De gedichten van Alfred Schaffer, 2000-2013

Zijn opkomst in de voorstad (2000)

Voor zijn debuutbundel Zijn opkomst in de voorstad (2000) verwierf Alfred Schaffer de Jo Peters-Poëzieprijs.

Het debuut bevat drie afdelingen: 'Kom nader', 'Minieme bewegingen' en 'Uitwegen'. Het gedicht 'De roeping', dat voorafgaat aan de afdelingen, handelt over een voetballer die in het grootste stadion ter wereld speelt.

Hij heeft niet veel bewegingen nodig,
de bal is zijn voet. Als hij opkijkt ziet hij geen
               afzonderlijke gezichten.

(p. 5)

Alfred Schaffer, Zijn opkomst in de voorstad (2000)
Alfred Schaffer, Zijn opkomst in de voorstad (2000)

Alfred Schaffer, Zijn opkomst in de voorstad (2000)

Alfred Schaffer, Zijn opkomst in de voorstad (2000)
Alfred Schaffer, Zijn opkomst in de voorstad (2000)

Alfred Schaffer, Zijn opkomst in de voorstad (2000)

Alfred Schaffer, Zijn opkomst in de voorstad (2000)
Alfred Schaffer, Zijn opkomst in de voorstad (2000)

Alfred Schaffer, Zijn opkomst in de voorstad (2000)

In de eerste afdeling 'Kom nader' speelt een grote mate van verwarring, de werkelijkheid die zich steeds anders toont dan in eerste instantie het geval leek. Zoals in het gedicht 'Openingsscene'.

     Nu pas zie ik hoeveel mensen er zijn,
hoeveel uiterlijkheden,
zoveel wegwijzers naar andere mensen, in discussies verwikkeld,
door een stad zwervend, hardop lachend.
     Speelden zij 's ochtends bij het ontwaken
     naakt als jonge mannen en meisjes?

(p. 10)

Ook in het gedicht 'Het feest' gebruikt die tegenstelling tussen het alledaagse en de vervreemding.

Buiten wordt het al najaar. Zelfs op dit uur
is het een komen en gaan van vliegtuigen.
     In de dampende zaal valt men langzaam uit elkaar.

(p. 21)

In de tweede afdeling 'Minieme bewegingen' begint 'Het toeristisch verleden' als een liefdesgedicht:

We zagen elkaar voor het eerst bij de ingang van de dierentuin.
     Het werd winter.
     De dierentuin was dicht.
Je leek verrast door de inrichting van mijn slaapkamer.
'Zeg eens iets liefs.'

(p. 28)

Maar, staat er: 'Na afloop was het aardedonker'.... In een ander gedicht, 'De tijd dringt', wordt iets gezegd over tuin- en duinervaringen, het maken van een foto en daarmee over de eerste keer dat iemand een naakte vrouw ziet. Het gedicht eindigt met de regels:

Als nu eens iemand, uiterlijk onbewogen,
de tuin zou betreden,
vast zou stellen hoe een vlieg
op mijn hand komt zitten,
     hoe ik dit in heel mijn lichaam voel.

(p. 34)

In de laatste afdeling, 'Uitwegen', geeft het gedicht 'Vakantiemuziek' een uiteenzetting, die in afstandelijkheid en situatie doet denken aan de gedichten van Martin Reints.

Toen ik hier aankwam
     zat iedereen al ademloos te luisteren.
Ik zocht een plek om me te concentreren
voor de situatie uit de hand zou lopen -
     alleen achterin was nog plaats.
Ik bleek op een haar na te laat voor de tijd
van de grote ontdekkingsreizen
     en stond op geen enkele lijst.

(p. 45)

Het titelgedicht 'Zijn opkomst in de voorstad' begint als een geruststellend verhaal, sprookjesachtig verteld:

De moeder was slim en kookte heerlijke
gerechten. De vader kwam altijd thuis
voor het helemaal donker werd.
Er woonden veel mensen om hen heen.

