Ester Naomi Perquin en de kritiek

Servetten halfstok (2007)

Ester Naomi Perquin zou voor haar debuutbundel Servetten halfstok uit 2007 zowel de debuutprijs van poëzietijdschrift Het liegend konijn als de Eline van Haaren-prijs ontvangen, maar de poëziekritiek reageerde in eerste instantie wat gereserveerd op deze nieuwe dichter.

Ester Naomi Perquin, Servetten halfstok (2007)
Ester Naomi Perquin, Servetten halfstok (2007)

Ester Naomi Perquin, Servetten halfstok (2007)

Ester Naomi Perquin, Servetten halfstok (2007)
Ester Naomi Perquin, Servetten halfstok (2007)

Ester Naomi Perquin, Servetten halfstok (2007), met een portretfoto door Sander Vermeer

Rob Schouten schreef bijvoorbeeld in Vrij Nederland op 21 april 2007 dat hij kon merken dat Perquin de Schrijversvakschool had bezocht: 'Ze komt binnenzetten met vakbekwame, welgevormde poëzie, maar het oogt ook ietwat ouwelijk voor een vrouw van zesentwintig en na een tijdje miste ik zelfs de onbezonnenheid van een pure beginneling.Of dat laatste aan de schrijfopleiding ligt of aan haar eigen temperament, weet ik niet, opvallend is het wel: elke wildheid ontbreekt.'

Maar Schouten had niettemin lof voor Perquins beheersing: 'Een debuut als Servetten halfstok demonstreert dat er te midden van al die dichterlijke podiumtijgers, effectbejagers en genreverbreders (met cd) ook bij debutanten en jongeren nog wel plek is voor een meer traditionele poëzie, waarin de dichter, om het maar eens eenvoudig te zeggen, de dingen des levens een extra glans geeft door ze treffend te formuleren of een beetje boven zichzelf uit te tillen.'

Toen Servetten halfstok werd genomineerd voor de Buddingh’-prijs voor het beste debuut schreef Ilja Leonard Pfeijffer in NRC Handelsblad (15 juni 2007) dat de poëzie van Perquin evenals die van de andere genomineerden ging over 'observeren en observaties'. Pfeijffer citeerde het gedicht 'Wat niet weet, wat niet valt': 'En dan komt er nog zo'n pienter gedachtetje bij, zoiets mals wat alleen maar een dichter kan verzinnen: "Maar wie betaalt de mannen die de wolken / langs vleugels trekken? / Wie wasthun hemelsblauwe overalls?" En dan is het gedicht af. Echt zo'n fijn gedicht voor poëzieliefhebbers die een nipje nemen van hun rosé en even opkijken van hun boekje en dankbaar zijn voor het beeld van mannetjes in hemelsblauwe overalls die de wolken voorttrekken.'

Namens de ander (2009)

Bij het verschijnen van Perquins tweede bundel, Namens de ander uit 2009, was de kritiek ruimhartiger. Veel meer dan met haar debuut maakte Perquin met deze tweede uitgave indruk.

Arie van den Berg concludeerde in NRC Handelsblad (27 februari 2009): 'Hier klinkt onmiskenbaar een eigen stem. Een stem die in weerwil van de thematiek verzekerd lijkt. De toon is ook breder dan in Perquins eerste bundel Servetten halfstok'. Van den Berg constateerde een trefzekere toon, een drang naar demonie en allesbehalve de poëtische gaafheid die Perquin bij haar debuut een beetje werd verweten: 'Het taalgebruik in Namens de ander is minder plechtstatig dan het in Servetten halfstok soms was. De innerlijke noodzaak van een enkel vers was in het debuut ook onduidelijk. Dan leek een gedicht soms moedwillig poëtisch. Ook op dit punt is Namens de ander een revanche. Met haar tweede bundel bewijst Perquin het gelijk van de jury's die haar debuut bekroonden.'

Victor Schiferli liet in Het parool (13 mei 2009) weten dat hij in 2007 wel degelijk al onder de indruk was van Servetten halfstok, maar hij constateerde ook dat Perquin bij haar tweede bundel echt grote vooruitgang had gemaakt: 'Met heldere woorden een mysterie oproepen is moeilijker dan op ingewikkelde wijze iets eenvoudigs zeggen. Dat heeft Ester Naomi Perquin in elk geval goed begrepen.'

Erik Lindner was in De groene Amsterdammer van 17 april 2009 nog steeds niet helemaal tevreden. Hij herkende het talent en vermogen van Perquin, maar verwachtte nog steeds veel meer, meer dan wat de tweede bundel wist te bieden: 'Haar bundels zijn twee zorgvuldige en uitgekiende beheerste stappen. Maar ik denk niet dat haar palet beperkt is. Door haar gedichten schemert enthousiasme en nieuwsgierigheid. Hopelijk is dit de prelude voor daverende, grote sprongen.'

