Schaffer en de kritiek

Alfred Schaffer en de kritiek

De dichter Alfred Schaffer (1973) publiceerde Zijn opkomst in de voorstad (2000) en Dwaalgasten (2002), beide bij Uitgeverij Rap. In 2004 verscheen bij De Bezige Bij Geen hand voor ogen. Voor Zijn opkomst in de voorstad kreeg Schaffer de Jo Peters-Poëzieprijs. Gerrit Komrij nam vier van Schaffers gedichten op in zijn bloemlezing Gerrit Komrij's Nederlandse poëzie van de 19de tot en met de 21ste eeuw in 2000 en enige gedichten (editie 2003). Schaffer woont en werkt dan weer in Nederland, dan weer in Kaapstad.

Zijn opkomst in de voorstad werd besproken in De Volkskrant van 26 maart 2001 door Piet Gerbrandy. 'De in Zuid-Afrika woonachtige dichter grossiert in enigszins cryptische teksten die zich uitsluitend door de bladspiegel van proza onderscheiden. Vaak schetst hij fragmentarische scènes die vrij gemakkelijk tot een compleet verhaal worden. Hier is een dichter aan het woord die een poging doet de chaotische, fragmentarische werkelijkheid te begrijpen, zonder daarin te slagen. Toch nemen we altijd precies genoeg waar om te kunnen vaststellen dat we ook van het volledige verhaal, als dat te reconstrueren was, niet blij zouden worden'.

Gerbrandy gaf ook een duidelijk voorbeeld van zo'n verontrustend gedicht: 'In een van de pijnlijkste gedichten maken twee reizigers in een berghut de afspraak elkaar lang genoeg aan het woord te laten en elkaar niet in de rede te vallen zonder eerst een hand op te steken. Sterker nog: Als een van de twee een woord niet verstaat schiet de ander in de lach en zal het woord met grote letters op een stuk papier schrijven dat hij omhooghoudt opdat de ander het woord uit zijn hoofd kan leren. Zulke mededelingen hebben rijm, metrum noch metaforen nodig om hard aan te komen'.

In Het Parool van 17 mei 2002 besprak Adriaan Jaeggi de bundel Dwaalgasten onder de verontrustende kop 'Een reddingsboei van beton'. 'Vragen. Vragen, vragen, vragen. Vragen, vragen, vragen, vragen. Als er iets met zekerheid te zeggen is over de gedichten van Alfred Schaffer, dan is het dat ze zo veel vragen oproepen dat je er bijna je eigen gedicht van kunt maken. Maar met bijna evenveel zekerheid kun je zeggen dat zijn poëzie overduidelijk is, als je tenminste bereid bent andere duidelijkheden los te laten. Er zijn namelijk momenten dat vaste gewoonten, wetten en zekerheden waar je altijd op terug kon grijpen, niet meer gelden, ja zelfs gevaarlijk worden: alsof iemand je een reddingsboei toewerpt die van beton blijkt te zijn. Alfred Schaffer heeft misschien ook niet alle antwoorden, maar hij heeft zo veel verbeeldingskracht dat je er makkelijk op kunt blijven drijven'.