(p. 47)

En in dit sonnet vertellen de ouders sprookjes, aan de jongen, aan de buurtbewoners, aan iedereen - en daarna gana ze 'vroeger naar bed dan gewoonlijk'. Het gedicht 'Insomnia' (slapeloosheid) - de titel herinnert bijna vanzelf aan het befaamde gedicht van J.C. Bloem - ontaardt het alledaagse opnieuw in vervreemdende situaties.

Als ze droomt dat al het water is verdampt,
enkel rottende planten en vissen
     in een gapende diepte,
rent ze zonder kleren naar buiten
     en ziet dat alles nog hetzelfde is.

En daar staan ook de anderen,
met hun witte, slaperige gezichten,
starend naar het water, elkaar herkennend
     als wachtend op een antwoord.

(p. 53)

Dwaalgasten (2002)

De tweede bundel heet Dwaalgasten (2002) en kreeg als motto een dichtregel van John Ashbury mee: 'We could pretend that all that isn't there never existed anyway' - we kunnen doen alsof dat wat verdwenen is, er nooit is geweest.

Alfred Schaffer,  Dwaalgasten (2002)
Alfred Schaffer, Dwaalgasten (2002)

Alfred Schaffer, Dwaalgasten (2002)

Alfred Schaffer,  Dwaalgasten (2002)
Alfred Schaffer, Dwaalgasten (2002)

Alfred Schaffer, Dwaalgasten (2002)

Alfred Schaffer, Dwaalgasten (2002)
Alfred Schaffer, Dwaalgasten (2002)

Alfred Schaffer, Dwaalgasten (2002)

Voor het vooromslag werd gebruik gemaakt van een foto van het kunstwerk Another place van Antony Gormley. De kunstenaar maakte afgietsels van zijn eigen lichaam en liet die mangrote roestkleurige afgietsels op verschillende afstanden van elkaar in zee en op het strand plaatsen.

Ook deze bundel bevat - voorafgaand aan de verschillende afdelingen - een apart gedicht, als een programmatische verklaring vooraf: 'Het einde van de twistgesprekken'. Het begin is onheilspellend:

Het land is platgebrand en het werd koud. IJskoud.
Om precies te zijn eenentwintig graden onder nul.

Tijdens een persbijeenkomst hebben we alles opgebiecht.
We zitten dicht tegen elkaar en spelen gezelschapsspelletjes
op een terrein dat 's nachts geopend blijft.

Maar na gezamenlijk gezang wordt het plezieriger.

We brachten flessen wijn en picknickmanden mee.

Met zo'n begin zou iedereen tevreden moeten zijn.
(p. 7)

De eerste afdeling 'Elk effect is toegestaan' handelt eveneens over de tevreden stemming, zoals in 'De jaarlijkse viering als fundament'

In de klas heeft een meisje buikpijn van de zenuwen
en smacht onopgemerkt.

Je kunt het zo gek niet bedenken of de stemming is in orde.
(p. 12)

De waarheid komt in deel 'II' van dit gedicht nog eens aan bod:

Op een kermisterrein, tijdens een regenachtige middag,
voorspelde een vrouw de toekomst van de stad, maar

waar bleven de dagelijks aanknopingspunten, de gesprekken
in de supermarkt, de onhandige versierpogingen op de brug?

Er was geen weg terug, niemand kon zich met haar zangkunst meten.
Een dag verschoot gewoon van kleur om zoveel valse waarheid.

(p. 13)

In de tweede afdeling, 'Weerklank', staat het gedicht 'Signalement van een etmaal', waarin een vrouw naar haar verdwenen man zoekt:

Dit is de dag waarop ze hem ontmoeten zal
en ze vindt hem op het plein voor een paleis.
Ze vindt hem in een tram. Ze vindt hem in een bioscoop,
in een huis waar hij berekent hoe stevig het ijs op het meer.

Ze reist per trein met een kind aan de hand naar een haven
maar niemand herkent de figuur die zij aanwijst.

