Lucebert: de latere gedichten

Oogsten in de dwaaltuin (1981)

Na 1959, het jaar waarin Luceberts laatste dichtbundel Val voor vliegengod verscheen, trad een publicitaire stilte in die pas 22 jaar later werd doorbroken. Weliswaar was sindsdien in de overzichtsbundel Gedichten 1948-1965 nog een sectie nieuwe gedichten verschenen ('mooi uitzicht & andere kurioziteiten') en ook de Verzamelde gedichten van 1974 bevatte een reeks 'ongebundelde gedichten', maar in 1981 verscheen eindelijk weer een separaat uitgegeven bundel: Oogsten in de dwaaltuin.

Lucebert, Oogsten in de dwaaltuin (1981)
Oogsten in de dwaaltuin (1981)

Lucebert, Oogsten in de dwaaltuin (1981)

Lucebert, De moerasruiter uit het paradijs (1982)
De moerasruiter uit het paradijs (1982)

Lucebert, De moerasruiter uit het paradijs (1982)

Het leek alsof begin van het eerste gedicht daarin als een verantwoording klonk:

deze bundels licht in de duisternis
bevrijden geen slaaf gestraft
met onmondige onzichtbaarheid

maar zij tonen de stilte

Dit was een gedicht over de cineast Johan van der Keuken en 'deze bundels licht' sloeg dus ook op films en bioscopen, maar de dubbelzinnigheid ging meteen met het gedicht op de loop. Getoond door die lichtbundels worden 'de verschrikkelijke stilte van pijn', 'de steeds stillere machines' en 'het geluid van gemartel onzichtbaar', een maatschappij van geweld en ontmenselijking:

in de duisternis van deze verlichte
en oh zo potente tijd

(p. 545)

De bundel werd met eerbied ontvangen, hoewel de kwaliteit van de gedichten niet overal werd bewonderd. Veel was gelegenheidswerk, hoewel er pregnante beelden in voorkwamen:

droomde ik even dat ik was half niets half poes
die net als het universum
genoeg heeft aan het spelen met de eigen staart

(p. 547)

en veel was typisch Lucebert, sociaal bewogen, woedend, rijk aan alliteratie:

oh smartelijke zaligheid van net niet zichtbaar verdriet
(p. 550)

en in een beschrijving van een schilders-atelier:

in schuimende bomen de aubadekraan
der vogels en beneden de tumultueuze
rust van vrucht en graan

(p. 554)

In enkele gedichten werd niet alleen de grammatica geweld aan gedaan, wat bij Lucebert gewoon was, er werden woorden samengevoegd, zoals gebruikelijk ('aubadekraan'), nieuwe woorden gesmeed, ook al volgens oud recept, maar er waren ook enkele plekken waar woorden uiteengereten werden, zoals:

d'a ll es sp li jt en de vi ja nd
(p. 549)

en:

kleu ren
(p. 552)

De woede over sociaal onrecht kwam het scherpst tot uiting in een gedicht over de in gevangenschap levende Zuid-Afrikaanse dichter Breyten Breytenbach:

dit gedicht schaamt zich gedicht te zijn
woede wil andere wapens dan woorden
ja het schaamt zich gedicht te zijn en geen schot
waarmee het - dichter - jouw beul kan vermoorden

(p. 563)

Een protestlied over de onmogelijkheid van het protestlied, een protestlied dat zichzelf opheft van schaamte en daardoor verandert in wat? in protest? in lied? Een gevoel van overbodigheid en mislukking tekende ook de laatste gedichten van de bundel:

ja je bent mislukt - het sneeuwt bij je in - maar je veegt
jezelf niet terzijde
nee je zoekt vaker troost bij de kleine vogels
die in hun nesten dag aan dag uur na uur
meer en meer kwartier maken voor de dood de gebenedijde

(p. 576)

De dood en het pessimisme zouden met elke bundel die volgde zwarter worden; toch kreeg ook het tegendeel, hoop en leven, nog een plaats, zoals in het gedicht 'doodlopende weg':

geen taal en geen geheim
maar zwijgen tussen vodden
misschien zal het voor anderen
die anders zijn morgen worden

(p. 577)

De moerasruiter uit het paradijs (1982)

In 1982 verscheen een nieuwe bundel met gedichten uit de periode 1981-1982 en hiermee was Lucebert werkelijk terug als dichter: De moerasruiter uit het paradijs. De vreemde, barokke samentrekkingen zijn alomtegenwoordig, alleen al in de titels: 'moerasruiter', 'pekelzalver', 'stoepkennis', 'nachtgerechten', 'beekkromme' en 'gezondheidslijden'.

