De gedichten van Arjen Duinker, 1982-heden

Arjen Duinker, Rode oever (1988)
Rode oever (1988)

Arjen Duinker, Rode oever (1988)

Deel van het gedicht 'Pasteis de Tentugal' uit: Rode oever (1988), p. 46.
'Pasteis de Tentugal'

Deel van het gedicht 'Pasteis de Tentugal' uit: Rode oever (1988), p. 46.

In deze bundel geeft hij ruim baan aan de thematiek die later steeds weer terugkeert in zijn bundels: de verwondering om dagelijkse dingen. Alles kan het object van die verbazing zijn: planten, dieren, mensen, gebeurtenissen. Het dagelijkse krijgt in de gedichten van Duinker door die verbazing een andere glans. In het eerste gedicht uit de bundel verbaast de ik-figuur zich over een klimopplant die tijdens zijn afwezigheid tegen een muur is gaan groeien - voor die verbazing gebruikt hij een ruime sortering hoofdletters:

KLIMOP!
ER GROEIT KLIMOP!

ik ben ver weg geweest

KLIMOP!
ER GROEIT KLIMOP TEGEN DE MUUR!
OOOH! ZO GROEN!

(p. 7)

In de gedichten van Duinker zijn dagelijkse dingen geregistreerd, vastgelegd, zoals de wind die waait en een meisje dat een zakdoek opneemt:

De wind blaast langs mijn hoofd
De wind blaast langs mijn ogen
De wind blaast
Een meisje kijkt om zich heen
Ze pakt een handdoek
Draait zich om

(p.10)

In het gedicht dat begint met de versregel 'Op een zeer absolute dag' lijkt Duinker een statement te willen maken. Hij zet zich af tegen vorm en inhoud:

Op een zeer absolute dag,
absoluut van helderheid en kleuren,
absoluut ook van vrijheid, te zien
wat is, zonder meer,
zodat alles zichzelf is,
zal ik, blaffend, zeker ten strijde trekken.

Tegen de Inhoud.
Tegen de Persoonlijkheid.
Tegen de Essentie.

(p. 16)

Tegen die versimpelingen (inhoud, persoonlijkheid en essentie) plaatst hij een blauwe vogel, een bergwand, een nijlpaard en een kanon. Maar het is niet een eenvoudige verkettering van een theorie en een omhelzing van de werkelijkheid. In wezen is het een roep om fantasie en speelt Duinker met het wezen van objecten en dieren. Op die manier zijn stenen en vlinders - ondanks het grote verschil in gewicht - inwisselbaar. In Duinkers gedichten kunnen twee heel verschillende dingen aan elkaar gelijk zijn, ze zijn immers niet 'echt', maar van papier; ze bestaan alleen in het gedicht:

Ik wens met kracht drie stenen,
Het kan me niet schelen waarvoor,
Als het maar drie stenen zijn
En vlinders tegelijk.

Gisteren zag ik een essentie.
(p. 32)

En die essentie is kennelijk van groot belang. Duinker dicht vaak over dingen, over aanwezigheid, over zijn en niet-zijn:

Ik zie dingen die ik eerder heb gezien terwijl ze nieuw zijn.
Ik zie dingen die kalm zijn en ademen.
Ik zie dingen die ademen, terwijl de wind opsteekt

(p. 33)

In een ander gedicht worden de dingen en de logica overdacht:

Noem de dingen bij hun naam
Eet ze op!

Is morgen onmisbaar voor de logica?
(p. 23)

Zulke regels staan in veel gedichten, zoals:

Ik heb nooit iets begrepen.
(p. 20)

Het laatste gedicht uit de bundel heet 'Pasteis de Tentugal' en is een opsomming van gebeurtenissen, waargenomen in een aantal cafés in Coimbra en Figueira da Foz (Portugal) van 23 tot 27 december 1983. Die zijn beschreven in één of twee regels en genummerd van 1 tot 99:

29. Jongen komt binnen, geeuwend, boek onder de arm

30. Jongen komt binnen, tong tussen de lippen

31. Vrouw met rode trui en zwarte sjaal draait zich om
(p. 42)

Losse gedichten (1990)

Losse gedichten, Arjen Duinkers tweede bundel, verscheen in 1990. Ook in deze bundel speelt de liefde voor alledaagse dingen een rol. Wat ongrijpbaar is, moet juist concreet worden: van abstracties maakt hij een 'waaier van hout'.