Daarna vindt ze hem in een park terwijl het kind
naar haar zwaait vanuit een draaimolen

(p. 23)

In 'De kracht van een goede maaltijd' staat de relatie van een man en vrouw centraal, die door aftakeling (dementie?) van de man onder spanning staat:

Haar man kan alles wat hij aanraakt veranderen in goud.
Soms moet ze hem drie keer dezelfde vraag stellen.
Geef haar genoeg voorbereidingstijd, de toegang
tot zijn lichaam, en hij buiten levensgevaar, uitgehongerd.

(p. 26)

Schaffer laat ons in de afdeling 'Achter de schermen' kennismaken met idolen, zoals in het gedicht 'Het evenwijdig universum' met Superman.

Hij speelde oude muziek als hij besluiten maakte
en belde daarna zijn moeder.

En meer geheime gegevens over Superman worden prijs gegeven:

Hij kon werkelijk vliegen. Wanneer hij zich verveelde
huurde hij doodgewoon een paar lachfilms.

(p. 33)

In het gedicht 'De wildernis volgens de hypnotiseur' legt deze uit dat de term 'natuurlijke grens' misleidend is.

Mijn overlevingskansen komen van pas in een gebied
dat geen geluid voortbrengt en op strategische punten aanvaard ik hulp.

Er bestaat slechts één emotie die ik pijnloos kan oproepen.
Wanneer ik ergens vertrek heb ik aan rust gewonnen.

(p. 42)

De vierde afdeling van Dwaalgasten wordt in beslag genomen door één gedicht: 'De geleidelijke ondergang van onze gids in vier episodes'. Er zijn - zoals de titel al zegt - vier delen, waarin een tocht langs een rivier en een woestijn wordt beschreven. Er vinden schokkende gebeurtenissen plaats, in het enige hotel worden lijken van de gasten gevonden. De hoteleigenaar is daardoor zo van slag dat hij tot handelen overgaat:

Hij verbrandde wat in het hotel had gestaan en daarna het hotel.
(p. 50)

De laatste afdeling heet 'Tot ons vermaak' en gaat onder andere over zeggenschap en begrip, zoals in 'Het ritueel begrijpt ons niet'

Hoeveel regels zijn er niet aan ons gewijd: we lachen
of kijken bedenkelijk; een van ons zingt een prachtig slaaplied.

(p. 61)

Alfred Schaffer, Definities en hallucinaties (2003)

Alfred Schaffer, Definities en hallucinaties (2003)

Geen hand voor ogen (2004)

In 2004 verscheen Geen hand voor ogen. Schaffer kwam naar Nederland om zijn boek te promoten en er verschenen veel lovende kritieken en interviews in kranten en tijdschriften.

De eerste afdeling van de bundel is getiteld 'En profil' en opent met een motto van Jorge Luis Borges: 'I do not know which of us has written this page'. Na de eerste afdeling volgt het lange gedicht 'Zijn slotbewegingen bijeengebracht'. De derde afdeling heet 'Bondgenoten', de vierde 'Proefmodellen', de vijfde 'Kalenderdagen', de zesde behelst weer een lang gedicht ('Eenmaal andermaal') en de bundel besluit met de afdeling 'Bekend terrein'.

Opvallend in de eerste afdeling 'En profil' is dat de gedichten uit regelmatige strofen bestaan: in de meeste gevallen drie kwatrijnen (vier regels) met ongeveer dezelfde regellengte. Binnen die regelmaat zijn het vrije verzen in een losse, parlando-toon met een aan dagelijkse gesprekken ontleende woordkeus. Het slotkwatrijn van het gedicht 'Slotzinnen genoeg zou je zeggen' luidt:

Weer dwalen we af, het is net echt. Je moest er nodig eens tussenuit,
je ziet de laatste tijd de gekste dingen - je zou bijvoorbeeld kunnen liften,
zet je schrap. Lekker weg in eigen land. Wacht, ik loop even met je mee,
ik moet toch die kant uit. Er zit een vlekje op je bloes. Nee, iets hoger.

