De gedichten van Eva Gerlach, 1979-2000
Eva Gerlach, Een kopstaand beeld (1983)
Eva Gerlach, Een kopstaand beeld (1983)

Eva Gerlach, Een kopstaand beeld (1983)

Eva Gerlach, Dochter (1984)
Eva Gerlach, Dochter (1984)

Eva Gerlach, Dochter (1984)

Dochter (1984)

Net als in haar eerdere bundels bestaan de gedichten in Dochter (1984) steevast uit 8 regels. Waar de gedichten in de eerste bundel vrijwel steeds uit 2 kwatrijnen bestonden en de 8 regels in de tweede bundel redelijk vrij verdeeld leken, bestaat de opbouw van de gedichten in Dochters strikt uit 5 regels gevolgd door 3 slotregels. In de hele bundel is slechts plaats voor één thema: het kind.

Meeuwen, de hoge, glijdende vooral,
hun rust, hun zeldzame bestuurbaarheid,
jagen haar op sinds zij hun hemelwijd
zoeken vertaalt in de voetlange straal
van cirkels die ik met haar moet beschrijven

tot donker toe.
(p. 29)

Domicilie (1987)

In de bundel Dochter speelt jeugd, kind-zijn en kijken naar kinderen een hoofdrol. In de bundel Domicilie die 3 jaar later verscheen in 1987 beschouwt Eva Gerlach vooral de dood. In 3 x 24 gedichten probeert Gerlach de onomkeerbare dood van geliefden terug te draaien, herinneringen te bewaren en de dood te accepteren. In het allereerste gedicht van de bundel, '7.00', lijkt acceptatie van het onvermijdelijke echter nog ver weg.

Wat lig je stil hart, een mens schrikt ervan.
Weet je waarom. Toen je dood was en ik
je hand losliet lag je ook zo, je wang
opzij en van je vlecht wat losgeraakt
wit naast je hals waarin het niet meer slikte.
Wees niet bedroefd nu ik je wakker maak.

(p. 9)

Eva Gerlach, Domicilie (1987)
Eva Gerlach, Domicilie (1987)

Eva Gerlach, Domicilie (1987)

Eva Gerlach, De kracht van verlamming (1988)
Eva Gerlach, De kracht van verlamming (1988)

Eva Gerlach, De kracht van verlamming (1988)

De kracht van verlamming (1988)

Herinnering is ook het thema van de bundel De kracht van de verlamming (1988). De confrontatie tussen jeugd en dood komt pijnlijk naar voren in het gedicht 'Niet, niet'. De 'ik' wenst vurig dat het 'haar op zijn hoofd dat aan mij denkt' niet verloren gaat.

Die in de zandbak zegt
zo vaak ik aan je denk je naam
en raakt mij aan en legt
schepje en zandvorm neer en doet
alsof zij tegen wind en weer mij roept.

Ik roep terug, niet jou
want in de donkere kast
waar ik je opgesloten houd,
zou je mij toch niet horen
hoe ik ook tegen angst en afstand in
roepen en roepen zou

(p. 10)

In een bocht van de zee (1990)

De titel van de bundel In een bocht van de zee (1990) verwijst naar een citaat uit Tsjechovs Drie zusters, dat tevens als motto voor de bundel gekozen is. In het gedicht 'Met droge voeten' krijgt de 'ik' van haar bedpartner het advies om niet zo te rennen in haar slaap. Gewoon weglopen is beter.

Ik rende water door, gleed uit en viel.
Hou je benen bij je, zei iemand, diep
in slaap naast mij, je schopt me, slaap toch. Sliep
en rende. Nergens water te bekennen.
Gleed uit, viel. Hij naast mij
werd wakker, hielp mij overeind,
klopte mijn kleren af.

