3: Je ziet de laatste tijd de gekste dingen

Geen hand voor ogen

In 2004 verscheen Geen hand voor ogen. Schaffer kwam naar Nederland om zijn boek te promoten en er verschenen veel lovende kritieken en interviews in kranten en tijdschriften.

Vooromslag van Geen hand voor ogen (2004)

Vooromslag van* Geen hand voor ogen *(2004)

Achteromslag vanGeen hand voor ogen(2004)

Achteromslag vanGeen hand voor ogen(2004)

Fragment van het gedicht Het ijs is gebroken uitGeen hand voor ogen(2004)

Fragment van het gedicht 'Het ijs is gebroken' uitGeen hand voor ogen(2004)

De eerste afdeling van de bundel is getiteld 'En profil' en opent met een motto van Jorge Luis Borges: 'I do not know which of us has written this page'. Na de eerste afdeling volgt het lange gedicht 'Zijn slotbewegingen bijeengebracht'. De derde afdeling heet 'Bondgenoten', de vierde 'Proefmodellen', de vijfde 'Kalenderdagen', de zesde behelst weer een lang gedicht ('Eenmaal andermaal') en de bundel besluit met de afdeling 'Bekend terrein'.

Opvallend in de eerste afdeling 'En profil' is dat de gedichten uit regelmatige strofen bestaan: in de meeste gevallen drie kwatrijnen (vier regels) met ongeveer dezelfde regellengte. Binnen die regelmaat zijn het vrije verzen in een losse, parlando-toon met een aan dagelijkse gesprekken ontleende woordkeus. Het slotkwatrijn van het gedicht 'Slotzinnen genoeg zou je zeggen' luidt:

Weer dwalen we af, het is net echt. Je moest er nodig eens tussenuit,
je ziet de laatste tijd de gekste dingen - je zou bijvoorbeeld kunnen liften,
zet je schrap. Lekker weg in eigen land. Wacht, ik loop even met je mee,
ik moet toch die kant uit. Er zit een vlekje op je bloes. Nee, iets hoger.

(p. 8)

Het uit acht delen bestaande gedicht 'Zijn slotbewegingen bijeengebracht' heeft als motto 'Langzamer dan een leven voorbijgaat' van de dichter Nachoem M. Wijnberg. Het begin van 'II' doet denken aan een uitspraak van Schaffer in Vrij Nederland waarin hij aangaf niet in herhalingen te willen vallen.

Vanuit de lucht houden camera's zijn transacties in de gaten.
Hij staat stil, maakt een praatje (nee dit is geen grap),
hij groet beleefd en opgewekt fluitend vervolgt hij zijn weg.

Tegen een smetteloze hemel ontdekt hij een glimmende vogel,
hij voldoet aan alle verwachtingen, nergens valt hij in herhaling.

(p. 22)

In 'VIII' gaat het over een moeder en kind:

Een kind, verdwaald tussen jassen, benen, gerinkel, gesprekken
en waar o waar is mamma nu, uiteengejaagd, alles achter de rug.

(p. 28)

De afdeling 'Bondgenoten' heeft als motto: 'My medemens het sagte kontoere' van Wilma Stockenström. De gedichten hierin beslaan elk twaalf regels. Het eerste daarvan, 'Verdiepingen', begint met babygeluiden:

Babygekrijs, dat de haren overeind laat staan.
Daar weer bovenop de trage voetstappen
die steeds luider klinken, een toilet
dat alles schoonspoelt, met een reuzevaart,
bij wijze van een geurig intermezzo.

Het eindigt evenwel optimistisch:

    Pak aan, hier is je partituur,
begin maar waar je in kunt vallen.

(p. 31)

Het motto van de afdeling 'Proefmodellen' is ontleend aan J.M. Coetzee: 'I live in the veld', he said, replying to their question; 'I live nowhere.' In deze afdeling staat het gedicht 'Omwentelingen', waarin het er op aan komt, of je nu in de rij staat of naar een postkantoor loopt of met andere dagelijkse zaken bezig bent:

Er is een tijd geweest dat ieder antwoord beslissend kon zijn.

De veiligheid van een hotel als men te moe is om verder te reizen.
Rode en oranje en donkerblauwe vegen boven de stad
en een kleine vrouw die hem verleiden wil. 'Doe hier je voordeel mee.'

