Gerrit Komrij over Lucebert

Gerrit Komrij schreef in zijn NRC Handelsblad-rubriek over vier gedichten van Lucebert. Ze zijn gepubliceerd in In liefde bloeyende of in Trou moet blycken.

ik draai een kleine revolutie af...

ik draai een kleine revolutie af
ik draai een kleine mooie revolutie af
ik ben niet langer van land
ik ben weer water
ik draag schuimende koppen op mijn hoofd
ik draag schietende schimmen in mijn hoofd
op mijn rug rust een zeemeermin
op mijn rug rust de wind
de wind en de zeemeermin zingen
de schuimende koppen ruisen
de schietende schimmen vallen

ik draai een kleine mooie ritselende revolutie af
en ik val en ik ruis en ik zing

Er zit haast altijd een speels, lichtvoetig element in de gedichten van Lucebert, ook in zijn woedende en strijdbare. Door het woord revolutie in de aanhef ik draai een kleine revolutie af is onze eerste reactie - ha, wederom een strijdbaar gedicht met een speelse aanpak. Meteen al bij de tweede zin, ik draai een kleine mooie revolutie af, weten we dat het meer speelsheid dan strijd zal worden. De dichter gaat er al afdraaiend iets moois voor ons van maken. Met kinderlijk plezier heeft hij zijn aankondiging herhaald en uitgebreid, ik draai af en ik draai af - de dichter als orgelman.

Een spel van woorden en associaties wordt ons voorgeschoteld. Van revolutie komt omwenteling, van afdraaien komt film. De omwenteling, dat is de beweging van de golf, van de golven die rijzen en dalen, die met hun schuimkoppen onvermijdelijk vallen, de film is wat zich afspeelt in het hoofd, waar zich schietende schimmen ophouden die uiteindelijk ook vallen, die uiteindelijk samenvallen met het beeld vna de schuimende koppen.

Maar eerst stelt de ik zich nog nader voor -

ik ben niet langer van land
ik ben weer water

dat wil dus zeggen, de ik is teruggegaan naar wat hij eerst is geweest - ik ben weer water. Het water is de oerbron, vruchtwater. Een omwenteling, letterlijk. Uit mij komt alles. In mij zit alles. Het water schept en genereert, in een eeuwige cyclus. De dichter kan nu vervolgen met

k draag schuimende koppen op mijn hoofd
ik draag schietende schimmen in mijn hoofd

met die regels is de zesvoudige ik-herhaling ten einde: die twee beelden, schuimende koppen en schietende schimmen, beide kinderen van de revolutie, houdt de dichter in de rest van het gedicht vast. Soms mondt ene gedicht bij Lucebert uit in een associatieve orgie, stroomt het over van beelden, zoals in

de braakstalen code der distantie
tienticht de tientand andermaal de luchtprofetie
vol van keel de o-koek de ochtendslagen heet

Zo niet hier. Louter twee beelden exploiteert hij verder, in dit cyclische gedicht over een cyclisch proces - als in een carrousel springt hij van het ene op het andere terug, en hij schuwt daarbij, zoals vaker, de effecten niet -

de waanzin tikt tikt tikt

- als een horloge. Ik, ik, ik, ik,ik, ik. Op, op. De, de, de. Ik en ik en ik en ik. Draait u maar.

Dit is geen revolutie met een zware boodschap, dit is plezier, zelfs baldadigheid. Het eenmalige, opvallend geplaatste en aan het begin van de slotregel klinkt regelrecht jubelend. Het is meteen een keerpunt, een scharnierpunt: vandaar kunnen we weer naar boven lezen, cyclisch, het hele gedicht terug. Revolutie komt van revolvare, terugrollen, terugwentelen.

Maar eerst had de dichter het vier regels lang over het ene beeld, dat van de golven en het water - om pas, alsof hij het als een donkere noodlotstoon wilde benadrukken, in de vijfde regel

de schietende schimmen vallen

op het tweede beeld over te stappen. Eén regel lang maar, en de daarop volgende witregel bevestigt de nadrukkelijke positie. Het is of de dichter even de adem inhoudt en wil dat het beeld beklijft. Heel even, met dat schietende, lijkt hij het over iets als een echte revolutie te hebben, of althans de herinneringf ('schimmen') aan straathoeken, revolvers, bloed, aan vallende kadavers - maar zó even maar, dat we die andere associaties, met verschietende of voorbijschietende schimmen, niet verliezen. Daardoor vergeten we na de witregel de duistere droom meteen weer en ademen we mét de dichter diep uit als hij aan de versierselen van zijn revolutie dat genotvolle ritselende toevoegt. De dichter heeft alles in de hand.

Maar dan.

