1: Zoveel wegwijzers naar andere mensen

Zijn opkomst in de voorstad

Voor zijn debuutbundel Zijn opkomst in de voorstad (2000) verwierf Alfred Schaffer de Jo Peters-Poëzieprijs.

Vooromslag van Zijn opkomst in de voorstad (2000)

Vooromslag van Zijn opkomst in de voorstad (2000)

Titelpagina van Zijn opkomst in de voorstad (2000)

Titelpagina van Zijn opkomst in de voorstad (2000)

Achteromslag van Zijn opkomst in de voorstad (2000)

Achteromslag van Zijn opkomst in de voorstad (2000)

Het debuut bevat drie afdelingen: 'Kom nader', 'Minieme bewegingen' en 'Uitwegen'. Het gedicht 'De roeping', dat voorafgaat aan de afdelingen, handelt over een voetballer die in het grootste stadion ter wereld speelt.

Hij heeft niet veel bewegingen nodig,
de bal is zijn voet. Als hij opkijkt ziet hij geen
               afzonderlijke gezichten.

(p. 5)

In de eerste afdeling 'Kom nader' speelt een grote mate van verwarring, de werkelijkheid die zich steeds anders toont dan in eerste instantie het geval leek. Zoals in het gedicht 'Openingsscene'.

     Nu pas zie ik hoeveel mensen er zijn,
hoeveel uiterlijkheden,
zoveel wegwijzers naar andere mensen, in discussies verwikkeld,
door een stad zwervend, hardop lachend.
     Speelden zij 's ochtends bij het ontwaken
     naakt als jonge mannen en meisjes?

(p. 10)

Ook in het gedicht 'Het feest' gebruikt die tegenstelling tussen het alledaagse en de vervreemding.

Buiten wordt het al najaar. Zelfs op dit uur
is het een komen en gaan van vliegtuigen.
     In de dampende zaal valt men langzaam uit elkaar.

(p. 21)

In de tweede afdeling 'Minieme bewegingen' begint 'Het toeristisch verleden' als een liefdesgedicht:

We zagen elkaar voor het eerst bij de ingang van de dierentuin.
     Het werd winter.
     De dierentuin was dicht.
Je leek verrast door de inrichting van mijn slaapkamer.
'Zeg eens iets liefs.'

(p. 28)

Maar, staat er: 'Na afloop was het aardedonker'.... In een ander gedicht, 'De tijd dringt', wordt iets gezegd over tuin- en duinervaringen, het maken van een foto en daarmee over de eerste keer dat iemand een naakte vrouw ziet. Het gedicht eindigt met de regels:

Als nu eens iemand, uiterlijk onbewogen,
de tuin zou betreden,
vast zou stellen hoe een vlieg
op mijn hand komt zitten,
     hoe ik dit in heel mijn lichaam voel.

(p. 34)

In de laatste afdeling, 'Uitwegen', geeft het gedicht 'Vakantiemuziek' een uiteenzetting, die in afstandelijkheid en situatie doet denken aan de gedichten van Martin Reints.

Toen ik hier aankwam
     zat iedereen al ademloos te luisteren.
Ik zocht een plek om me te concentreren
voor de situatie uit de hand zou lopen -
     alleen achterin was nog plaats.
Ik bleek op een haar na te laat voor de tijd
van de grote ontdekkingsreizen
     en stond op geen enkele lijst.

(p. 45)

Het titelgedicht 'Zijn opkomst in de voorstad' begint als een geruststellend verhaal, sprookjesachtig verteld:

De moeder was slim en kookte heerlijke
gerechten. De vader kwam altijd thuis
voor het helemaal donker werd.
Er woonden veel mensen om hen heen.

(p. 47)

En in dit sonnet vertellen de ouders sprookjes, aan de jongen, aan de buurtbewoners, aan iedereen - en daarna gana ze 'vroeger naar bed dan gewoonlijk'. Het gedicht 'Insomnia' (slapeloosheid) - de titel herinnert bijna vanzelf aan het befaamde gedicht van J.C. Bloem - ontaardt het alledaagse opnieuw in vervreemdende situaties.

Als ze droomt dat al het water is verdampt,
enkel rottende planten en vissen
     in een gapende diepte,
rent ze zonder kleren naar buiten
     en ziet dat alles nog hetzelfde is.

En daar staan ook de anderen,
met hun witte, slaperige gezichten,
starend naar het water, elkaar herkennend
     als wachtend op een antwoord.

(p. 53)

Dwaalgasten

De tweede bundel heet Dwaalgasten (2002) en kreeg als motto een dichtregel van John Ashbury mee: 'We could pretend that all that isn't there never existed anyway' - we kunnen doen alsof dat wat verdwenen is, er nooit is geweest.