Dat Lucebert behalve een visionair ook een moralist was, bleek uit slotregels die als decreten konden worden opgevat:

wie nu niet armlastig wordt zal nooit
op het zeer van eigen weelde mogen bogen

(p. 582)

Een decreet overigens, waaraan de verwijzing naar Rilke ('Wer jetzt kein Haus hat, baut sich keines mehr') een ironische draai gaf.

In 'het uur van de waarheid' kwam de zwarte kant van Luceberts latere gedichten duidelijk aan bod. Opvallend was dat ook eindrijm nu regelmatig opdook en dat de woorden 'wat was' herhaaldelijk gebruikt werden (soms zelfs driemaal 'was' achtereen):

voorbij is wat was
wederom niets

(p. 584)

In het licht van de uitzichtloosheid waren bijna alle menselijke uitspraken een soort gezeur:

overal zanikt bagger
(p. 586)

was dan ook de sterke, zeer citabele, beginregel van 'uit het heerlijkste hout blaft het land'. De vertrouwde stijlmiddelen van Lucebert bleven ook deze keer niet onbenut, zoals de woorden die een voor een uit het woordenboek geplukt leken, zodat de lezer bij 'meesmult' niet lang hoeft te wachten op 'meesmuilende' (p. 587). En ook de alliteratie brak in sommige gedichten heftig door:

en de dekoraties die zich schurken
aan het verwennende nut waarin je waant
dat je woont en wenst dat je wint

(p. 591)

waarna nog 'wantsen' volgen, en andere klankverwante termen, zoals 'bedwelmen', wegsmelt', 'weerkeert', eindigend in 'woord', waarna de assonantie het overneemt om van 'woord' via 'betovert' uit te komen in het slotwoord 'dood':

dàt zal je bedwelmen zo zeer dat je wegsmelt
en nooit weerkeert: het woord dat je betovert
is dood

(p. 591)

De bundel grossiert weer in verrassend gebruik van bijvoeglijke naamwoorden, die er toch solide en vanzelfsprekend uitzien:

geduld heeft zijn treurige beurs gevuld

of:

korrekt gebraden volmaaktheid

en:

de onsmakelijke knoken van het gebrek
(p. 592)

Lucebert, *Van de roerloze woelgeest* (1993)

Lucebert, Van de roerloze woelgeest (1993)

Van de roerloze woelgeest (1993)

Vier jaar na Troost de hysterische robot verscheen de nieuwe bundel Van de roerloze woelgeest, het werd de laatste bundel die Lucebert zelf gepubliceerd zag. De bezorgdheid van de dichter over het welzijn van de wereld is onverminderd:

in het grote nest is er altijd wel geweld

luidde de eerste regel van de bundel en in de loop van het gedicht werd het er niet vrolijker op:

de uitgestoken hand zal ons eerst bedriegen dan bedreigen

en tot slot:

nooit is iets zonder geweld en nergens is het stil
(p. 693)

Techniek speelt daarbij een grote rol, want de perfectie van de apparatuur is gevaarlijk en onzinnig vanwege de imperfectie en de emotie van de mens. In 'de meter van navranski' wordt een uiterst nauwkeurige 'slikmeter' omschreven, met een 'zuiver nauwkeurige schaalverdeling' en een 'niet minder zuiver nauwkeurige wijzer', die de man vervolgens

vanwege een waas van genot en tranen voor zijn ogen
niet meer zo zuiver en nauwgezet kon volgen

(p. 694)

De mens wordt - in een gedicht dat aan het lange gedicht Cheops van J.H. Leopold refereert - vergeleken met een doodkist van vlees en bloed:

wij die in gewoonten wonen
met een grote doodgewaande in de borst
vlezige sarcofagen door slopers getorst

(p. 695)

Andere gedichten verwijzen naar het werk van Hans Faverey, Samuel Beckett, Ernst Jandl, Kenneth Patchen, Jan Hanlo, Jan Elburg, Jan van Ruusbroec, Dante en Marcel Duchamp:

je kiest de bizarrerie der mimicri
je laatste strooptocht een korte ademtocht
en in spiegels sta je waziger dus mooier
als dier haast onzichtbaar en zeker minder mijnheer
meer een engel die wandelt in weerlicht

(p. 759)

De bundel bevatte ook drie gedichten over onderdelen van het gezicht. Over het oog:

het oog lijkt een hefboom voor hoger en hoger
maar meer zien dan men ziet ziet men nooit

(p. 697)

Over de mond (in een gedicht dat het fraaie woord 'vraagzucht' bevat):

zo op het oog is de mond
een vleesetende vrucht
een dikke volle vrucht
aan een grote grijze boom
de grijze boom staat ingelijst
in listig gevlochten licht