Celinspecties (2012)

Met het verschijnen van de derde bundel van Perquin, Celinspecties uit 2012, werd de lof van de kritiek nog iets groter. In Celinspecties dichtte Perquin over het gevangeniswezen, puttend uit haar eigen ervaringen als gevangenenbewaakster. Voor deze bundel ontving Perquin de VSB poëzieprijs 2012.

Erik Menkveld schreef over Celinspecties in De volkskrant (21 april 2012): 'Het mooie en intrigerende van deze bundel schuilt in de vasthoudendheid van die liefdevolle poging tot inleving en het gelijktijdige bewustzijn van de zinloosheid van de hele onderneming. Het openingsgedicht gaat meteen al over de onmogelijkheid je zodanig met andermans bestaan te vereenzelvigen dat je dat als een reddende engel van binnenuit zou kunnen bijsturen.'

Janita Monna was zeer te spreken over Perquins derde: 'Perquins Celinspectieszijn een vorm van verdwijnkunst. Door in andermans huid te kruipen kan Perquin zowel in als buiten het gevang verkeren, kan ze bajesklant zijn én "ondertussen buiten" een geliefde. Of kan ze het uniform van bewaker aantrekken.' (Trouw, 21 april 2012). Het eindoordeel: 'een buitengewoon intrigerende bundel'.

In de Vlaamse krant De standaard (29 juni 2012) schreef dichter-criticus Luuk Gruwez een uitvoerige kritiek over Celinspecties:

'Perquin wil niet zomaar poëzie over ontspoorden schrijven, maar ook over communicatie, en hoe die je kan groter maken, maar ook kan kleineren tot er haast niets meer van je rest. Ze huldigt de humane intentie dat niets van een mens verloren mag gaan. Alleen al door haar grote vermogen tot empathie is zij veel meer op verzoening dan op distantie uit.'

Gruwez citeert uit het slotgedicht van de bundel deze regels: 'Maar jij zei: mijn laatste adem wil ik graag voor thuis bewaren / en ik lachte om je woorden, lachte even om je Bennie. / Sloot de deur achter je rug.'En hij concludeerde: 'De dichteres van deze regels laat haar personages pendelen tussen vrijheid en gevangenschap. Soms is de loopafstand daartussen groot, soms niet. Maar de stem waarmee zij onder meer deze handeling beschrijft, is in enkele jaren tijd behoorlijk onvergetelijk geworden.'

Meervoudig afwezig (2017)

In alle kritieken over Meervoudig afwezig komt naar voren dat Perquin in deze bundel een stuk persoonlijker is geworden dan in haar eerdere werk. De bundel wordt over het algemeen goed gewaardeerd, hoewel sommigen vinden dat ze te weinig durf toont of naar een te schoolse vorm van dichten neigt.

Dieuwertje Mertens beschrijft in Het Parool (21 januari 2017) wat zij in deze bundel mist: ‘de bijtgrage zinnetjes uit voorgaande bundels, zoals in het weergaloze Celinspecties.’ Volgens Mertens houdt Perquin zich in en raakt ze nét niet de zere plek. Ze probeert dit te verklaren door het feit dat Perquin persoonlijker is gaan schrijven dan in haar vorige bundels en daardoor nu meer durf nodig heeft. Mertens’ eindoordeel: ‘De bundel getuigt van vakmanschap en is prachtig opgebouwd, maar mist bravoure.’

Marja Pruis gaat in De Groene Amsterdammer (19 januari 2017) uitvoerig in op het gevoel van onmacht dat de dichter kan hebben omdat het beste gedicht het niet-bestaande gedicht is. Waarom schrijf je nog gedichten als poëzie per definitie slechts een schrale poging is tot het verwoorden van iets hogers? En waarom botsen dichters en niet-dichters voortdurend? Ze ziet deze vragen terug in Meervoudig afwezig en bejubelt het lef van Perquin om zich met grote thema’s als deze bezig te houden in haar gedichten. Pruis: ‘Grote dichters gaan de strijd aan met de begrenzing van feitelijke gedichten, schrijft [dichter Ben] Lerner. Zo ook Ester Naomi Perquin, sterker dan ooit in Meervoudig afwezig.’

In Trouw (14 januari 2017) stelt Janita Monna: ‘Kroop Perquin in het intrigerende Celinspecties in de levens van anderen, van gevangenen, in Meervoudig afwezig stelt ze zich voor een minstens zo gecompliceerde, zo niet haast onmogelijke taak. Hoe 'afwezigheid' te onderzoeken.’ Monna noemt enkele grote vragen die Perquin in haar bundel oproept. Ze waardeert het dat de dichter die vragen heeft verpakt in gewone, alledaagse situaties. Wel heeft Monna haar twijfels over die gedichten waarin ‘Perquins kunnen een kunstje dreigt te worden,’ maar ze zet hier tegenover ook direct de gedichten die zij het mooist vindt. Dat zijn de gedichten waarin Perquin persoonlijk wordt en veel van zichzelf laat zien, bijvoorbeeld wanneer ze schrijft over haar overleden vader.