(p. 43)

In 'De zachte landing van de astronaut' wordt de eenzaamheid van de astronaut beschreven, maar ook wordt hij vergeleken met een kind:

Zijn lichaam is enkele centimeters gegroeid, zijn ruggengraat
kraakt. Hij zou zich moeten bewegen als een ongeboren baby.

(p. 46)

De mensen die Schaffer opvoert in zijn teksten zijn niet nauw omschreven. Het gaat om 'een' vrouw, of een 'zij' of een 'jij'. In 'Het ijs is gebroken' bijvoorbeeld gaat het om een vrouw die een man domineert. In de loop van het gedicht verschuift het perspectief, en lijkt het om een filmopname te gaan.

Verlekkerd heeft ze hem op bed geduwd, wijdbeens torent ze
boven hem uit, haar naaldhakken in het matras. Hij kijkt niet
zonder trots van haar borsten naar haar buik. De rolgordijnen
blijven dicht om dit schouwspel tegen zonlicht te beschermen.

(p. 47)

Vaak zijn de titels bij Schaffer halve zinnen, zoals die van het gedicht 'De dageraad stokt in zichtbaarheid'.

Het is zaterdag of zondag, onbewolkt, een prachtige gelegenheid
voor een wandeling in het park, een bezoek aan de kermis.
De klok slaat zes: al die uren waarin hij zich heeft leeggeschreeuwd,
zich probeerde los te rukken, oorzaak en gevolg verwarde.

(p. 54)

De afdeling 'Kalenderdagen' wordt voorafgegaan door een motto van de Amerikaanse dichter Wallace Stevens: 'I must be visible or invisible, Invisible or visible or both: A seeing and unseeing in the eye'. De opbouw van de gedichten is eveneens strak: vijf tweeregelige strofen per gedicht. Als titels zijn steeds tegenstellingen gekozen (net als in de bibliofiele uitgave Definities en hallucinaties uit 2003). Ook hier dringt de taal van de straat, de gewone dagelijkse formulering, diep door in het gedicht. Het eerste gedicht heet 'Start en finish':

'Zou ik je nu iets mogen vragen?' Het oog blijft willekeurig rusten
op een hoek met beugels, riemen, pennen, haken, het probleem

van een vaag omschreven ontmoetingsplek. 'We zijn toch geen
namen vergeten mag ik hopen?' Wie is te geloven op een woord,

wie kent niet het menselijke slaapgeluid?
(p. 61)

Schaffer heeft aangegeven zichzelf niet te willen herhalen. Als poëtische techniek is de herhaling vaak buitengewoon effectief en in elk geval is herhaling een vorm van realisme, zoals in het gedicht 'Tijd en plaats':

en was dít maar zichtbaar te maken: onze moeizame terugtocht,
hoe laat het werd, de eenmalige scherpte van een overweldigend

decor, het dode gewicht. Vastgenageld. 'Nou moet jij vragen wát!'
Opstaan of blijven liggen, liggen of blijven opstaan, ook 's nachts

wist deze wonderbaarlijke vermenigvuldiging van geen ophouden,
pak vast m'n hand. 'Hallo?' De kracht van de herhaling. 'Halló?'

(p. 72)

Het zesdelige gedicht 'Eenmaal andermaal' heeft als motto: 'There's always a siren. Singing you to shipwreck' van de popgroep Radiohead. Verontrusting over de eigen aanwezigheid speelt een grote rol in 'VI':

Alles ademt zwaarder, en dat ben ik? Wat heeft dit te betekenen?
'Zijn jullie al onderweg? Over.' Iets liet ons steeds weer in de steek,
raar maar waar, iets glipt steeds opnieuw uit onze handen,
iets dat zijn beste tijd heeft gehad, iets ongelooflijk dierbaars.

(p. 84)

De slotafdeling, 'Bekend terrein', staat in het teken van het motto: 'To live here one must forget much' van Anne Carson. Hierin zijn gedichten verzameld waarvan de titels beginnen met 'Als'; al deze gedichten beslaan dertien regels, zoals: 'Als een lichaam, bewaakt en nagelaten'.

        je kijkt en kijkt, alsof
je het contact herstellen kunt, je komt niet los van
wat je ziet, vlug, geef het nog een naam, een kleur
je mag zelf kiezen, voor je niets meer hebt te vrezen.

(p. 90)