Gedichten van Armando, 1965-1979

Hemel en aarde (1971)

Zeven jaar na zijn debuut publiceerde Armando de bundel Hemel en aarde (1971).

Armando, Hemel en aarde (1971)
Armando, Hemel en aarde (1971)

Armando, Hemel en aarde (1971)

Armando, Hemel en aarde (1971)
Armando, Hemel en aarde (1971)

Armando, Hemel en aarde (1971)

Hemel en aarde is opgedeeld in drie reeksen: 'De schepping', 'Het gevecht', en 'De ondergang'.De bundel herinnert aan het scheppingsverhaal van Genesis, maar benoemt dit nooit expliciet. Armando verbeeldt met zijn scheppingsmythe een wereld die zijn onschuld heeft verloren. De bundel begint met de schepper:

roerloos staat hij op de rots, de harde liefde van een god
vermoedend, wetend van moed en heldendom.

hij staart naar de glazige golven, geen levend wezen te bekennen:
hij voorziet een kille schepping

(p. 83)

Armando creëert zijn eigen mythe, een kille en wrede schepping. Hij laat de methode van het ‘isoleren en annexeren’ uit zijn Gard Sivik-tijd nu links liggen. Het blote noteren heeft plaatsgemaakt voor de grote poëtische greep van een mythische vertelling:

even zag hij alles:
licht en donker, een apatische ruimte, geen worden,
slechts snelheid.
als een druppel de brakende zeeën, landen,
het zware gebaar van de dader, vergeefs.

alles kijkt, zwijgt, is verstijfd.
(p. 85)

Hier wordt een schepper als hij-figuur gepresenteerd:

paarden hollen voort …

het is de orkaan, die de ziener laat heersen.
het is zijn langste dag. de triomf van een verlatene.

(p. 93)

Net als in Genesis is deze Schepper geen lieverdje. Het creëren van het heelal geeft hem veel macht, vooral omdat hij de enige is die dit kan. De dichter doet dit overkomen als een voorrecht. Hij geeft echter ook een rol aan het landschap, die de razernij van de schepper misschien een beetje indamt:

als lokaas van de oceaan: de branding braakt slechts zwavel.
zijn woede wordt gekoeld, zijn eeuwig talmen:
laat dit woeste land een zegen zijn.

(p. 93)

Het middenstuk van de bundel is getiteld 'Het gevecht'. Bij Armando staat het geweld centraal:

stil is het nooit,
steeds vliegen de kogels door ’t rimpelloze hoofd.
een meesterlijk schot.

vermoedelijk was het slachtoffer bedolven, wie let ons.
(p. 106)

Deze gewelddadigheid is mogelijk een verwijzing naar de gebeurtenissen die Armando als kind heeft meegemaakt bij zijn toenmalige woonplaats Amersfoort, waar tijdens de Tweede Wereldoorlog een concentratiekamp was gevestigd. Armando geeft meestal weinig prijs over zijn ervaringen, maar in 'AVRO Kunstuur' (13 april 2014) was hij specifiek: 'Wij hadden twee onderduikers'. Verder bevat de prozabundel De straat en het struikgewas (1988) aanwijzingen. De jonge hoofdpersoon uit deze bundel ziet hoe het kamp wordt opgebouwd en hier wordt ook beschreven hoe een Duitse soldaat wordt vermoord. Ook in Hemel en aarde wordt iemand om het leven gebracht:

kniel neer, het gevecht is voorbij;
een dierlijk mens, te pril om te leven, vindt zijn hemelrijk.

(p. 110)

Het gevecht gaat ook over de deportatie van gevangenen:

zo werden wij vervoerd, naar slechtere oorden.
de roes van een nieuw leven, de foltering van een droom.
een achtervolging van het verleden.

(p. 121)

Het lot van gevangenen staat hier centraal. Na de barakken van Amersfoort worden zij vervoerd naar Duitsland, waar hun het onbeschrijflijke stond te wachten. Armando plaatst deze ondergang in het mythische verhaal:

neem de zachte hand van de ziener en volg hem naar de ondergang,
ik weet niet waar ik over spreek.
de zon droogt langzaam op, hier
is de muur van de aarde, een pikzwarte schijf.

(p. 129)

De ik-figuur doet hier voor het eerst zijn intrede. Dit wekt verwarring in de hand, want valt deze 'ik' samen met de ziener of met de kwade profeet? Waarom gaat de 'ik' in deze reeks ook ten onder, is hij een medeplichtige? 'De ondergang' doet denken aan de Dag des Oordeels. Hierna wordt het landschap gereinigd:

dit lege landschap mist geen levend wezen.
(p. 143)

zie, een hemel zonder bodem.
het licht wenkt het water, het land is voorgoed verdwenen.

(p. 144)

Dit terrein verraadt niets meer van de bittere strijd die zich er ooit heeft afgespeeld. Dit is het 'schuldige landschap' dat in Armando’s oeuvre een essentiële rol speelt.

De denkende, denkende doden (1973)

De oorlog en het geweld komen in 1973 nog scherper in beeld. De titel van Armando’s derde bundel De denkende, denkende doden. Herinneringen (1973) is daarom belangrijk.

