Simon Vinkenoog en de kritiek

De eerste dichtbundel van Vinkenoog Wondkoorts (1950) werd in De Groene Amsterdammer door C.J. Kelk welwillend besproken op 16 juni 1951: 'Het is duidelijk dat de jonge dichter, hij is van 1928, zoals ieder wonden opliep van de tijd en de koorts hiervan breekt hem uit als haat. Maar het is niet haat alleen, die hem beweegt, ook een nieuw besef omtrent de ontoereikendheid van het statische, dat door onze tijd met geweld wordt uiteengeknald'. Andreas Burnier was in de Nieuwe Rotterdamsche courant van 25 juni 1966 bij het verschijnen van vijftien jaar poëzie van Vinkenoog niet al te lovend. Ze beschreef hem als de productiefste schrijver van de Vijftigers en noemde hem een prominent en trefzeker dichter, maar hekelde zijn gedichten na 1960 met de woorden 'onder ieder niveau en vol mulo-emoties'. Ze weet dit aan het overvloedig gebruik van verdovende en geestverruimende middelen.

Simon Vinkenoog, Le peintre maudit (1983)
Le peintre maudit (1983)

Simon Vinkenoog, Le peintre maudit (1983)

Simon Vinkenoog, Het huiswerk van de dichter (1978)
Het huiswerk van de dichter (1978)

Simon Vinkenoog, Het huiswerk van de dichter (1978)

H. Gabriëls zei in Vrij Nederland (13 oktober 1962) over Vinkenoog: 'Hij zal zijn rol [in de literatuur] moeten leren spelen. In vele chemische processen is een katalysator nodig - een stof die andere stoffen tot reactie brengt, maar die zelf onveranderd uit het proces terugkomt. Dat kan soms eenvoudige klei zijn, soms is het ook platina. Vinkenoog is een typische katalysator, een onmisbaar element om andere te doen reageren, desnoods te laten exploderen. Maar hij moet er zichzelf bij blijven, anders mislukt het proces en gaat veel waardevols verloren. Hans Warren voegde daar op 27 januari 1995 in de Provinciale Zeeuwse courant aan toe: 'Simon Vinkenoog (66) is een bekende persoonlijkheid maar een ongelezen schrijver', en: 'De literatuur van Vinkenoog lijkt steeds raarder en vager te worden, menigmaal ontaardt zijn geschrijf in orakeltaal. Ik kan me voorstellen dat de lezer zo'n dichter snel laat vallen. Toch schrijft Vinkenoog af en toe nog gedichten - zoals 'Onderweg' en 'Tussen de regels' - die gezien mogen worden. Het is goed dat we ze eindelijk kunnen zien, de verzen van een dichter die zich alle hoon ten spijt niet klein laat krijgen.

Willem Roggeman, in de Nieuwe Gazet van 29 augustus 1972, toonde zich ook positief. Over de bundel Wonder boven wonder schreef hij: 'Vinkenoog schrijft typische voorlees-gedichten, die bij het horen onmiddellijk inslaan. Als leestekst verliezen deze gedichten vaak hun kracht, maar zij zijn dan ook niet meer in de eerste plaats hiervoor bedoeld'. Over het gedicht 'Nederland' zei hij: 'Typisch is het vermijden van elke esthetiek bij deze gewezen experimenteel. Zijn gedichten zijn nog louter boodschappen, communicaties, mededelingen'.

Annejet van der Zijl (in HP/De tijd, 19 juli 1996) zag Vinkenoog als 'een vreemde en vrolijke vogel in de sombere literatuur der lage landen geworden', oftewel: 'een culturele kwikstaart die alles even aanraakte, maar vervolgens weer verder fladderde naar het volgende dat zijn oog trof'.