Als jij me abstracties geeft,
Geef ik jou een waaier van hout.
Als jij me abstracties geeft,
Neem ik een takje tijm.

Als jij geheimen verklapt,
Rijd ik op een zwarte wagen.
Als jij geheimen verklapt,
Voel ik weemoed.

(p. 7)

De ik-figuur mijmert over het leven en besluit dat het voortdurend nadenken over 'de dingen' niet gelukkig maakt:

Als de olijven haast rijp zijn
Op de uitgestrekte vlakte buiten het dorp,
Als de olijven haast rijp zijn,
Ga ik er na zonsondergang op uit.

Ik denk na en zie weinig.
Soms denk ik extra na, bijzonder diep en met gevoel voor details,
Zoals alleen hij kan die extra nadenkt,
Om te beseffen aan de rand van het dorp
Dat mijn geluk niet in nadenken ligt.

(p. 15)

Het leven speelt zich af buiten het denkende brein en geluk is doorgaans elders. Onrust en het verlangen op een andere plaats te zijn spelen dan ook een rol van betekenis in de gedichten van Arjen Duinker:

Door euforie gedreven,
Door een of andere euforie gedreven ga ik van huis.
Zonder om te kijken
Verruil ik de besneeuwde toppen
Voor een vlakte, als de onrustige rivier
Aan wier oever de vissers dag na dag wachten.
Door euforie gedreven, slinger ik rond,
Slinger ik mij door een werkelijkheid
Waarin het miniemste nog enorm is.
Ik koester geen verwachtingen.

(p. 26)

Arjen Duinker, Losse gedichten (1990)
Losse gedichten (1990)

Arjen Duinker, Losse gedichten (1990)

Arjen Duinker, De gevelreiniger en anderen (1994)
De gevelreiniger en anderen (1994)

Arjen Duinker, De gevelreiniger en anderen (1994)

De gevelreiniger en anderen (1994)

In De gevelreiniger en anderen (1994), de derde bundel van Duinker, staan net als in de andere bundels regelmatig opsommingen. Zo is er in het gedicht 'Papiertje' sprake van drie personages, die alledrie (n)iets betekenen:

De paarse vlinder is veelbetekenend.
De gepassioneerde bloem iets minder.
Het gras is zijn betekenis voorbijgegroeid.
Ik zit zonder.

In de laatste strofe kijken de drie personages en de ik-figuur (het vierde personage) een wegwaaiend papiertje na:

Vlinder, bloem, gras, ik,
We kijken het papiertje na
Met verschillende soorten van ontzag.
De avond wordt voelbaar.

(p. 18)

Het lange titelgedicht, 'De gevelreiniger', bevat schijnbare tegenstellingen, zoals 'onbegrepen met zijn begrippen'. Het gaat erin om de tegenstrijdigheid van het leven.

Alleen op zijn fiets
Gaat de reiniger van gevels,
Onbegrepen met zijn begrippen.

Hij waant zich helder,
Maar een onbestemde angst
Rijdt rond in zijn borst.

(p. 49)

Bijna aan het slot van het gedicht wordt gezegd:

Hij heeft verlies geleden,
Daden berouwd, aan zin getwijfeld,
Zijn leven op het spel gezet,

Met gruis versierd.
Er zullen andere gevels komen,
Nieuwe stellages, nieuwe steigers.

