen,
- en van angst leek mijn bloed te bevriezen -
dáár heb ik als kind mij verscholen,
toen het winnen was of verliezen.
Toen het winnen was of verliezen.

Winnen of verliezen: er stond veel op het spel en de herhaling in die regels benadrukt de dramatiek, maar ook in dit gedicht verdwijnt de wanhoop aan het einde. Vastberaden zijn de laatste woorden:

Toen ik ging, met mijn kraag opgezet,
wìst ik: ik zal ze verslaan.
(Gerhardt, 2001, p. 473)