Dan zou men, als herhaling van het zingen, ruisen, vallen (de eindwoorden van de drie regels vóór de witregel), verwachten

en ik zing en ik ruis en ik val

het zou ook meer beantwoorden aan de climax die men in zo'n opsomming logischerwijs verwacht. Maar die climax is overbodig geworden: in ik val zijn het vallen van de golven en het vallen van de schimmen vervloeid tot een eendere beweging. De eeuwigdurende uitwisseling is werkelijkheid geworden. Er kan voor altijd worden overgestapt, van golf naar schim, van schim naar golf. Rijzend, vallend. Vallen is ruisen is zingen.

En bovendien - na het vallen, tot op de bodem van het gedicht, klimt ook de lezer weer naar boven. De slotregel is revolutie - omwenteling - bij uitstek. In de slotregel wordt de draai gemaakt, de kreeftengang - hij bevat de woorden al in omgedraaide volgorde, precies zoals we ze als vallen, ruisen, zingen in de derde, vierde, vijfde regel van onderen weer zullen tegenkomen. Via de glimp, de tik, de toon van het donkere noodlot.

De val blijkt een climax met terugwerkende kracht.

De revolutie die in dit gedicht wordt gepredikt is een vrolijke revolutie. Ze ritselt. Zelfs prediken is een te zwaar woord. Het is een revolutie die vanzelf komt zolang er een ik is, een schepper. Ze ontstaat spontaan en is niet tegen te houden. Maar ook - ze danst en golft weer weg. En is weer op til, staat opnieuw te gebeuren... Eeuwig wentelt ze rond, in schuimkoppen, en al wat schiet schiet voorbij. De vallende lijken zijn in de afgedraaide rolprent niet meer dan een korte tussenshot. Nooit houdt het op.

Zoals dit gedicht nooit ophoudt. Van boven naar onderen gelezen en weer terug, en dan opnieuw naar beneden gelezen, afdraaiend, revolverend, is het een perpetuum mobile.

© Erven Gerrit Komrij [Eerder verschenen als: '88 ik draai een kleine revolutie af, in: Gerrit Komrij: In liefde bloeyende: de Nederlandse poëzie van de twaalfde tot en met de twintigste eeuw in honderd en enige gedichten. Amsterdam: Bakker, 1998, p. 320-323.]

Lucebert, pocrief; De analphabetische naam: gedichten (1952)

Lucebert, pocrief; De analphabetische naam: gedichten (1952)

sonnet

Ik
Mij
Ik
Mij

Mij
Ik
Mij
Ik

Ik
Ik
Mijn

Mijn
Mijn
Ik

Dit gedicht is een rechtopstaand kruis zonder dwarshout, een stam zonder takken, een i zonder punt. Het vormt geen pleidooi voor schraalte of magerheid. Ik citeer het niet om het belang van leegte en van wit in de poëzie te benadrukken. Poëzie kan evenzogoed alles te maken hebben met vrucjtbaarheid en overdaad, met zwelgen en volheid. Dit sonnet met zijn bijna uitgegumde bladspiegel valt nogal op in het werk van Lucebert, wiens regels zo vaak de marge overschrijden om vervolgens driftig over elkaar heen te buitelen. Lucebert is een exuberant dichter en hij is in Sonnet niet plotseling tot inkeer gekomen.

Toch werd hier gewied en gesnoeid. Uit ergernis over het gevoelssonnet en gevoelspoëzie in het algemeen zette Lucebert zich hier als een gelegenheidswieder aan het werk.

Men schreef, voorafgaand aan de Vijftigers, immers weer menig gevoelssonnetje. Poëzie van het kleine geluk met een weemoedig ondertoontje. Wat is de kern van die poëzie? Wat gebeurt er met zo'n sonnet als je alles wat overbodig en toevallig is er uit weghaalt? Dat is wat Lucebert doet - zoveel mogelijk schrappen. En zo komt hij tot dit oersonnet. Dit is het sonnet zoals het door het oog van de vakman wordt gezien. Dit is het sonnet dat lezers op duizenderlei manieren kunnen invullen, met het hogere -

Ik heb een ceder in mijn tuin geplant

of met het lagere, niet minder zich zelf een pluim op de hoed zettende -

Ik heb een veder op mijn kruin geplant

dit is het sonnet dat alle voorgaande ego-sonnetten overbodig maakt. De irritatie over de heersende ik-poëzie van de firma Hoornik, Aafjes & Co. vormde voor Lucebert misschiend de aanleiding - je kan je ook niet aan de indruk onttrekken dat hier de ene grote dichter een hommage brengt aan de andere grote dichter, de dichter van

Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten
En zit in 't binnenst van mijn ziel ten troon

de keizer van de Tachtigers, Willem Kloos dus, die wij hier tot de essentie zien teruggebracht.

