Dichters over J.H. Leopold

Leopold en Tachtig

De affiniteit van Leopold met de Beweging van Tachtig (Kloos en anderen) bleek uit het inzenden van gedichten aan het Tachtigers-bolwerk De nieuwe gids. Over hen is in dit verband alleen bekend dat Leopold Herman Gorter als een groot dichter beschouwde en sommige vroege regels van Leopold verwijzen naar gedichten van Gorter (Sötemann, 1983a, p. 24). J. Sj. Brouwer herinnerde zich de ontroering van Leopold na het verschijnen van Gorters Pan (1916). In het voorwoord van Pan verklaarde Gorter dat hij enkele regels had overgenomen van 'de Nederlandsche prosatoren Frans Erens, Jan Hofker, Jacobus van Looy en Lodewijk van Deyssel, en van den dichter Leopold'.

Uitgave van Sub Signo Libelli met illustratie door Bob van Blommestein (Vijf verzen, 1977)

Uitgave van Sub Signo Libelli met illustratie door Bob van Blommestein (J.H. Leopold, Vijf verzen, 1977)

Dat Leopold door Gorter geciteerd werd was hem een eer: 'Daarvoor kan ik Gorter nooit danken; wat heeft hij mij gelukkig gemaakt'. Gorter nam acht regels uit het eerste gedicht van zijn debuut 'Zes Christus-verzen' over. Toen Brouwer hem vroeg: 'Is Gorter zóó'n groote geest, dat hij u een eer aandoet als hij eens iets van u overneemt?' zei Leopold dat Brouwer niet wist 'hoe 'n knappe man of dat is'. De vraag of Gorter een groot dichter was, werd afgedaan met de constatering: 'Jij kunt domme vragen doen'. Toen Brouwer vervolgens nog durfde te vragen wat Leopold over Gorter dacht, zei Leopold: 'Dat zal je van mij nooit te weten komen' (Jalink, 1963, p. 85). Enno Endt beschreef thematische overeenkomsten in het werk van Gorter en Leopold, zoals het kwijnende, het ontwakende of het gestorven meisje. Ook maakten beide dichters vaak gebruik van verkleinwoorden, maar waar Gorter eerder plastische beschrijvingen gaf, waren die bij Leopold meer figuurlijk (Endt, 1985).

Zowel Leopold als Gorter stonden deels onder de invloed van de Duitse dichter Heinrich Heine (1797-1856). Endt noemde zelfs de Duits-romantische toon van Leopolds vroege gedichten zo uitgesproken, dat men wel van 'Leopolds Buch der Lieder' mocht spreken (Endt, 1985, p. 16). Maar de smaak van Leopold was breder geörienteerd, zij het dat duidelijk de nadruk lag op de buitenlandse literatuur. In elk geval meer dan op de contemporaine Nederlandse literatuur, waarover hij zich slechts zeer sporadisch uitliet. Kennelijk las hij nauwelijks Nederlandse auteurs: de jongere noch de oudere literatuur. Dante, Shakespeare, de (ook Amerikaanse) romantiek waren onderwerpen waarmee hij zich bezig hield, evenals met een breed spectrum van de geschiedenis. Hij las Balzac, Flaubert, De Maupassant, Christine de Pisan, Charles d'Orléans en Villon, die hij hoog aansloeg. Victor Hugo en Goethe vond hij pompeus of betweterig.