(p. 8)

Alfred Schaffer, Geen hand voor ogen (2004)

Alfred Schaffer, Geen hand voor ogen (2004)

Schuim (2006)

In 2006 verscheen de bundel Schuim. De bundel bevat drie afdelingen en vijf lange gedichten. Elk onderdeel heeft een eigen titel en motto. Het motto van het gedicht 'Staat verzekerend' luidt:

'Ik was aan het winkelen en ineens zag ik een rugzak staan. Helemaal alleen in een drukke winkelstraat. Net toen ik de politie had gebeld, kwam er een jongetje aanrennen.'
Mevrouw Berends in de brochure Wat wordt er gedaan tegen terrorisme? En wat kunt u doen?

'Staat verzekerend' heeft vier genummerde delen en is samengesteld uit zinnen die uit de brochure zijn overgenomen. Dit heeft tegelijkertijd een humoristisch en een beklemmend effect. Het begin van dit gedicht:

I
De kans dat er een terrorist in uw wijk woont, is erg klein.
Mensen worden niet van de ene op de andere dag terrorist.
Heeft uw kind veel aandacht voor radicale ideeën?
Praat daar dan over met hem of haar.
Mensen die zich verdacht gedragen, worden scherp in de gaten gehouden.
Ook mensen die geen toekomst voor zichzelf zien
kunnen een risico vormen. Meer dan we kunnen vertellen.
Daarom is er speciale aandacht voor plekken waar radicalisering ontstaat.
We luisteren af. We infiltreren. We verzamelen en bestuderen
informatie over de verdachte personen en groepen.

(p. 37)

Het gedicht heeft een beklemmende werking. De zinnen zijn afkomstig uit een brochure die terrorisme moet voorkomen maar eigenlijk vooral angst inboezemt. De sterretjes verwijzen in de brochure naar een verklarende woordenlijst, Schaffer heeft deze sterretjes soms verplaatst voor een vervreemdend effect. Het lijkt zo alsof de meest alledaagse begrippen uitleg nodig hebben.
Schaffer bereikt een grappig effect door de zinnen zo achter elkaar te zetten dat de boodschap erg overdreven overkomt. Dit is ook te zien in de laatste regels:

Belangrijk is dat we elkaar blijven respecteren en vertrouwen.
Dat we in gesprek blijven met de buurtbewoners.
Als het moet, zetten we de trein stil. We kunnen niet voorzichtig genoeg zijn.
Het is belangrijk dat ons leven niet wordt overheerst door angst.
Meer informatie is ook beschikbaar in een groter lettertype.

(p. 40)

Enkele gedichten in Schuim zijn geschreven voor een eenzame uitvaart. Frank Starik, oud stadsdichter van Amsterdam, is oprichter van de 'Poule des doods'. De dichters die deel uitmaken van deze poule schrijven om de beurt een gedicht voor een eenzame overledene die geen nabestaanden heeft. Schaffer schreef het gedicht 'Wish you were here' voor Dickson Imonjie Ukhuedoba:

Je telt weer mee, in de zang schuilt het gevaar, de dagen korten.
Tot je verdween. Een stevig ontbijt met twee gebakken eieren en spek
en toast, een stukje tomaat, dit uitzicht op een parkeerplaats:

vanaf hier moet je het alleen doen vrezen we, je bent niet langer
van de wereld in dit daglicht. In het oog van een orkaan – je kent
die foto’s wel, alles in één grootse afwachting, voordat de hel losbast.