(p. 51)

In het gedicht 'Persconferentie' wordt een denkbeeldige persconferentie gehouden over de kakkerlak. De kakkerlak - het minst geliefde huisdier wellicht - wordt voorgesteld als een insect dat een woordvoerder nodig heeft. De kakkerlak wil niet te veel aandacht, maar wil zich kunnen 'ontplooien':

Hij wil met rust gelaten worden.
Hij accepteert een van ons als huisbaas
Op voorwaarde dat hij zich kan ontplooien.
Hij houdt zich aan de wet.

Het gedicht eindigt met een mengeling van terughoudendheid en tips:

Of hij een reïncarnatie is? Geen commentaar.
(p. 38)

Arjen Duinker, De geschiedenis van een opsomming (2000)
De geschiedenis van een opsomming (2000)

Arjen Duinker, De geschiedenis van een opsomming (2000)

Arjen Duinker, L'histoire d'une énumération (2003)
L'histoire d'une énumération (2003)

Arjen Duinker, L'histoire d'une énumération (2003)

Arjen Duinker, Misschien vier vergelijkingen (2002)
Misschien vier vergelijkingen (2002)

Arjen Duinker, Misschien vier vergelijkingen (2002)

Arjen Duinker, Misschien vier vergelijkingen (2002)
Misschien vier vergelijkingen (2002)

Arjen Duinker, Misschien vier vergelijkingen (2002)

Misschien vier vergelijkingen (2002)

De bundel Misschien vier vergelijkingen (2002) werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs in 2003. De titel van de bundel slaat op wiskundige vergelijkingen en in het titelgedicht wordt een gewone situatie op een quasi-meetkundige wijze uitgelegd:

Dat is belangrijk,
Weten met welke factoren die hond rekening houdt
Wanneer hij zich een fractie naar het oosten
Of naar het westen beweegt.
Vergelijk die kwestie met de motieven van verzamelaars
En vergelijk die weer met de levensduur van stoplichten.

(p. 48)

In hetzelfde gedicht lopen de aantallen af, eerst 'vier vergelijkingen', vervolgens 'twee grappen', daarna 'geen reclame':

Voor de wiskundige
Zijn wij misschien vier vergelijkingen,
Voor de komiek
Zijn we minstens twee grappen,
Voor de autodealer
Zijn we geen reclame.

(p. 64)

In De volkskrant (6 september 2002) schreef Piet Gerbrandy over de systematiek van Misschien vier vergelijkingen: 'Het viervoud speelt in dit boek een prominente rol. Er zijn vier afdelingen en vier personages. Alle gedichten staan tussen aanhalingstekens en worden in de mond gelegd van de Venetiaanse architect Carlo Scarpa (1906-1978), de vrouw met de oorbellen, de vrouw met de sproeten en de Indiase zanger'. Het eerste gedicht, 'De molentrap van Scarpa', begint bijvoorbeeld zo:

Scarpa zegt tegen alledrie:

'Welkom in mijn binnenste
En welkom op mijn trap.
O trap van weinig treden!
O trap en treden die ik bedacht!
Aan u, mevrouw met sproeten,
Aan u, mevrouw met oorbellen,
Aan u, Indiase zanger...
Spreek in woorden van glas.
Spreek in woorden van beton.
Spreek in woorden van water!'

(p. 9)

De bundel eindigt met verlangen naar zintuiglijkheid:

Ik wil aan zee staan en zintuigen krijgen.
Aan zee staan en alle woorden kennen, dat wil ik.

Aan zee staan en me niet gewonnen geven, dat wil ik.
Ik wil aan zee staan en zingen met mijn lichaam.