Tijdgenoten over J.H. Leopold

De eerste waardering voor Leopold als dichter werd op schrift gesteld - behalve in korte recensies en in de inleiding die Boutens meegaf aan zijn uitgave van Verzen - in reacties van andere dichters, zoals Hein Boeken, die 'Tot J.H. Leopold (dank voor zijnen "Cheops")' publiceerde in De nieuwe gids (1915). De invloed van Leopold op de Nederlandse dichtkunst is dan ook groot geweest. Tijdgenoten vonden hem zowel ouderwets (symbolistisch) als modern (illusieloos). In 1921 volgde een bekend stuk van A. Roland Holst 'Over den dichter Leopold' in De gids. J.C. Bloem noemde hem 'een van de weinige zeer groote Nederlandse dichters', en 'de grootste dichter sinds 'Poot, Dullaert en Luyken', bij wiens werk men het gevoel kreeg 'tegelijk in den hemel en op aarde' te zijn (Bloem, 1995, p. 395, 70 en 69). Na de dood van Leopold zei Roland Holst dat Leopold 'altijd de hoge stille Meester zal blijven' (Roland Holst, 1983, p. 143). Nijhoff ging nog een stapje verder en plaatste Leopold tussen de grote dichters van zijn tijd, door te eisen dat hij werd voorgedragen voor de Nobelprijs voor Literatuur: 'er is volstrekt geen reden om aan te nemen, dat Leopold het voor een deskundige en onpartijdige jury af zou leggen tegen een dichter als de Fransman Paul Valéry die men reeds voor een volgende bekroning genoemd heeft, en die daar ook zeker, nà Leopold, aanspraak op kan maken' (Nijhoff, 1982, p. 312).

Herinneringen aan J.H. Leopold

Voor een internationaal publiek bleef Leopold echter een onbekende, al werden incidenteel gedichten vertaald in het Duits, Engels, Frans, Hongaars, Italiaans, Roemeens, Spaans en Zweeds (zie Sötemann, 1983a, p.251-256). Ook het Nederlandse publiek werd pas na zijn dood geconfronteerd met de dichter. Het werk was immers min of meer verborgen in tijdschriften en betrekkelijk kleine oplagen gepubliceerd. Een moderne biografie bestaat nog niet. De biografische schets van J.M. Jalink uit 1963 geldt intussen als de belangrijkste bron, waarin ook herinneringen van tijdgenoten en leerlingen worden aangehaald. Geerten Gossaert noemde Leopold 'Leipje' (Musschoot, 1984, p. 76), maar bewonderde Leopold net als Schmidt-Degener en Jacobsen dat deden en herinnerde zich de bijzondere plaats die Leopold 'in het hart van de Rotterdamse letterjeugd' innam. Ook nu nog is Leopold niet een veelgelezen maar wel een hooggewaardeerde dichter, wiens verzamelde gedichten wel degelijk enkele herdrukken beleefde en over wie met grote regelmaat publicaties verschijnen, onder andere in de reeks Leopoldcahiers van de Stichting J.H. Leopold (vanaf 1982). In 2010 las Ramsey Nasr bij de opening van het Boekenbaleen gedicht voor waarin hij Leopold 'mijn zeldzame held' noemde.

Illustratie voor 'Cheops' door Peter van Hugten (uit: Cheops, 1983, p. [5]) [© Peter van Hugten]

Gedicht van H. Marsman

Ook H. Marsman (1899-1944) schreef een gedicht waarin Leopold al in de titel genoemd wordt en opnieuw wordt als belangrijkste gedicht 'Cheops' aangehaald:

Leopold (de dichter van Cheops)

Dwars door den nacht
riep hij met klare stem
van 't voorgebergte af der eeuwigheid
den vuren naam van een doorgloeid kristal
waarin genezend werd uiteengebrand
de kranke dood van een vergaan heelal
en morgenlijk het jonge sperma sliep
van een bezield, oorspronkelijk
getal.

zo' voormaals God een jonge wereld riep
- een duister vocht tot groots kristal gestold -
die in de lendenen der chaos sliep,
zo déze Leopold,
die Cheops
schiep.

[H. Marsman: Verzameld werk. Amsterdam: Querido, 1972, p. 43.]

Gedicht van Jan Campert

In 1927 publiceerde Jan Campert (1902-1943) een gedicht ter herinnering aan Leopold:

In memoriam J.H. Leopold

Hoezeer in zich besloten, van elken schijn ontdaan
is uwe stem tot ons gegaan
zingende en voor gòed in ons verloren,
de weinigen, de enkelen uitverkoren
om te bestaan.