Dwaalgasten werd genomineerd voor de VSB-Poëzieprijs 2003. Uit het jury rapport: 'Dwaalgasten is een opmerkelijke dichtbundel die vol staat met opmerkelijke gedichten. En met opmerkelijke zinnen, zoals deze: 'Hij tekent landkaarten tot hij een doelwit kan ontcijferen / en zegt: 'In de toendra had ik geen symbolen nodig. / Daar kon ik als het moest binnen een uur een tent opzetten / terwijl sneeuw en ijs in mijn gezicht sloegen, / een tent waarin ik deze gebaren heb geleerd en vrouwen ontkleedde. Via een losse, achteloze taal wordt de alledaagse en minder alledaagse wereld telkenmale vanuit een onverwachts perspectief op losse schroeven gezet. Alfred Schaffer neemt alle vrijheid om elke keer weer die wereld opnieuw uit te vinden. Hier is sprake van een dichtersdrang die verrassingen oplevert. En de grootste verrassing is misschien wel het dichterschap zelf. Het op-losse-schroeven-van-de-wereld leidt bij Schaffer niet tot cliché-inzichten of minimalistisch geneuzel, maar tot poëzie die geen seconde verveelt. Hij lijkt te spelen met de talloze beelden die hij van stripfiguren, dichters, muzikanten, tijden en geliefdes in zijn hoofd heeft en die hij opnieuw op papier voor zich uittekent. Het resultaat is intrigerend, onderhoudend en brengt de uitdagende dichtershorizon van Schaffer dichtbij de neus van de lezer. Met Dwaalgasten bewijst Schaffer dat hij onbevreesd tussen belofte en een uitdagende toekomst staat'.

Over Geen hand voor ogen oordeelde Gerbrandy - opnieuw in De Volkskrant (17 juli 2004) - wel wat strenger: 'Soms neemt de dichter zoveel afstand en wordt de beschreven situatie zo geabstraheerd of teruggebracht tot een paar contextloze details, dat het moeilijk is geconcentreerd te blijven lezen. De poëzie biedt dan te weinig aanknopingspunten en vervalt tot een intellectuele exercitie die niets oplevert, behalve misschien het inzicht dat je de wereld vanuit verschillende invalshoeken steeds anders waarneemt en beoordeelt. Dat begint al bij de titel, die enerzijds suggereert dat het aardedonker is, anderzijds dat het zicht onbelemmerd is. Hoe dan ook gaat het in deze bundel om zien en gezien worden'. Ook schreef Gerbrandy: 'De bundel eindigt als een boze droom: 'Je komt er niet meer uit, een zompige ondergrond / waar je ook ging, als je een kaart had zou je nog / verdwalen, zo rustig werd het hier, aardedonker'. Verontrustende poëzie die soms wel wat onrustiger zou mogen zijn'.

Thomas Vaessens was over dezelfde bundel in het Financieele Dagblad (26 juni 2004) positiever: 'Heimwee speelt in Geen hand voor ogen wel degelijk een rol. Maar het betreft een heimwee naar de taal. Het vele gebruik van staande uitdrukkingen, spreekwoorden en zegswijzen dat deze poëzie kenmerkt, is er een blijk van. Hier is een dichter aan het woord die het dagelijks verkeer in zijn moedertaal mist en die beseft dat gebrek aan omgang met het levende Nederlands ertoe leiden kan dat met de taal ook het denken verstart. Maar de uitweg die Schaffer gevonden heeft, is schitterend. De levendigheid van deze poëzie zit 'm niet in de oorspronkelijkheid van de taal - die is bij Schaffer eerder gewoontjes - maar in de soms bijna absurde opeenstapeling van beelden en observaties die in geen enkele reële ruimte naast elkaar kunnen bestaan, behalve in de ruimte van het gedicht. Vaak heeft dit een bijzonder geestig effect. In het onsamenhangend ogende bombardement van observaties schuilt op een indirecte manier ook het engagement van deze poëzie. Wat Schaffer ons voorschotelt, is immers in de bestaande systemen en ordeningen niet te vangen. De associaties zijn onnavolgbaar. Wie poëzie alleen maar leest om de ik die zich erin uitspreekt te leren kennen, kan de indruk krijgen dat dit misschien een wat onpersoonlijke bundel is. Niets is echter minder waar. Het zelfonderzoek is allerminst gratuit en afstandelijk bij deze ontwortelde dichter, die in het slotgedicht concludeert: 'Ik ben / teveel van mij alleen is al wat je nu denken kunt'.'