(p. 79)

Starfish = Zeester = Etoile de mer = Estrella de mar (2006)
Starfish (2006)

Starfish = Zeester = Etoile de mer = Estrella de mar (2006)

Starfish = Zeester = Etoile de mer = Estrella de mar (2006)
Starfish (2006)

Starfish = Zeester = Etoile de mer = Estrella de mar (2006)

Arjen Duinker, Buurtkinderen (2009)
Buurtkinderen (2009)

Arjen Duinker, Buurtkinderen (2009)

Arjen Duinker, Buurtkinderen (2009)
Buurtkinderen (2009)

Arjen Duinker, Buurtkinderen (2009)

De gedichten in Buurtkinderen zijn opgedeeld in acht delen zonder duidelijk thema; het is de eerste bundel na negen jaar waarin losse gedichten staan die geen deel uitmaken van een reeks. Buurtkinderen is een forse bundel van 214 pagina’s met wisselend lange en korte gedichten. Een gedicht kan aansluiten op een vorige maar kan er ook niets mee te maken hebben. In de gedichten staat vooral de taal en in mindere mate de betekenis centraal.

Duinker maakt zijn poëtica duidelijk in 'Vogels antwoorden niet' door middel van een woordenspel. Zijn gedichten gaan vooral over observaties en hoeven zijns inziens niet per se over diepere verbanden of oorzaken te gaan: 'alles is wat het is' (Ons erfdeel, 41 (1998)):

Men zegt dat een gedicht ergens over gaat.
Ik zeg dat een gedicht nergens over gaat,
Of ik zeg dat een gedicht niet over ergens gaat.
Maar vandaag zeg ik dat een gedicht ergens over gaat.

Sterker nog, ik zeg vandaag dat een gedicht gaat
Over de woordjes ‘de’ en ‘een’, als die tenminste ergens zijn.
Voor het gemak in achtvoud:
De de de de de de de de,
Een een een een een een een een.
Drieëntwintig keer kan natuurlijk ook.

(p. 198)

Hij benadrukt zijn poëtica ook in het korte en ironische 'Geen gedicht', dat terugverwijst naar het lange openingsgedicht van de bundel ('Een gedicht'):

Idem.
(p. 14)

Of in het frivool aandoende 'Gedicht met idealen':

Ik vind een appel
Mooier dan een peer.

(p. 35)

Duinker is vaak geprezen om zijn associatieve taalspel met ogenschijnlijk duidelijke bewoordingen. Hij maakt ook in Buurtkinderen gebruik van oorspronkelijke vergelijkingen, zoals in 'Leve de camouflage!':

Het oninteressante is concreet als een hond,
Vorstelijk als een rog, uniek als een kikker,
Het oninteressante is sentimenteel als een vlo,
Ruimhartig als een baviaan, zacht als een raaf.

Maar, hij merkt op:

Laten we de dierenwereld verder vergeten…

En hij gaat door op andere voet:

Het oninteressante is aandoenlijk als een tas,
Abstract als een koekje, schoon als een bril.
Het oninteressante is nieuwsgierig als een kapstok,
Vrij als een zeem, schitterend als een tafel.

Maar ook die 'wereld' moet vergeten worden:

Laten we de wereld van de dingen vergeten, en snel…

Het oninteressante is magazijnchef,
Loodgieter, demagoog, landmeter,
Psychiater, laborant, vuilnisman,
Hofnar, touwslager, empirist.

Het gedicht wordt afgesloten met een feestelijke uitroep:

Laten we ook de wereld van de functies onmiddellijk vergeten!

Leve de camouflage!
(p. 102)

Maar Duinker speelt niet alleen met woorden en hun betekenissen, hij creëert er ook nieuwe beelden mee. Zo beschrijft hij een ontmoeting in een bepaald landschap, met een 'Silo':

Wat doe je? Wat wil je? Ben je alleen?

De vrouw met het litteken rookt een sigaret
En bekijkt me nieuwsgierig.

Ik ben hier voor het vergelijken van de dageraad.

In de verte liggen heuvels bezaaid met bessenstruiken,
In de verte liggen heuvels achter de heuvels.
Zijn het noties, symbolen, klanken?
Ik bekijk de vrouw nieuwsgierig.