(p. 19)

Eva Gerlach, In een bocht van de zee (1990)
Eva Gerlach, In een bocht van de zee (1990)

Eva Gerlach, In een bocht van de zee (1990)

Eva Gerlach, Wat zoekraakt (1994)
Eva Gerlach, Wat zoekraakt (1994)

Eva Gerlach, Wat zoekraakt (1994)

Eva Gerlach, Kruim (1996)
Eva Gerlach, Kruim (1996)

Eva Gerlach, Kruim (1996)

Wat zoekraakt (1994)

In 1994 verscheen Wat zoekraakt, Eva Gerlachs zevende bundel. Ook deze bundel werd goed ontvangen; zij ontving er de Jan Campertprijs voor. Subtiliteit is een veelgenoemde kwaliteit in het werk van Gerlach. In het gedicht 'Buiten schot' zorgt een nauwelijks merkbare verdraaiing van het perspectief voor een humoristische wending. Terwijl de 'ik' naar een 'fameuze ruzie' bij de buren luistert, kan een fietsendief ongestoord zijn gang gaan.

Onder het schreeuwen
van jij en jij, draven op trappen en gooien
met allerlei spullen dacht ik nog dat ik een soort
morrelen hoorde, iets als het rijden van dunne
wielen achter in het straatje, een fietspomp
rustig gehanteerd. Iemand die 's nachts
weggaat op een tochtje, ik lag er
kalm als een kind naar de dingen van grote mensen
naar te luisteren. Zij naast ons
keerden zo te horen hele kasten om, het zou
wat op te ruimen geven morgenochtend,
als wij bezig waren ongehaast,
trommeltjes achterop, naar school te fietsen.

(p. 30)

Kruim (1996)

Bij uitgeverij Herik verscheen in 1996 Kruim, een bundeltje met 12 gedichten van Eva Gerlach. De gedichten worden verlucht door evenzovele los ingeplakte reproducties van schilderijen en prenten van Co Westerik. In het gedicht 'De Overtuin' wacht een ongeduldig gezelschap dat zin heeft in thee op een onverstoorbare plantenliefhebster, die opgaat in haar bezigheden en haar omgeving vergeet.

Zij veegt de sneeuw weg van de stenen bij de
planten, leest hun afgebroken namen. Wij
roepen dat zij mee moet komen, damp
slaat uit onze monden neer; zij blijft
daar zitten op haar hurken, veegt en leest.
Wat maakt het haar uit dat wij ouder, weg-
genomen worden als een zak vol vuil,
lopen willen eer wij as zijn onder
haar voeten. Zij heeft tijd en plaats, haar huid
trekt strak terwijl zij lettergrepen morst
als zaden op de sneeuw, maar zij moet mee -
Doornappel, Bilzen-, Vingerhoedskruid steken
hun dorre armpjes naar haar uit

(p. 25)

Eva Gerlach, Alles is werkelijk hier (1997)

Eva Gerlach, Alles is werkelijk hier (1997)

Alles is werkelijk hier (1997)

In 1997 verscheen Alles is werkelijk hier, een bundel waarin werk van de Tsjechische fotograaf Vojta Dukat becommentarieerd wordt door gedichten van Eva Gerlach. Het gedicht 'Cochabamba' completeert een foto van mannen die aandachtig op straat de voortgang van een bordspel volgen. Alleen een knulletje lijkt de fotograaf op te merken en kijkt enigszins achterdochtig recht in de camera.

Kijk, ze staan allemaal
zo van je afgedraaid
dat ze al zijn verdwenen
voor je ze ziet - alleen
hij in het midden met zijn
kale smoel naar je toe
zit gevangen voorgoed,
opgezet in verhaal.

Stukken klaar om te slaan.
Ergens hier ontbreek ik,
liep, bleef steken en viel.

Samenhang van de ziel
uitgerekt tot voorbij je
lichaampje dient zich aan
als de werkelijkheid.

(p. 29)

Niets bestendiger 1998)

In 1998 verscheen de bundel Niets bestendiger, waarin het gedicht 'Het stille strand' een idyllisch familietafereeltje oproept. Aanvankelijk onbegrip leidt tot grotere zelfkennis bij de 'ik'. De kinderen hebben geen belangstelling voor inktvisruggen die door de 'ik'-figuur enthousiast verzameld zijn:

kalkachtig schuim, gestold, geen spoor van mantel,
zak of armpje, waar je ook begon.
We stapelden ze op, liepen als obers
zwaar beladen langs de branding naar de
kinderen te wenken dat ze moesten
komen maar geen sprake. Lieten zich door
golven hoger dan ouders meenemen, gleden
krijsend de schepen na, kleren zoek onder bergjes
opwaaiend zand verweg. Flarden los schuim
als je ze zag, hun witte
springende ruggen. Daar stonden we met onze handen
vol ontuig dat zij nooit verlangd, gevraagd,
gekozen of van ons, toen dat nog kon,

als neiging tot behoud begrepen hadden.
(p. 35)

