Het leven van J.H. Leopold: 'een teruggetrokken leven'

Over het persoonlijke leven van Leopold is maar weinig bekend. Hoewel hij als auteur de aandacht trok van collega-dichters, trad hij nooit als dichter op de voorgrond en ook in zijn openbare functie als leraar klassieke talen in Rotterdam leed hij een bijna verborgen bestaan. Er zijn herinneringen van ex-leerlingen aan hun leraar, maar die zijn, hoewel sfeervol, weinig feitelijk. Bepalend voor zijn teruggetrokkenheid was waarschijnlijk zijn op latere leeftijd toenemende hardhorendheid.

Jan Hendrik Leopold was de oudste zoon van Martinus Leopold (1830-1905) en Anna Elisabeth Plaat (1841-1915). Hij werd geboren op 11 mei 1865 in de Sint Jorisstraat 36 te 's-Hertogenbosch (het geboortehuis maakte later plaats voor een ander pand). Zijn moeder - met wie hij een sterke band had - zorgde voor haar vier kinderen (drie jongens en een meisje; een tweede meisje is jong gestorven) terwijl zijn vader aanvankelijk werkzaam was als leraar aan de HBS in 's-Hertogenbosch. In zijn geboortejaar vertrok het gezin al naar Goes en kort daarna naar Arnhem, waar zijn vader directeur werd van de kweekschool voor meisjes. Naast zijn werk zag zijn vader ook kans om gedichten, reisbeschrijvingen en opvoedkundige werken te publiceren. Ook in de wijdere familiekring kwam literair talent aan het licht: twee ooms waren neerlandici (één tevens germanist) en zijn tante Katharina schreef jeugdboeken.

Als kind was Leopold kennelijk al een ernstige, gesloten natuur, met een talent voor tekenen en schilderen. Hij volgde lessen daarin bij een vriend van zijn vader (de heer Swart). Zijn concentratievermogen schijnt groot te zijn geweest en kwam hem van pas bij het pianospel, waarin hij zichzelf moest bekwamen (het was de tijd dat alleen meisjes leerden pianospelen) totdat zijn vader hem pianoles begon te geven. Erg sportief vond men hem niet, toch zou hij vooral de wandel- en wintersport zijn hele leven lang beoefenen: hij zwom, hij schaatste en was een geoefend skiloper. Tijdens zijn gymnasiumtijd schuimde hij de boekenstalletjes op de markt af en in zijn latere leven wandelde hij urenlang in de omgeving van Rotterdam. Ook maakte hij regelmatig reisjes naar Tirol waar hij als bergbeklimmer zijn vakanties doorbracht.

Zijn intieme leven is snel verteld: rond 1892 (een precieze datum is niet bekend) zou hij zich hebben verloofdmet Fimi Rijkens (geboren in 1864), die hij ontmoette bij zijn oom Lubbertus in Groningen, maar dit gegeven is onzeker enzij traden niet in het huwelijk met elkaar. In plaats daarvan trouwde Fimi met zijn vier jaar jongere broer Joes (Johannes). Dit vertroebelde de relaties kennelijk niet. Hij bezocht het gezin vaak, schreef hun kinderen brieven en nam die mee naar de schouwburg of de bioscoop. In 1920 kwam het tot een breuk met zijn broer en Fimi, maar hun kinderen waren nog steeds welkom bij hem. De breuk maakte onderdeel uit van een soort bewuste campagne om zich te verwijderen van vrienden en familie. De oorzaak zal gelegen zijn geweest - dat getuigen de herinneringen op dit punt - in zijn toenemende doofheid en een daarbij wel vaker optredende achterdocht.