Vooromslag van Dwaalgasten (2002)

Vooromslag van Dwaalgasten (2002)

Titelpagina van Dwaalgasten (2002)

Titelpagina van Dwaalgasten (2002)

Achteromslag van Dwaalgasten (2002)

Achteromslag van Dwaalgasten (2002)

Voor het vooromslag werd gebruik gemaakt van een foto van het kunstwerk Another place van Antony Gormley. De kunstenaar maakte afgietsels van zijn eigen lichaam en liet die mangrote roestkleurige afgietsels op verschillende afstanden van elkaar in zee en op het strand plaatsen.

Ook deze bundel bevat - voorafgaand aan de verschillende afdelingen - een apart gedicht, als een programmatische verklaring vooraf: 'Het einde van de twistgesprekken'. Het begin is onheilspellend:

Het land is platgebrand en het werd koud. IJskoud.
Om precies te zijn eenentwintig graden onder nul.

Tijdens een persbijeenkomst hebben we alles opgebiecht.
We zitten dicht tegen elkaar en spelen gezelschapsspelletjes
op een terrein dat 's nachts geopend blijft.

Maar na gezamenlijk gezang wordt het plezieriger.

We brachten flessen wijn en picknickmanden mee.

Met zo'n begin zou iedereen tevreden moeten zijn.
(p. 7)

De eerste afdeling 'Elk effect is toegestaan' handelt eveneens over de tevreden stemming, zoals in 'De jaarlijkse viering als fundament'

In de klas heeft een meisje buikpijn van de zenuwen
en smacht onopgemerkt.

Je kunt het zo gek niet bedenken of de stemming is in orde.
(p. 12)

De waarheid komt in deel 'II' van dit gedicht nog eens aan bod:

Op een kermisterrein, tijdens een regenachtige middag,
voorspelde een vrouw de toekomst van de stad, maar

waar bleven de dagelijks aanknopingspunten, de gesprekken
in de supermarkt, de onhandige versierpogingen op de brug?

Er was geen weg terug, niemand kon zich met haar zangkunst meten.
Een dag verschoot gewoon van kleur om zoveel valse waarheid.

(p. 13)

In de tweede afdeling, 'Weerklank', staat het gedicht 'Signalement van een etmaal', waarin een vrouw naar haar verdwenen man zoekt:

Dit is de dag waarop ze hem ontmoeten zal
en ze vindt hem op het plein voor een paleis.
Ze vindt hem in een tram. Ze vindt hem in een bioscoop,
in een huis waar hij berekent hoe stevig het ijs op het meer.

Ze reist per trein met een kind aan de hand naar een haven
maar niemand herkent de figuur die zij aanwijst.

Daarna vindt ze hem in een park terwijl het kind
naar haar zwaait vanuit een draaimolen

(p. 23)

In 'De kracht van een goede maaltijd' staat de relatie van een man en vrouw centraal, die door aftakeling (dementie?) van de man onder spanning staat:

Haar man kan alles wat hij aanraakt veranderen in goud.
Soms moet ze hem drie keer dezelfde vraag stellen.
Geef haar genoeg voorbereidingstijd, de toegang
tot zijn lichaam, en hij buiten levensgevaar, uitgehongerd.

(p. 26)

Schaffer laat ons in de afdeling 'Achter de schermen' kennismaken met idolen, zoals in het gedicht 'Het evenwijdig universum' met Superman.

Hij speelde oude muziek als hij besluiten maakte
en belde daarna zijn moeder.

En meer geheime gegevens over Superman worden prijs gegeven:

Hij kon werkelijk vliegen. Wanneer hij zich verveelde
huurde hij doodgewoon een paar lachfilms.

(p. 33)

In het gedicht 'De wildernis volgens de hypnotiseur' legt deze uit dat de term 'natuurlijke grens' misleidend is.

Mijn overlevingskansen komen van pas in een gebied
dat geen geluid voortbrengt en op strategische punten aanvaard ik hulp.

Er bestaat slechts één emotie die ik pijnloos kan oproepen.
Wanneer ik ergens vertrek heb ik aan rust gewonnen.

(p. 42)

De vierde afdeling van Dwaalgasten wordt in beslag genomen door één gedicht: 'De geleidelijke ondergang van onze gids in vier episodes'. Er zijn - zoals de titel al zegt - vier delen, waarin een tocht langs een rivier en een woestijn wordt beschreven. Er vinden schokkende gebeurtenissen plaats, in het enige hotel worden lijken van de gasten gevonden. De hoteleigenaar is daardoor zo van slag dat hij tot handelen overgaat:

Hij verbrandde wat in het hotel had gestaan en daarna het hotel.
(p. 50)

De laatste afdeling heet 'Tot ons vermaak' en gaat onder andere over zeggenschap en begrip, zoals in 'Het ritueel begrijpt ons niet'

Hoeveel regels zijn er niet aan ons gewijd: we lachen
of kijken bedenkelijk; een van ons zingt een prachtig slaaplied.

(p. 61)