Dit Sonnet is de blauwdruk van Kloos' verzameld werk. Dit is het gedicht van Kloos. Een hommage en een genadeklap. Lucebert toont ons de ware kleren van de keizer.

Je kan het smalle ding lezen als een poëziekritiek, maar ook als een laatste saluut aan een onttroonde dichter. 't Heeft wel iets indrukwekkends, veertien regels lang dat ik met uitsluiting van al het andere. Het ik is hier van iedere aardse banaliteit ontdaan, het torent hoog boven de nietigheden en de anekdotes uit. Lees je Luceberts regels als een kritiek op de ik-poëzie en op de sonnetten over het allerindividueelste zielen-binnenhuisje, dan krijgt het 'mijn' een verachtelijk bezitterige bijklank en zie je in de herhaling van het ik, mij, ik, mij het drammerige van de poëet haarfijn voor je. Sonnet wordt dan iets van een parodie, een komische overdrijving. Lucebert toont ons dan, zeg maar, de steigers van een sonnet zoals een traditionele sonnettenbouwer het bouwt.

Toch kunnen we het gedicht ook op een tragische manier lezen - als een staketsel zonder vulling en zonder verwijzing naar een voltooide of nog te voltooien structuur. Als een sonnet over het naakte ik dat uiteindelijk resteert. Lucebert was immers niet wars van het ik in de poëzie -

ik draai een kleine mooie ritselende revolutie af
enik val en ik ruis en ik zing

en al helemaal niet van het ik in een grandioze pose of als het symbolisch kon worden uitgebuit. Het getuigend ik is bij hem niet zeldzaam -

Ik denk dat een god het is
viool spelend op mijn strot

en dat zorgt er voor, alles bij elkaar, dat ik de woorden ik, mij en mijn in bijgaand gedicht moeilijk uitsluitend als parodiërende woorden kan lezen. Sonnet is meer dan een literaire kritiek of een aan de actualiteit gebonden afwijzing van zekere slappe poëzie. Het gedicht wijst mogelijk iets specifieks af - maar het maakt ook schoon schip in algemener zin. Het maakt schoon, zodat we over poëzie opnieuw kunnen gaan denken.

Het liefst, evenwel, zie ik Sonnet als de ultieme optelsom van het werk van Willem Kloos en daarmee als een afrekening met de voorganger. Sonnet, het is de zin

Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten

uit zijn horizontale stand getild en recht overeind gezet. Golgotha. De voormalige godenzoon gekruisigd, als schim zonder lichaam.

© Erven Gerrit Komrij [Eerder verschenen als: '89 Sonnet', in: Gerrit Komrij: In liefde bloeyende: de Nederlandse poëzie van de twaalfde tot en met de twintigste eeuw in honderd en enige gedichten. Amsterdam: Bakker, 1998, p. 324-327.]

Lucebert, Poëzie is kinderspel (1968)

Lucebert, Poëzie is kinderspel (1968)

poëzie is kinderspel

over het krakende ei
dwaalt een hemelse bode
op zoek naar zijn antipode
en dat zijt gij

mogelijk dat men op zulk een kleine schaal
niet denken kan het maakt nijdig
of men is verveeld dus veel te veilig
dan is men verloren voor de poëzie

u rest slechts een troost ligt gij op sterven
gij verveelt u dan ook niet
en plotseling kan dan pop en bal
laat herinnerd u laten weten
dit was ik en dat was het heelal

Poëzie is kinderspel heet dit gedicht van Lucebert. Wat wil hij daarmee zeggen? Dat poëzie iets doodeenvoudigs is, in de trant van: je draait je hand er niet voor om? Of dat we voor het spel dat poëzie heet letterlijk een kind moeten worden?

Of iets van allebei?

Vragen zijn, als altijd in de poëzie, interessanter dan antwoorden. Als je alles in de poëzie kon uitleggen was ze overbodig. Dan zouden we de dichters en dichtbundels kunnen afschaffen.

Dat mag deze of gene een mooi vooruitzicht lijken.

Maar wat te zeggen van een bestaan met uitleggers en uitlegbundels?

Van de eerste vier regels van dit gedicht gaat een optimale, beeldschone raadselachtigheid uit -

over het krakende ei
dwaalt een hemelse bode
op zoek naar zijn antipode
en dat zijt gij

daar kan een mijmeraar urenlang op teren. Wellustig stapelen de vragen zich op. Wie zijn ei, bode, antipode, gij?

Het ei is een oerbeginsel. Dat 'hemelse' is ook niet mis. De dichter praat hier niet over koetjes en kalfjes. Hier is zonder meer iets metafysisch gaande.