Van 1883 tot 1892 studeerde hij klassieke letteren in Leiden en van 1884 tot 1888 was hij daar lid van een actief studentendispuut ('Sodalicium Literis Sacrum'). Er werd in het Latijn en Nederlands voorgelezen en gediscussieerd, er moesten over bepaalde onderwerpen improvisaties worden gehouden en ter ontspanning werd er wijn gedronken. Leopold las eigen vertalingen van Griekse liedjes voor en opstellen over allerlei onderwerpen. Ook las hij het gedicht 'Christus voor Pilatus' voor op 15 mei 1884. In 1886 werd hij praesis en vervolgens las hij onder andere ook Duitse en Franse teksten van Heine en Daudet voor. De moderne Nederlandse literatuur en de Tachtigers waren niet erg geliefd bij dit dispuut. De naam van Couperus was - in elk geval in 1885 - bij het dispuut bekend, maar in het algemeen kon men meer waardering opbrengen voor de oudere Duitse en Franse auteurs en vooral literatuur van vertrouwd garnituur. Niet Hölderlin of Novalis, niet Shelley en Keats, niet Baudelaire en Flaubert. Niet Potgieter of Multatuli, maar wel Da Costa en Fiore della Neve (Jalink, 1963, p. 27). Over het naturalisme sprak Leopold in 1887 op laatdunkende wijze, toch zou hij wel waardering hebben gehad voor Kloos en Gorter, door wie hij als dichter beïnvloed is en duidelijker nog is het simpele feit dat Leopold in februari 1893 zelf de 'Zes Christus-verzen' aan Kloos zond met de bedoeling die te publiceren in De nieuwe gids, het tijdschrift van de Tachtigers. De studie werd in mei 1889 afgesloten toen hij cum laude slaagde voor zijn doctoraal examen. Ook cum laude was de promotie op 9 januari 1892. Zijn proefschrift Studia Peerlkampiana behandelde de opvattingen van de Leidse hoogleraar P.H. Peerlkamp (1786-1865), die zijn bekendheid dankte aan zijn tekstuitgaven van Vergilius en Horatius.

Tussen het doctoraal en de promotie maakte Leopold als gouverneur bij een onbekende familie een reis naar Italië. Daarvan is een reisdagboek bewaard gebleven, uitgegeven in het tweede deel van zijn Verzameld werk (1952). Het uitgegeven gedeelte daarvan (het begin van de reis is weggelaten) opent op 27 februari 1890 met de grensovergang Frankrijk-Italië en beschrijft vervolgens de reis langs San Remo (27 februari), Genua (6 maart), Pisa (16 maart), Florence (19 maart), Bologna (24 maart), Ferrara en Venetië (31 maart), Milaan (11 april), waarna de terugreis naar Nederland werd aanvaard (14 april 1890). Tijdens het verblijf in Genua schreef Leopold over een bezoek van kennissen die waren overgekomen uit Nice. Daarbij was 'een jong, intelligent meisje' (p. 611) dat niet lang meer te leven had en niet alleen zijn medelijden, maar kennelijk ook een verliefdheid opriep.

Vanaf januari 1891 was Leopold tijdelijk verbonden aan het Erasmiaans Gymnasium te Rotterdam, op 1 maart 1892 trad hij daar in dienst. Het Gymnasium Erasmianum - een kleine school met ongeveer 100 leerlingen - was gevestigd in een neo-klassicistisch gebouw dat in de Tweede Wereldoorlog werd verwoest. Het stond op de hoek van de Coolvest en het Spinhuiswater (later St. Laurensstraat). In zijn eerste jaren als docent werd Leopold omschreven als een goedlachse, moderne man: 'Een fris, gebaard gezicht, egaal gebronsd; een slanke man van buitengewone lengte, met iets aparts in de verzorgdheid van zijn kleding, goedlachs - maar zelfs die lach nadenkelijk. Het meest kenmerkende was zijn wijde langzaam gaande stap' (Schmidt-Degener, 1942, p. 36). Het 'aparte' van zijn kleding kon bijvoorbeeld een nieuw paar heldergele schoenen zijn. Leopold was charmant, een geestig commentator en een onvermoeibaar reisgenoot, over wie bij zijn aantreden gefluisterd werd dat hij dichter was en wiens wijze van doen als vanzelf met ascetische dromerigheid werd geassocieerd. Op school circuleerden afschriften van de gedichten die hij publiceerde in De nieuwe gids. Leopold woonde op een huurkamer bij de familie Wolffers in de Oldenbarneveldstraat 121, waar sommige (ex-)studenten op avondbezoek mochten komen. Daarbij mocht zijn dichtkunst niet worden aangeroerd.

