De gedichten van Simon Vinkenoog

1950-1975: Slijm sperma gal

Simon Vinkenoog debuteerde met de bundel Wondkoorts in 1950 op 22-jarige leeftijd. De bundel was geschreven onder invloed van zijn leven in Parijs en zijn ontmoetingen met beeldhouwers en schilders. Vinkenoog verzette zich tegen het moralisme en het conformisme dat Nederland destijds tekende. De motto's van de bundel werden ontleend aan Paul Eluard ('Si je m'endors, c'est pour ne plus rêver') en van Georges Bataille ('La nudité n'est que la mort et les plus tendres baisers ont un arrière-goût de rat'). De bundel werd opgedragen aan Judic en Barabbas en het eerste gedicht ('Judic') begint als volgt:

Simon Vinkenoog, Wondkoorts (1950)
Wondkoorts (1950)

Simon Vinkenoog, Wondkoorts (1950)

Simon Vinkenoog, Heren Zeventien (heruitgave 1987)
Heren Zeventien (heruitgave 1987)

Simon Vinkenoog, Heren Zeventien (heruitgave 1987)

god neem uit mijn hoofd
deze duizeling weg
wanneer ik aan haar denk
want wat is mij de liefde waard
en wat is het leven zonder haat?

Het gedicht eindigt eveneens met haat:

mijn god die deze stad
hebt vergetentracht
niet anders aan mij
te denken
dan hatend

(p. 5)

Steeds komt de haat weer boven. Vooral als wordt gesproken over Amsterdam in relatie tot Parijs. In Nederland, vooral in verband met Amsterdam zijn haat en dood als thema's sterk aanwezig.

waar ik geboren ben
waar ik mijn vlag heb hangen
daar is het leven dood

(p. 8)

Zelfs in de liefde is de haat present, aangevuld met pijn: 'de pijn van de vrijheid'.

de dood is de man
die naast je ligt
je lippen kust
en huivert
dood is je adem
de kleur van je haar
waardoor mijn hand
dit gif heeft gewreven:

liefdeslavernij
het haten

(p. 14)

In deze eerste bundel zijn dood, bloed, pijn, eenzaamheid, angst en schrik prominent aanwezig. En ook vuur, brand, brandend water, donder, bliksem, wraak, schaduwen. Er wordt gestorven in huizen, in tuinen, in dromen en op een aanloopplank. Het gedicht 'Ticino' begint als volgt:

ik heb mijn haat in de lente ontdekt
de hartebloesems van mijn bloed
- mijn gevoelens - zijn door haat bevlekt
slijmspermagal: het is zo zoet
als een rat in de val gedreven
dit ongewijde bloed te spuwen

(p. 25)

In het gedicht 'Georges Braque' worden de doden opgeroepen. Zij omringen ons, zegt Vinkenoog, maar tevergeefs, ze gaan schoorvoetend langs en laten hun kleur na: grijs en grijstinten:

o vormen die een mens moet haten
o grijze daden in een vreemd beheer -

(p. 30)

In het gedicht 'Joan Miró' komen de fellere kleuren uit het werk van deze Spaanse schilder aan de orde:

het vergeten borstenpaar
dat aan de lijsten rukt
verandert kleur: geel
grijs geel zwart
hoe rood is het hart
en hoe miró

(p. 31)

Over zijn poëzie-opvatting doet Vinkenoog zijn zegje in het laatste gedicht uit deze bundel:

ik kan in mijn verzen
andreus niet dulden
noch de adem van lodeizen

ik eis voor eigen spraakgebrek
een eigen keuze
een eigen god:
haat

(p. 36)

Enkele jaren later (in 1955) zou Vinkenoog met Hans Andreus samen de bundel Tweespraak uitgeven, een dialoog in versvorm: gedichten van Vinkenoog op de linkerpagina en rechts die van Andreus.

In de daarop volgende bundels werd het thema haat minder belangrijk. Wel waren er nog veel ongenoegens over de wereld en de geschiedenis. In de bundel Heren Zeventien (1953) reageerde Vinkenoog bijvoorbeeld verontrust op de inpolderingsdrang van de minister van Verkeer en Waterstaat en op de vroegere kolonisering door de VOC, waarnaar de titel van de bundel verwees.

Zwarten in naakte lagen op het dek opeengetast,
met kruit en speelgoed van karton
vanuit het land Tevoorschijn getrokken
geboeid en tussen de behoeften van de overtocht
en eten, drinken en liggen liggend

(p. 16)

En:

In een dauwen morgen
op een revolutiebed van vliegmachines
op te staan
met de hese kreet van kolonialen
en het laden der automatische geweren

om het einde van een beschaving
die een god met vergiffenis bracht,

de britse kruidnagelgongslag
verloren gegaan

(p. 19)

De gedichten waren nu meer gericht op universele menselijke angsten dan op de particuliere angst van de schrijver.

De angst die regelmatig in termijnen
werd betaald
en nooit werd verworven.

(p. 37)

Simon Vinkenoog, *Made in Limburg* (1978)
Made in Limburg (1978)

Simon Vinkenoog, Made in Limburg (1978)

Simon Vinkenoog, *Maandagavondgedichten: 1983-1985* (1985)
Maandagavondgedichten (1985)

Simon Vinkenoog, Maandagavondgedichten: 1983-1985 (1985)

Simon Vinkenoog, *Op het eerste gehoor* (1988)
Op het eerste gehoor (1988)

Simon Vinkenoog, Op het eerste gehoor (1988)

Simon Vinkenoog, Het hoogste woord (1996)
Het hoogste woord (1996)

Simon Vinkenoog, Het hoogste woord (1996)

De bundel Het hoogste woord kwam uit in 1996 en werd samengesteld en ingeleid door Coen de Jonge. Het was een bloemlezing uit het werk van Vinkenoog, maar de meeste gedichten werden niet eerder gepubliceerd. Wel waren ze al vaak op het podium uitgesproken door de dichter zelf. In het gedicht Amsterdam riep Vinkenoog op tot genieten. Hij citeerde daarbij een compositie van Henri Purcell:

Geniet, geniet, geniet. Rejoyce, rejoyce, rejoyce.
Jouir: genieten en klaarkomen, klaar met je leven

(p. 73)

Uit 'Nieuws 1990':

Nog nooit is het nieuws zozeer jouw nieuws geweest,
jouw bloedeigen leven op deze planeet,
te weten wat je doet -
aan al wat leeft een oprechte groet.

(p. 83)