Nu word je slapend rijk, nu mocht je terug. Afgeluisterd, toegefluisterd,
door de modder naar het veldje waar je twee keer scoorde
en dan is het feest en iedereen was blij en alles mag en niets hoeft,

geen wijsheid die je kraakt.
(p. 64)

Alfred Schaffer, Schuim (2006)
Alfred Schaffer, Schuim (2006)

Alfred Schaffer, Schuim (2006)

Alfred Schaffer, Kooi​ (2008)
Alfred Schaffer, Kooi​ (2008)

Alfred Schaffer, Kooi​ (2008)

Alfred Schaffer, Kooi​ (2008)
Alfred Schaffer, Kooi​ (2008)

Alfred Schaffer, Kooi​ (2008)

Kooi (2008)

In de bundel Kooi (2008) wisselen strakke sonnetten en lange prozagedichten elkaar af.

Het motto van de bundel is afkomstig van John Ashbery: 'Why do I tell you these things? You are not even here.'

De strekking van dit motto komt in veel gedichten in deze bundel naar voren. Schaffer spreekt namelijk steeds een 'jij' aan in de gedichten. Vaak is de 'jij' niet echt aanwezig. Een goed voorbeeld hiervan is 'Impasse', de tweede en de derde strofe:

Je ruikt hoe ik bederf, ook al ben ik er niet, je ligt, zo stel ik
me voor, verrukt te staren naar een monitor, naar de eerste
bewijzen van leven op Mars, daar beweegt iets onschuldigs,
iets wat kans van slagen heeft, en zonder je blik af te wenden

grijp je mijn hand – die er niet is, druk doende dit alles alvast
neer te krabbelen, ergens waar ik pelgrimstochten onderneem
naar hooggelegen gebouwen, ver voor Christus opgeleverd.

(p. 51)

In de prozagedichten wordt vaak een 'jij' beschreven vanuit de tweede persoon. De vraag is of de verteller en de beschreven persoon dezelfde zijn. Een voorbeeld hiervan is 'Het antwoord is nee'. Het begin van dit gedicht:

Het is gedaan met de verdoving. Je zult contact moeten
maken, iets of iemand moeten aaien, het is als het ware vijf
voor twaalf. Sterven voor de goede zaak maakt sterven de
moeite waard – het zou een slagzin kunnen zijn.
Je begint in het wilde weg te fluiten, wie weet wie je humeur
oppikt en kijk, het werkt! Een beetje sympathie doet wond-
deren, het meisje achter de kassa bijvoorbeeld kan een glim-
lach nauwelijks onderdrukken.

Eerst wordt de 'jij'; aangesproken: 'je zult contact moeten maken'. Dat doet de 'jij' door te fluiten en dat werkt meteen. Later komt de 'jij' er echter achter dat er een hele rij identieke kassameisjes is die even vrolijk zijn. Hij dacht dat hij contact had, maar dat bleek een illusie te zijn. Het einde van het gedicht gaat over een gebeurtenis die alleen de persoon die beschreven wordt nog kan weten:

Toen je klein was sloeg je op een middag met een stok een
wesp dood uit de lucht. Rebecca, Ivo, Mike, Daphne, allemaal
stonden ze erbij te kijken maar geen van hen zou jouw helden-
daad vandaag de dag nog kunnen navertellen en intussen lijkt
de buit verdeeld: jij, je gezonde rancune, en de rest is geschie-
denis.
 Van het kwade verlost.
 Maar laat je niet misleiden.

(p. 60-61)

Ook in deze jeugdherinnering loopt de 'jij' contact met anderen mis. Hij verricht een 'heldendaad' maar niemand zal zich dit later herinneren. De 'jij' staat alleen, en elk contact lijkt voor hem een illusie.

Soms lijken de sonnetten over twee geliefden te gaan. Deze geliefden leven vaak langs elkaar heen. Bijvoorbeeld in het gedicht 'Niet alleen een buitengewone voorstelling':

      Jij schrok, ik niet, waarom zou ik schrikken.
Zo begon het. Zonder goedenacht te zeggen val je in slaap,

op de grond naast het bed een glas wijn en dat boek, dat uit
je handen gleed – op de laatste pagina wacht alvast een bont
gezelschap op je komst. Loop je even mee? Dan stel ik je voor.

(p. 43)