In 1894 schreef Gerlof van Vloten hem namens Albert Verwey met de uitnodiging medewerker te worden van het dan op te richten Tweemaandelijksch tijdschrift. Leopold zag hiervan af, deels omdat zijn gedichten bij De nieuwe gids altijd een warm welkom hadden genoten - en Verwey zag dus ook al vroeg zijn grote talent - en deels omdat zijn schoolwerk hem weinig tijd liet voor andere bijdragen. Af en toe publiceerde hij overigens ook prozastukken en kritieken, zoals een artikel over Balzac in de Nieuwe Rotterdamsche courant van 1899. Een van zijn leerlingen beschreef Leopold als een 'student-vrijgezel' en Schmidt-Degener schreef dat Leopold vond dat de filoloog, die niet in de grammatica gevangen bleef, 'de meest bevoorrechte van alle denkers' was (Schmidt-Degener, 1942, p. 51). Leopold hield zich veel met filosofie bezig: hij bestudeerde Spinoza en publiceerde artikelen en een brochure over deze filosoof (1632-1677). In zijn gedichten zijn sporen van diens filosofische denkbeelden aan te wijzen. Het besef van de 'alverbondenheid' (alles hangt samen met alles) speelde in veel gedichten een rol (Jalink, 1963, p. 53). Zijn muzikale voorkeur lag bij componisten als Beethoven, Franck, Bach en Chopin.

Het beeld van de vereenzaamde Leopold ontstond eerst rond de jaren van de Eerste Wereldoorlog. Daarvoor was het een man die deelnam aan het kroegleven met collega-docenten en die de buitenlandse kranten nasloeg op actualiteiten en culturele ontwikkelingen. Van een groot aantal onderwerpen wist hij de finesses, zodat hij leerlingen bijvoorbeeld exact kon uitleggen 'hoe Caesars brug over de Rijn in elkaar zat, hoe de inslag in de schering werd gebracht, hoe tuba en cornu onderscheiden waren' (Jalink, 1963, p. 73). Er gebeurden een aantal zaken achter elkaar die Leopold tot zijn isolement uitnodigden. Zijn hardhorendheid nam toe en bemoeilijkte het lesgeven. P.C. Boutens gaf zijn gedichten uit in boekvorm, wat Leopold aanvankelijk toestond, maar later trok hij zijn toestemming in - te laat: het boek was al bij de drukker (1913). Hij werd voor een professoraat in Leiden gepasseerd (1913) en vervolgens ook in Groningen (1917). Hij was er onthutst van. Toen merkte men al van hem op dat hij teruggetrokken leefde en een 'geneigdheid tot wantrouwen' etaleerde.

Verbittering en afstandelijkheid begeleidden zijn laatste jaren, waarin hij met al zijn vrienden en familieleden brak, vaak om onnaspeurlijke redenen. Zelfs de familie Wolffers bij wie hij meer dan 30 jaar inwoonde (van 1892 tot 1905 en van 1906 tot 1925), verdacht hij ervan aan een complot mee te werken. Zijn laatste maanden sleet hij elders, in de Samuel Mullerstraat 5b te Rotterdam. Af en toe zag en sprak hij K.H. de Raaf en A. Roland Holst, die ook hun herinneringen over ontmoetingen met Leopold hebben opgeschreven. Het was hier dat hij bezweek aan pleuritis (een borstvliesontsteking) op 21 juni 1925. Op 24 juni vond de crematie plaats in het Crematorium Velsen (Driehuis). Zijn as werd verstrooid op de Noordzee.

Leopold met leerlingen op reis (uit: Hulsker, 1970, ill. nr. 37)

Leopold met leerlingen op reis (uit: Hulsker, 1970, ill. nr. 37)

Leopold (rechts) als kind (uit: Hulsker, 1970, ill. nr. 5)

Leopold (rechts) als kind (uit: Hulsker, 1970, ill. nr. 5)

Leopold op reis (uit: Hulsker, 1970, ill. nr. 39)

Leopold op reis (uit: Hulsker, 1970, ill. nr. 39)

Erasmiaans Gymnasium Rotterdam (uit: Jalink, 1963, tegenover p. 33)

Erasmiaans Gymnasium Rotterdam (uit: Jalink, 1963, tegenover p. 33)

Portret van J.H. Leopold, kopergravure door Lou Strik (uit:Albumblad, 1984) [© Erven Lou Strik]

Portret van J.H. Leopold, kopergravure door Lou Strik (uit:Albumblad, 1984) [© Erven Lou Strik]