Achter de eerste stilte aarzelend begint
het woord, zwevende als de wind
in het herfsten, - o, het vlagen
der verrukkingen, het martelend klagen
om wat eèns werd bemind!

[Jan Campert: Verzamelde gedichten 1922-1943. 's-Gravenhage: Stols, 1947, p. 295.]

Gedichten van F. Schmidt-Degener

De dichter en toneelschrijver F. Schmidt-Degener (1881-1941) schreef enkele portretten van Leopold, die hij als leraar en later vriend jarenlang meemaakte.

Grafbloem voor Leopold

De orchidee, de enkeling,
de schrikse fantasie der lijnen
een opensperren - en dit kwijnen
o nauw geredde drenkeling;
een tengerheid, zacht neergelegd
door vriendenhand die wou bewaren
herinnering aan zielsgevaren -
en al het schuwe, ongezegd.

[F. Schmidt-Degener: Silvedene. Amsterdam: [s.n.], 1939, p. 109.]

Schmidt-Degener publiceerde onder het pseudoniem Tenis Erink ook een gedicht over Leopold in het tijdschrift Groot Nederland in 1941:

Leopold

Sluipt door 'n kier 'n gouden straal
die 't hart zet in 'n wondre schijn?
Of kleurt uw Woord de grauw taal:
in wereld-zee 'n droppel wijn?

Uw appel, 't voorbeeld, hing het hoogst,
bleef ongeplukt - van rijpheid zwaar,
zwaarder dan heel de appel-oogst:
toen 't viel - trilde de evenaar.

[Teunis Erink [pseud. van F. Schmidt-Degener]: 'Gedichten', in: Groot Nederland, 39 (1941) dl. 1, p. 263.

J.H. Leopold, *Om mijn oud woonhuis peppels staan* (strofe gedrukt door de Carlinapers, 1981)

J.H. Leopold, Om mijn oud woonhuis peppels staan (strofe gedrukt door de Carlinapers, 1981)

Gerrit Komrij over J.H. Leopold

Om mijn oud woonhuis peppels staan
'mijn lief, mijn lief, o waar gebleven'
een smalle laan
van natte blaren, het vallen komt.

Het regent, regent eender te horen
'mijn lief, mijn lief, o waar gebleven'
en altijd door en
den treuren uit, de wind verstomt.

Het huis is hol en vol duisternis
'mijn lief, mijn lief, o waar gebleven'
gefluister is
boven op zolder, het dakgebint.

Er woont er een voorovergebogen
'mijn lief, mijn lief, o waar gebleven'
met lege ogen
en die zijn vrede en rust niet vindt.

Er wordt over Leopold allemachtig hooggestemd gedaan. Hij lijkt vaak een soort hogepriester en visionair voor oude besjes die zich de voorlaatste ondergang van het avondland nog herinneren, maar dit gedicht van hem is eigenlijk gewoon een liedje.

Je kan het voor je uit neuriën. Een beetje melancholiek is het wel, met zijn verwijzingen naar een woonhuis dat oud is, een laan die smal is, blaren die nat zijn, gefluister op zolder en lege ogen. Hier heerst de schemertoestand van de weemoed. Het gaat om het uur van de twijfel en de muil van de nacht - het is er van de eerste tot de laatste regel herfst en grijs. Het regent buiten, binnen spookt het en de man met de lege ogen loopt krom.

Toch zit er ook een haast vrolijk en dynamisch staccato in de zinnen, de woorden buitelen over elkaar, met speelse rijmen - het lijkt verdomd Gezelles Het mezennestje is uitgebroken wel, zangwijs alom verkrijgbaar. Het doorslaggevende bewijs echter dat het hier om een liedje gaat is de regel

'mijn lief, mijn lief, o waar gebleven'

een regel die tussen aanhalingstekens staat - om hem duidelijk van de rest af te zonderen - en die in ieder couplet in gelijkluidende vorm wordt herhaald. Een refrein dus.

Waar een refrein is, is een liedje.

