Recent Bilderdijk-onderzoek

Er bestaan talloze becommentariëerde heruitgaven van afzonderlijke werken van Bilderdijk, er zijn verscheidene bloemlezingen samengesteld uit zijn poëzie en er zijn honderden artikelen geschreven over specifieke gedichten. Ook de afgelopen jaren hebben veel publicaties over Bilderdijk het licht gezien. In 1994 werd door Ton Geerts een catalogus van het bezit van Het Bilderdijk-Museum samengesteld. In 1997 verscheen een door Marita Mathijsen hertaalde editie van Bilderdijks briefwisseling in de jaren 1795-1797, Liefde en ballingschap. Een jaar later publiceerde Joris van Eijnatten zijn enorme werk over Bilderdijks ideeënwereld en werd er een tentoonstelling georganiseerd rond Bilderdijks boekillustraties. Bilderdijks religieuze opvattingen werden ondermeer belicht in Bilderdijk en het jodendom van Lambertus Engelfriet uit 1995 en in Drie protestantse conservatieven uit de 19e eeuw van R. E. de Bruin en G.J. Schutte (1994).

Levensles (uit:Avondschemering, 1828, p. 77)

'Levensles' (uit:Avondschemering, 1828, p. 77)

Voorbericht door J.J.F. Wap inNasprokkeling (1830)

Voorbericht door J.J.F. Wap in*Nasprokkeling *(1830)

Maar een overkoepelende studie naar Bilderdijks werk is er niet. De man heeft ontmoedigend veel geschreven, te veel. Nog steeds is er geen nieuwe editie van zijn verzameld werk en - ondanks de grote belangstelling voor zijn persoon - is er sinds 1890 ook geen nieuwe biografie meer over Bilderdijk verschenen. Wel is in 2006 in opdracht van de Vrije Universiteiteen Bilderdijk-bibliografie verschenen van de hand van L.T. Monfils.

Naar aanleiding van een symposium over Bilderdijks poëzie in mei 1999 werd besloten een artikelenbundel aan hem te wijden. In deze bundel, Wie leert 't krekeltjen zijn lied, die zeer uiteenlopende bijdragen bevat - zowel qua uitgangspunt als onderwerp - wordt in de inleiding een voorzichtige poging gedaan om uit de verschillende artikelen een aantal aspecten van de poëzie van Bilderdijk te destilleren. Het eerste kenmerk dat Gerbrandy en de zijnen constateren, is dat Bilderdijk niet alleen dichtte over grootse zaken en 'wereldomspannende concepties' (Gerbrandy, 2000a, p. 7), maar ook veel aandacht besteedde aan kleine en (schijnbaar) onbeduidende zaken. Zo dichtte Bilderdijk over 'najaarsvliegjens', de 'glintwormvlieg' en over de krekel:

Voor schatten is uw heil
Niet veil,
Door woorden niet te melden;
ô Krekel, die, op d'eikenbast,
U met een luttel daauws vergast,
En huppelt door de velden!
(XII, p. 445-446)

Ook voelt Bilderdijk zich niet te goed voor een gedicht over eieren koken:

Eierkoken

De luchtstroom ruisch' door 't vier, dat uit zijne asch geschoten,
In vlammen om zich grijp' en Meroos God doorgloei';
Zijn hitte dring' door 't vocht, in 't hol metaal besloten,
En bruische in golven op met bonzend stormgeloei.
Daar wiegele in den plasch het scheppings-al van 't kuiken,
Dat in zijn zilvren lucht een gouden aardbol sluit,
En 't beuk' de krijtaardschors dier breekbre wareldkruiken,
En dove 's levens aâm in 't bobblend windvlies uit.
Zoo word' de ommuurde zee ten bergklomp door 't verschroeien,
Waar 't half gesmolten goud verbalsemd door blijft vloeien!
(XIII, p. 241)