Armando, De denkende denkende doden (1973)
Armando, De denkende denkende doden (1973)

Armando, De denkende denkende doden (1973)

Armando, De denkende denkende doden (1973)
Armando, De denkende denkende doden (1973)

Armando, De denkende denkende doden (1973)

Armando, Vorstin der Machtelozen (1972)
Armando, Vorstin der Machtelozen (1972)

Armando, Vorstin der Machtelozen (1972)

Armando, Vorstin der Machtelozen (1972)
Armando, Vorstin der Machtelozen (1972)

Armando, Vorstin der Machtelozen (1972)

In deze bundel wekt Armando de doden weer tot leven, om aan de oorlog te kunnen herinneren. In het openingsgedicht is sprake van een dode aan de kust, wat de invasie van de Geallieerden in Normandië in gedachten brengt:

waar zon is en gapende kust, de tijd weer rijp voor rouw,
waar wind is en schamele aarde,
daar werd hij wie hij is:
een denkende, denkende dode.

(p. 147)

Verderop beschrijft de dichter een stenen zee die vaandels draagt; zijn deze van gevallen soldaten? De zee is ondanks alle verschrikkingen onveranderd gebleven.

de grote stenen zee torst miljoenen vaandels.
het land beweegt.
zie, de doden sloten leven af en zweven:
laat hen nog eeuwen streven.

(p. 159)

Hier wordt de zee, en daarmee het landschap, als opslagplaats gezien. Het landschap herinnert aan de geleden strijd en herbergt de doden. Tegelijkertijd doemt er iets op dat een bedreiging vormt voor deze geschiedenis:

de avond komt met schokken. val aan en
vreet de aarde kaal, verberg uw stenen keel:
weersta mij niet, ontzie mijn eerste vijand.

(p. 166)

De spreker in het gedicht is vertwijfeld en gaat het duel met zijn herinneringen aan. Aan het einde wordt het landschap van de doden weer rust gegund:

laat hem de stilte na jaren medeweten.
(p. 200)

Het laatste deel van de bundel is de reeks 'Vorstin der machtelozen', die in plaats van de vele mannelijke figuren die Armando opvoert, een vrouw centraal plaatst. Het gaat om een vermeende prostituee uit de Bijbel, Maria Magdalena. Ze was zowel zondares als getuige van de kruisiging van Jezus. Deze reeks werd in 1972 voorgepubliceerd als bibliofiele uitgave van de Eliance Pers. Het frontispice daarvan beeldt de oorsprong (of Genesis) af. Maria Magdelena's rol van getuige wordt hier ook in verband gebracht met de oorlog:

vorstin der machtelozen.
verloren haar beeld dat van geen sterven wist
en toch de dood bezong, haar macht, waarvan
zij wist te winnen.

(p. 202)

Het gevecht (1976)

In de bundel Het gevecht uit 1976 is een kort voorwoord opgenomen: 'Het gevecht is een autobiografisch gedicht. Het gevecht vond 31 jaar geleden plaats in de bossen rond Amersfoort; het werd voltooid op het eiland Thera in 1972'. Het geweld dat Armando in Amersfoort waarnam, wordt in een scènewisseling van Amersfoort naar Thera omgezet in een mythisch verhaal.

Armando, Het gevecht (1976)
Armando, Het gevecht (1976)

Armando, Het gevecht (1976)

Armando's handtekening uit Het gevecht (1976)
Handtekening Armando

Handtekening uit Armando, Het gevecht (1976)

Twee kinderen uit Het gevecht (1976)
'Twee kinderen' uit Het gevecht (1976)

Twee kinderen uit Armando, Het gevecht (1976)

Illustratie in het gevecht (1976)
Illustratie in Het gevecht (1976)

Illustratie in Armando, Het gevecht (1976)

Binnenomslag Het gevecht (1976)
Binnenomslag Het gevecht (1976)

Binnenzijde vooromslag van Armando, Het gevecht (1976)

In de eerste uitgave - er verscheen in 1987 een tweede - gaat de tekst vergezeld van tekeningen zoals die van een veld met in de verte een omheining. Dit doet denken aan Armando’s latere schilderij 'Der Zaun' (2012). 'Der Zaun' geeft de ingang tot het kamp weer, de met prikkeldraad omheinde 'rozentuin'. Ondanks het autobiografische voorwoord, gaat dit gedicht niet alleen over Armando:

hoor de haat in chaos vergaan, hoor
het stormen van de dood: de winter, de winter.

(p. 213)

hoe waait haar adem langs de hemel, zij
laat de slaven manen: kom en waag,
wij wachten.

(p. 214)

Met deze twee gedichten opent de bundel, waarin wordt getracht de natuur en cultuur (de mens, het geweld) te verbinden. De natuur, als stille getuige, verbeeldt de gemoedstoestanden van de spreker in het gedicht. Vooral de winter is hier symbool voor depressie en stilstand.

Toch gebeurt er een wonder, een kind wordt geboren. Dit doet weer denken aan het Genesis-verhaal, waarin Eva eerst Kaïn baart en dan Abel:

zij, zachte moeder, zij kleurt en zoogt de zomer,
zwanger van zon, zij baart het stugge kind,
uit de bosrand geboren.
zij, zachte moeder, zij baart de verende aarde, zij
warmt de val van het vechtende kind, dat
man tegen man berecht.

(p. 222)

Het gevecht dient zich vrij laat aan en de eigenlijke strijd is ondergeschikt aan het resultaat:

o, hel, heb ik hem toch verslagen, dat ik
als dader dool?

(p. 249)

De dader heeft hier wederom een slachtoffer geveld. Toch betekent dit niet dat de dader een straf krijgt uit te zitten:

ik ben opgestaan. er is.
(p. 259)

De dader staat weer op en hiermee wordt het cyclische karakter van de bundel benadrukt. Na de strijd begint alles opnieuw.