(p. 83)

Hoewel de gedichten enorm kunnen verschillen van onderwerp en lengte, zijn er ook enkele constanten te vinden in Buurtkinderen. Op typografisch gebied begint elke regel (zoals in de rest van Duinkers oeuvre) met een hoofdletter en zijn de titels in hoofdletters gespeld, maar ook het getal acht keert telkens terug in Buurtkinderen. Dit bleek al in het hier eerst geciteerde gedicht waarin 'de' en 'een' acht keer herhaald werden, maar het getal acht komt ook in andere gedichten terug, zoals in'Begin van de dag':

De vrouw vroeg dromerig:
'Wat denk je, hoeveel soorten ruimte telt onze wereld?'
'Acht,' antwoordde de man die blij was met die vraag.

(…)

En de vrouw vroeg dromerig:
'Met hoeveel monden zal ik je kussen?'
'Acht, dat zou het mooiste zijn,' antwoordde de man.

(p. 21)

Een liggende 8 is het symbool van de oneindigheid.

Catalogus (2016)

In 2016 verscheen de bundel Catalogus bij Querido. Arjen Duinker heeft een kenmerkend stijlelement – herhaling – op extreme wijze doorgevoerd in deze bundel. De gedichten bestaan enkel uit zelfstandige naamwoorden. De titel verwijst hiernaar: een catalogus is ook altijd een opsommend systeem, in dit geval is het een catalogus van substantieven.

Arjen Duinker, Catalogus (2016)
Arjen Duinker, Catalogus (2016)

Arjen Duinker, Catalogus (2016)

Arjen Duinker, Catalogus (2016)
Arjen Duinker, Catalogus (2016)

Arjen Duinker, Catalogus (2016)

Maar wat moet de welwillende lezer nou met deze gedichten? Of, zoals Alfred Schaffer over Catalogus zei in De Groene Amsterdammer (28 november 2018): ‘Er zullen vast lezers zijn die denken, ja, zó kan ik het ook.’

Een optie is om je te laten meevoeren op het ritme en de klank van de taal. In een interview op Meander(24 maart 2014) benoemt Duinker het belang van klank in zijn poëzie. ‘Ik wil mijn publiek ook het geluid van de Nederlandse taal laten horen. Het is een mooie taal, waar ik trots op ben.’ In Catalogus speelt Duinker ook met klank. Soms laat hij zijn woordkeuze daarvan afhangen, zoals hieronder, waar de klanken in het woord ‘vouw’ steeds woorden met verwante klanken tevoorschijn halen:

Vouw schaduw vouw water
Vouw zout vouw voet

(p. 34)

De lezer kan de tekst ook over zich heen laten komen en zijn of haar associaties de vrije loop laten gaan. Er ontstaan vanzelf schetsen van situaties of gebeurtenissen, die voor iedereen zullen verschillen. ‘Vogel bloem weggetje bloem’ (p. 35) doet bijvoorbeeld denken aan een wandeling door de natuur in de lente, vol ontluikende bloemen en zingende vogels. Zo bekeken verschilt Duinker thematisch ineens niet zo veel meer van Herman Gorter.

Met een beetje verbeelding kan een spanningsboog in de gedichten worden herkend. Misschien wordt er in het gedicht ‘Mier vogel stoel weggetje’ wel een moord gepleegd:

Deur pistool vlieg t-stuk
Steen vierkantje vlakje vogel
Voet voet liniaal pistool
Ruit deur vierkantje steen
Bloem echo schaduw echo
Scharnier vlieg vlieg vlakje

(p. 39)

Wat gebeurt hier? Komt er iemand met een pistool aan schuifelen, gooit die vervolgens de ruit in met een steen of schopt hij de deur open? Wat is de echo: misschien het pistoolschot, of de nagalmende schreeuw van het verraste slachtoffer? Sluit de moordenaar vervolgens snel de deur, die met krakend scharnier in het slot valt? En dan duikt later in de gedichten ook nog eens een spook op: misschien wel de geest van de overledene die geen rust kan vinden…

Door de reeksen zelfstandige naamwoorden gebeurt er veel in Catalogus. De lezer kan hoe dan ook een hoop plezier beleven aan de toevallige verbanden tussen de woorden die tijdens het lezen kunnen ontstaan.