Ook Schuim (2006) werd als onsamenhangend bestempeld. Piet Gerbrandy schreef in De Volkskrant (8 september 2006):' Werden zijn vorige boeken gekenmerkt door een enigszins koude, afstandelijke toon en een systematisch ondergraven van de gedachte als zou authenticiteit nog bestaan, in Schuim heeft hij, althans in een groot aantal van de gedichten, ook de samenhang laten varen. Er wordt veel gepraat, gemijmerd en georeerd, vaak horen we verschillende stemmen stellige mededelingen doen, maar wie er aan het woord is of zijn, is zelden duidelijk.' Peter de Boer was het met hem eens en concludeerde (Trouw, 14 oktober 2006): 'Hij maakt het zichzelf en zijn lezers niet makkelijk door de chaotische realiteit in al even grillige en collageachtige woordslingers voor het voetlicht te brengen. Persoonlijke associaties en observaties stapelt hij op elkaar in een veelal ordeloos verband. Vaak gaat hij daarin te ver.'

Met het verschijnen van Kooi (2008) vond Erik Jan Harmens het tijd om een ontwikkelingsschets van Schaffers poëzie te geven. Harmens schreef in Trouw op 6 december 2008: 'In Dwaalgasten is de taal nog ingehouden, vriendelijk en soms ook een beetje bedacht. Schuim daarentegen is een dikke, vette bundel vol klinkklare liederen over groot menselijk leed. En Kooi, dat is dan een ingetogen, illusieloze bundel vol famous last words.' Yra van Dijk (NRC Handelsblad, 13 februari 2009) schreef, zoals dat ook bij veel andere bundels gebeurde, over de onbegrijpelijkheid van Schaffers gedichten: 'Mooi kan je de gedichten dan ook niet noemen. Schaffer schrijft uiterst prozaïsche poëzie, in telegramstijl soms. Bovendien verschaft hij consequent altijd nét te weinig informatie, zodat de lezer het gevoel heeft dat er maar één puzzelstukje mist en dan zou alles op zijn plek vallen. Dat puzzelstukje krijgen we nooit te pakken.'

De bundel Mens dier ding (2014) werd in NRC Handelsblad (10 januari 2014) van commentaar voorzien door Arie van den Berg. Deze was lyrisch en sprak van 'een poëtische belevenis van jewelste.' Deze belevenis was met name een direct gevolg van 'de overweldigende beeldspraak die Schaffer ten tonele brengt.' De kracht van de bundel lag in de veelzijdigheid: 'Van tere lyriek naar nuchtere straattaal, van cultureel fijnzinnig naar oorlogszuchtig. En vaak geestig.' Ook vormde Mens dier ding volgens Van den Berg een samenhangend geheel: 'De lezer krijgt zelden meer dan scherven, maar na ruim 130 pagina's laten die zich ten slotte aaneenlijmen.'

Peter Swanborn betitelde Mens dier ding in De Volkskrant (22 februari 2014) als 'een bundel met een grote verbeeldingskracht.' Swanborn waardeerde niet alleen de veelzijdigheid van Mens dier ding, maar ook de beheersing van Schaffer: 'Angst, humor, branie, tederheid, agressie, alles komt erin voor. Juist als het te veel dreigt te worden, valt de achtbaan stil om plaats te maken voor zo'n typisch Schafferiaans beeld.' Wel had Swanborn zijn bedenkingen bij de zogeheten droomgedichten die 'ondanks hun rijkdom nogal eenvormig zijn.' Want 'lees je alle 44 droomgedichten achter elkaar, dan is er bijna geen ontwikkeling in te bekennen.'

Vooromslag van Dwaalgasten (2002)

Vooromslag van Dwaalgasten (2002)

Vooromslag van Geen hand voor ogen (2004)

Vooromslag van Geen hand voor ogen (2004)

Vooromslag van Kooi (2008)

Vooromslag van Kooi (2008)

Vooromslag van Mens dier ding (2014)

Vooromslag van Mens dier ding (2014)