De hemel boven de aarde, god boven de mensen, troost en hoop boven het verval - alles kan en mag. Het ei dat kraakt, het kan het wonder van de schepping betekenen. Het kan ook op de onvolmaakte wereldbol slaan. Zwelling of craquelé. Geboorte of dood. De hemelse bode, wakend over het leven, is kennelijk niet tevreden, anders was hij niet dwalende en op zoek naar zijn antipode.

Hier wordt gestreefd naar versmelting.

Het woord antipode bevestigt dat dit een gedicht gaat worden over tegenstellingen, over begrippenparen.

Ei en hemel, gekraak en boodschap: het krakende ei en de hemelse bode verwijzen kruiselings naar elkaar.

Een krakend ei suggereert geboorte.

Maar als de tegenstelling tot de hemelse bode stand wil houden suggereert het ook het einde.

Geboorte en sterven zijn 'twee emmers van dezelfde waterdrager', om een andere dichter te citeren. Ze blijven naar elkaar op zoek, zoals de bode naar zijn antipode -

en dat zijt gij

gaat Lucebert hier ineens pedant en quasi-deftig doen met zijn 'zijt' en 'gij'? Geen moment vermoeden we zoiets. Het moet hier een spreuk betreffen. Een versteende uitdrukking.

Het is dan ook een uitdrukking uit de leer van het brahmanisme.

'K ben Brahman. Maar we zitten zonder meid

dichtte Dèr Mouw al, daarmee pijnlijk de aardse resten benadrukkend die kleven aan de brahmaan voor wie alle tegenstellingen zijn opgeheven. Als dichter noemde Dèr Mouw zich Adwaita, 'tweeheidsloos' -

Je weet: Niets kan mij deren; ik ben Hij.

Tot zekerheid je twijfel opgeheven,
zo hang je als eeuwig boven je eigen leven:
je bent de wolken en je bent de hei

regels die ons van pas komen bij dit gedicht van Lucebert.

Poëzie kan soms iets verklaren van andere poëzie.

'Dat ben jij' was een van de motto's die Adwaita aan zijn eerste bundel meegaf.

Tat twam Asi, in het Sanskriet.

Alles is vervuld met het eeuwige en gij zijt een deel van het eeuwige.

Raadsels zijn nog geen vaagheden. Er is wel iets duidelijk in dit gedicht van Lucebert.

Duidelijk is dat het in het teken staat van de eenheid van tegenstellingen, de harmonie der tegendelen, de opheffing van het dualisme, hoe je het ook wilt noemen.

Duidelijk is verder: dit is een gedicht over poëzie -

dan is men verloren voor de poëzie

het staat er zonneklaar en onheilspellend. Wie verloren is voor de poëzie is verloren voor het kinderspel.

Op een kleine schaal denken (eierschaal!), nijdig en verveeld zijn, afgunstig en onverschillig, want veel te tevreden en veilig - allemaal kenmerken van de verdoemenis.

Duidelijk.

Niet elk woord in dit gedicht hoeft daarna op een goudschaaltje te worden gelegd. Het is voldoende je intuïtief te laten meeslepen door het spel van de tegenstellingen. Beter 'laat herinnerd' dan nooit. Maar laat u zich niet afleiden door die associatieve spelletjes met ei en schaal, met laat en laten.

De dood - waaraan ook zij die zich doodvervelen niet ontkomen - herinnert ons aan de geboorte, aan de pop en de bal. De sterfelijkheid herinnert aan het scheppende beginsel, het spel. Het sterfbed herinnert aan het kind. De bal aan de aardbol, de eeuwigheid aan de kleinschaligheid, de hemelse bode aan de antipode aan het heelal en aan ik.

Aan dit en aan dat.

Bleek de scheiding te groot of ontstond er iets van harmonie?

Vragen die tot het terrein van de poëzie behoren.

Tot het kinderspel.

Verbeeld ik het me of klinkt de slotregel

dit was ik en dat was het heelal

inderdaad als een aftelrijmpje, zo'n beetje als hoeperdepoep zat op de stoep?

© Erven Gerrit Komrij [Eerder verschenen als: 'Poëzie is kinderspel', in: Gerrit Komrij: Trou moet blycken of opnieuw In liefde bloeyende: de Nederlandse poëzie van de twaalfde tot en met de eenentwintigste eeuw in honderd en enige gedichten. Amsterdam: Bakker, 2001, p. 17-20. Het citaat 'twee emmers van dezelfde waterdrager' is afkomstig uit het gedicht 'Inisiasie' van de Zuid-Afrikaanse dichter Charl-Pierre Naudé.]