Luceberts taal en thematiek

Luceberts poëtische taal

De poëzie van Lucebert wordt gekenmerkt door de overweldigende kracht van de taal. Anders dan de oude, reeds bestaande poëzie, beschrijven de gedichten van Lucebert geen gevoelens of gebeurtenissen, maar geven ze een reactie weer die plaatsvindt tussen woorden. Door een bepaalde combinatie van woorden, beeldspraak en wendingen heeft de poëzie een overrompelend karakter. Dit effect van deze poëzie op de lezer is 'hypnotiserend' en 'hallucinerend' genoemd (Watering, 1984-1985, p. 7). Volgens Stokvis permitteerde Lucebert zich, vooral met de taal, ongehoorde vrijheden, die de Nederlandse letteren op hun grondvesten hebben doen schudden (Stokvis, 1991, p. 6). De kracht van de taal zorgt ervoor dat het gedicht geen afgerond product is, maar een soort gistend vat van bekenissen, een actief proces.

Lucebert, De dieren der democratie (1973)
De dieren der democratie (1973)

Lucebert, De dieren der democratie (1973)

Lucebert, *Triangel* (heruitgave 1995)
Triangel (heruitgave, 1995)

Lucebert, Triangel (heruitgave 1995)

Hierdoor kunnen lezers moeite hebben met de gedichten van Lucebert. Sommigen vinden de vele associaties zelfs irritant. Het probleem is dat de gedichten vrijwel niet te interpreteren zijn. En dat is wat de poëzielezer gewend was - en is - te doen: een gedicht interpreteren, uileggen, begrijpen. Dit is vaak niet mogelijk is in het geval van Luceberts poëzie. Ook de critici wisten aanvankelijk niet wat ze met deze poëzie aan moesten. Ze hadden de indruk dat Lucebert spotte met alle traditionele waarden van de poëzie: de dichter was geen 'ik' meer, en hij droeg geen betekenis uit in zijn gedicht. Er stonden woorden naast elkaar die geen logisch verband met elkaar hadden; de samenhang van woorden was sterk associatief.

Het ging erom 'de poëzie een plek [te] geven in het centrum van de werkelijkheid en het leven. Poëzie niet meer als randverschijnsel, als bijkomstige versiering van het leven en als zodanig naast of los van dat leven staande, maar een poëzie die midden in het leven staat, die de totaliteit van leven en werkelijkheid representeert. Poëzie die een manifestatie wil zijn van het leven zèlf, zal precies zo mooi en lelijk, precies zo vrolijk en droevig, precies zo irrationeel en absurd zijn als het leven is' (Watering, 1984-1985, p.8).

Het gebruikelijke mededeelzame taalgebruik van gedichten was niet toereikend om de nieuwe - naoorlogse - werkelijkheidsbeleving weer te geven. Taal moest zoveel mogelijk betekenissen tegelijk geven, en het gangbare communicatieve taalgebruik was te eenduidig om dit doel te dienen. De taal moest lichamelijk worden, aards en concreet. Daar was een nieuwe taal of een nieuw taalgebruik voor nodig, en het zoeken hiernaar vormde een deel van het experiment in de nieuwe poëzie.

Voor het zoeken naar die oorsprong van de taal nam Lucebert de leegte en de chaos als bron voor zijn gedichten: 'Als chaos is leegte een toestand waarnaar de moderne dichters streven, als variant van de primordiale toestand waaruit een nieuwe schepping mogelijk is, waarin de woorden vernieuwd kunnen worden', schreef Hans Groenwegen, die daaruit verklaarde dat Lucebert de dichter als een dief voorstelde:

de dichter dief van de volksmond
(p. 404)

De dichter was echter ook een magiër, die de lezer wilde veranderen; een despoot die de verandering wilde afdwingen; en een rebel, omdat die verandering vernieuwend en controversieel was (Groenewegen, 1999, p. 34).