Hoeveel spitsvondige bladzijden zijn er niet geschreven over het feit dat Leopold

Om mijn oud woonhuis peppels staan

in plaats van

Om mijn oud woonhuis staan peppels

meegaf als eerste regel aan dit gedicht! Zoals het er nu staat - met die ongewone inversie - klinkt het een beetje kinderlijk en een beetje onbeholpen, en oei oei, Leopold mag voor geen goud kinderlijk en onbeholpen klinken. Hele geheimen en samenzweringen werden er achter vermoed. Het stond er zo prominent, dat peppels staan - daar moest iets achter schuilen.

Ik hou het er op dat Leopold er alleen de suggestie van een lied mee heeft willen versterken. Zo'n omkering is voor de aanhef van liedjes nu eenmaal heel gebruikelijk. Een scheepje in de haven landt. Een karretje op een zandweg reed. Als goede kinderen slapen zacht.

Leegte, gemis, naderende hersft - het wordt in dit gedicht allemaal gesuggereerd en aangestipt, niet uitgelegd.

het vallen komt.

Met zo'n korte snik kan Leopold volstaan. In de tweede strofe heeft hij het nog een keer over de monotonie van de regen en in de derde over de sombere leegte van het huis, maar in beide gevallen gaat het allang om iets anders - om geluid. Horen, verstomt, gefluister - dat zijn de sleutelwoorden in die strofen. De wind is gaan liggen om te luisteren, want de regen zingt en de zolder zingt.

De regen zingt droevig en de zolder zingt dreigend.

In die atmosfeer - en niet eerder dan in de slotstrofe - wordt de bewoner van het huis geïntroduceerd, de bewoner van een eindtijd - herfst - en van een eindstation - spookhuis -

Er woont er een voorovergebogen

iemand 'met lege ogen en die zijn vrede en rust niet vindt'. Iemand dus die op niets hoopt en niettemin troosteloos is.

De dichter zelf.

Dat het de dichter is weten we uit de eerste regel. Zelfs door het gepeppel kan het ons niet zijn ontgaan dat daar stond: om mijn oud woonhuis. Verder komt er in het gedicht geen ik *meer voor. Dat in de slotstrofe zelf de dichter zich - in een soort vogelvlucht - als het ware zelf *ziet rondwaren draagt extra bij aan het gevoel van treurnis en eenzaamheid. Droeviger kan een liedje wel niet zijn.

De aanhalingstekens staan er niet alleen om het refrein te benadrukken, ze duiden er vanzelf ook op dat hier iemand wordt geciteerd. Op die manier wordt tussen het mijn uit mijn oud woonhuis (eerste regel) en het mijn van mijn lief (tweede regel) meteen al een splitsing aangebracht. Het gaat wel om het oud woonhuis en het verloren lief van één en dezelfde mij, maar door die aanhalingstekens heeft de dichter al van het begin af de schijn weten op te houden dat het iemand anders is die in zijn gedicht loopt te zingen.

Ze zullen ook niet meer samenkomen, de eigenaar van het huis en de eigenaar van het gemis. Aan het slot *blijft *de man van het refrein, nog steeds zingend over 'mijn lief', derde persoon enkelvoud - een vreemdeling in eigen woning.

'Er woont er eentje.' In mijn oud woonhuis.

Dat schrijnt, zo'n slot.

Wat ons bijblijft is het beeld van een schuwe man die door laan en huis zijn gruwelijk refrein voor zich uit bromt, het beeld van een zonderling die zingend door een godverlaten woning strompelt, maar ook van iemand - nietwaar - die een liedje loopt te zingen in een liedje.

'Mijn lief, mijn lief, o waar gebleven' vormt het refrein binnen de harmonie van een groter lied, of liever - de schrille kreet die snijdt door de disharmonie van een kosmos.

© Gerrit Komrij

[Eerder verschenen als: '59 Om mijn oud woonhuis...', in: Gerrit Komrij: In liefde bloeyende: de Nederlandse poëzie van de twaalfde tot en met de twintigste eeuw in honderd en enige gedichten. Amsterdam: Bakker, 1998, p. 222-225.]