Als tweede kenmerk van Bilderdijks poëzie stellen de auteurs van Wie leert 't krekeltjen zijn lied dat de opvatting dat Bilderdijk een puur verstandelijk dichter was die nooit echt goed zijn omgeving waarnam, in elk geval niet altijd opgaat. Bilderdijk kon wel degelijk visualiserend vertellen, wat Rein Bloem aantoont aan de hand van Bilderdijks (gedeeltelijke) vertaling van de Argonautica van Apollonius van Rhodos. Bloem stelt: 'Hij [Bilderdijk] heeft poëzie geschreven die er mag wezen en zowaar een film in het vooruitzicht gesteld. Wie had gedacht dat zo'n gedoodverfde grootspreker, tot in de kleinste details een meesterwerk heeft geproduceerd?' (Bloem, 2000, p. 97)

Het derde punt waarop de aandacht wordt gevestigd in deze bundel is de paradoxale kant van Bilderdijks werk. Gerbrandy stelt dat 'Bilderdijk vaak iets anders doet dan hij beweert, iets anders zegt dan hij eigenlijk wil, iets anders tot uitdrukking brengt dan hij denkt te zeggen' (Gerbrandy, 2000a, p. 8). Zo worstelt Kees Fens met Bilderdijks gemengde karakter: 'De bekoring van de paradox werd de hinderlijkheid van de tegenstelling' (Fens, 2000, p. 127). Gert-Jan Johannes stelt in zijn artikel dat Bilderdijk de lezer vaak expres op het verkeerde been zet door 'als een soort perverse quizmaster' in zijn gedichten steeds 'valse aanwijzingen' te geven (Johannes, 2000, p. 132).

Periodisering

Johannes deelt Bilderdijks werk op in drie perioden. De eerste periode van Bilderdijks dichterschap zou lopen tot zijn ballingschap rond 1800, een periode waarin Bilderdijk actief was in dichtgenootschappen en daarnaast als advocaat functioneerde in de samenleving. De tweede fase is minder vast omlijnd, hij gaat in tijdens Bilderdijks jaren als vluchteling, toen hij op zoek ging naar de ware poëzie en zijn godsdienstbeleving intensiveerde. In deze periode zong Bilderdijk 'oudtestamentische klaagzangen' over de ijdelheid van het bestaan en beweerde hij bij herhaling stervende te zijn, zoals bijvoorbeeld in 'Afscheid' (Johannes, 2000, p. 142). Maar hij was tegelijkertijd ook een profetische dichter die dichtte over de goddelijke wereld, die slechts door het gevoel te bereiken was. Bilderdijk was misschien ongelukkig, maar hij had nog hoop. In de laatste periode van zijn dichterschap is die hoop vervlogen. De laatste jaren van zijn leven is volgens Johannes niet meer de bulderende Bilderdijk aan het woord, maar een oude stervende grijzaard die geen enkele illusie meer koestert. Deze Bilderdijk treft men aan in het gedicht 'Avondstond' een gedicht dat volgens Johannes 'de definitieve ontmaskering van elke illusie' behelst, al is er dan een christelijke moraal aan toegevoegd (Johannes, 2000, p. 142).

Helaas, wat 's de aanbraak dan van' hoopvol morgengloren,
Door al wat leeft en zweeft met welkomzang begroet?
Een leven, uit de dood der sluimring (ja) herboren,
Dat, in verijdeld doel, voor de avond sterven moet.
Zegg' Titus: 'k heb den dag verloren,
Waarin mijn milde hand geen weldaad strooien mocht!
Ach, 't leven is een stroom uit aardschen wel ontsproten,
En kronklend door het slijk in kromme bocht by bocht;
En waar, waar wordt dat zoet der laafnis ooit genoten,
Hetgeen er 't krank gemoed in zocht?
(vierde strofe, VIII, p. 314-315)

De dichter Bilderdijk is hier buiten beeld geraakt, de mens Bilderdijk heeft hem toch weer weten te overschaduwen.