(p. 698)

En over het oor:

diep in het open oor hoort men de nieuwe tijd
hoort men het dof rollen van spierballen
naar achilleshielen heen en weer
dat is dus de metronoom van de nieuwe tijd

(p. 699)

Er ligt veel nadruk in deze bundel op onbekende en onkenbare hersenspinsels, 'het orkest van je obsessies' (p. 702) en op de ouderdom en de zichzelf repeterende kunstenaar:

nu begint dat andere taaie ongerief
dat van de ouderdom van ik had je zo lief
moeder wereld knekelhuis en zonder baten
blaat je alleen nog verminkte citaten
waarmee je de legende van jezelf kruidt en bederft
en het wordt later en later

en daarbij blijft het niet, ook de omgeving en het nieuws worden ouder en al te vaak gezien en gehoord; redenen genoeg voor kluizenaarschap:

en dan de conversatie zeg maar geklets
elke aanspraak valt als een pot erwten in je oor
in je wanhoop zet je daar dan een dikke deur voor
en achter grendels achter het al vagere gekeuvel
draag je hijgend zand aan voor een hoge heuvel
die je dan met wankele tred beklimt tot de top
daar aangekomen stijg je langzaam op
in mist en stilte verdwijnt je oude kop

(p. 707)

Terwijl in zijn afgesloten atelier de schilder 'doet meer dan hij kan', wordt de wereld er niet beter op: 'buiten gaat alles teloor en kapot' (p. 713). Ook de dichter mag zich hieraan niet storen:

je moet niet alleen de zin naast de onzin bewaren
je moet ook nog bedaard in beide blijven geloven

(p. 724)

Is het vreemd dat hij zich daarbij concentreert op wat zich voor zijn neus afspeelt, als tegenwicht tegen het besef van de gemartelde aarde? Er is in elk geval een hele winkel vol etenswaren te ontdekken in deze bundel en de beeldspraak van koken en eten duikt op veel plaatsen op. Op het menu staat veel vlees: kotelet, klapstuk, hachee, spek, biefstuk, maar ook pudding, suiker, koek en puree. De dichter hangt kennelijk de gedachte aan dat het - omgeven door verschrikkingen - een heilige plicht is om te genieten van het leven:

het gevleugelde woord: je hoeft niet maar je moet

brengt hem bij een andere uitdrukking:

mogen moet

en mondt tenslotte uit in:

wees blij dat je mag wat je moet
(p. 742)

Er is ook de bij Lucebert gebruikelijke minachting voor gezeur:

netjes opgeborgen in de ribbenkast met talloos
elkaar verstikkende ikken en maar muggenziften
in deze santekraam vol half of heel onthechte
afgietsels van wat een achterbaks gesnotter ook
wat een gemeesmuil

(p. 762)

De dichter klinkt over berusting in de staat van de aarde fermer dan ooit:

wie nu nog roept zal alles beamen maar woedend
(p. 766)

Het is hulpeloos verzet, het helpt niet en dat weet hij; het is verzet om het verzet geworden, l'art pour l'art, omdat dit zijn wezen uitmaakt en hij dat nooit zal opgeven. Hij zal dus niet ophouden zijn lezers en medeburgers te geselen, want:

wie niets meer voelt
moet maar weer eens horen

(p. 767)

De dichter moet dit blijven doen:

zolang hij zijn eigen echo hoort
vanuit de boze wereld buiten en de boze wereld
waarin hij zo vrolijk mogelijk woont

(p. 776)

Lucebert zelf bracht de meeste tijd door in zijn Spaanse huis en misschien is het het ruwe en dorre, doodse Spaanse landschap dat het laatste gedicht uit de bundel ('de nederlaag') zo zwart en pregnant maakt:

in de eeuwigheid zou ik uittreden en deel zijn
van doodseskaders die de bedevaart van bedelaars
en hoopvolle filosofen verstoren en uiteenrijten
zodat een ieder dwaalt in eeuwig onbehagen
zonder dageraad zonder lenteboden zonder liefde
zonder morgenrood zonder jaargetijden zonder taal

(p. 791)

Lucebert, *Verzamelde gedichten* (2002)

Lucebert, Verzamelde gedichten (2002)

De dichter zelf verkeert in het besef van de naderende dood:

in het kwijtgat verdwijnt de tijd de hijgende plunderaar
(p. 886)

Het gedicht heet dan ook 'gedicht vertrek in de tijd', maar voor hij verdwijnt, maakt hij nog even duidelijk wie hij was en waarom het ging:

maar hier staat stevig dwarskop naast plaaggeest
het is altijd mooi geweest en zo zal het blijven

(p. 886).