Eva Gerlach, Niets bestendiger (1998)
Eva Gerlach, Niets bestendiger (1998)

Eva Gerlach, Niets bestendiger (1998)

Eva Gerlach, Hee meneer Eland (1998)
Eva Gerlach, Hee meneer Eland (1998)

Eva Gerlach, Hee meneer Eland (1998)

Hee meneer Eland (1998)

In 1998 waagde Eva Gerlach zich op nieuw terrein met de publicatie van een dichtbundel voor kinderen, Hee meneer Eland. Deze zeer goed ontvangen eerste bundel kindergedichten werd bekroond met een zilveren griffel en met de Nienke van Hichtumprijs. Het juryrapport bij deze laatste prijs benadrukt dat de gedichten die 'bedrieglijk eenvoudig' ogen bij uitstek geschikt zijn voor kinderen. 'Maar tegelijkertijd is die eenvoud schijn en dat maakt de bundel ook fascinerend voor volwassenen. Er staat meer dan er staat, de gedichten zijn raadselachtiger, geheimzinniger, griezeliger vaak ook [...] dan ze in eerste instantie lijken.' In het gedicht 'Draak' komt er steeds als het 'ik-kind' kwaad of bedroefd op bed ligt te huilen een verschrikkelijke draak langs het raam vliegen:

en ik doe het raam open.
O Draak zeg ik kom bij mij er is geen gevaar.
Hij komt mijn kamer in gekropen met zijn
vreselijke klauwen ieder zo groot als een hand

en wij omhelzen elkaar en dansen de dans
die Draken dansen in tijden van oorlog en hij
schiet ervandoor, een brand in de nacht en ik kijk
hem na, misschien dat ik weer naar beneden ga.

(p. 11)

Voorlopig verblijf (1999)

In 1999, precies 20 jaar na het verschijnen van Eva Gerlachs eerste bundel Verder geen leed (1979) vond haar uitgever De Arbeiderspers het moment gekomen om een verzamelbundel uit te geven van haar werk: Voorlopig verblijf. Gerlach koos zelf de 75 gedichten die opgenomen werden in dit overzichtswerk. Een deel van de gedichten werd voor deze bundel in min of meerdere mate bewerkt. De nadruk van de gekozen gedichten ligt vooral op haar oudere werk; toch is er al duidelijk een ontwikkeling waarneembaar van korte, regelmatige dichtvormen (twee kwatrijnen bijvoorbeeld) naar een lossere vorm, zoals die vooral in de laatste afdeling van de bundel voorkomt. Het gedicht 'Opdracht', afkomstig uit Een kopstaand beeld (1983), is een voorbeeld van een achtregelig gedicht in drie strofen van respectievelijk drie, drie en twee regels.

Onthoud: een laan in juni. Gezeefd licht
streept ons zomerse goed, huiverend staan
wij naast Verzorgingshuis De Bloemenkamp.

Laat vader bij het instappen voorgaan.
Hij is weer bang en krijgt zijn mond niet dicht,
maar laat het er niet uitzien als een kramp:

wanneer de bus ons langs de Weteringen
voert, moet het lijken of hij zit te zingen.

(p. 27)

Eva Gerlach, Voorlopig verblijf (1999)
Eva Gerlach, Voorlopig verblijf (1999)

Eva Gerlach, Voorlopig verblijf (1999)

Eva Gerlach, Solstitium (2000)
Eva Gerlach, Solstitium (2000)

Eva Gerlach, Solstitium (2000)

Solstitium (2000)

De in 2000 verschenen gedichtencyclus Solstitium ontstond in de zomer van 1999 tijdens een tocht die Eva Gerlach maakte door de Schotse Eildon Hills bij Melrose. De bundel vormt een eerbetoon aan de dichteres bij gelegenheid van de toekenning van de P.C. Hooft-prijs 2000 voor Letterkunde. Marianne Aartsen verzorgde de illustraties. De gedichten van Eva Gerlach worden vaak gekenmerkt door haar poëtische visie op haar eigen kijken en waarnemen. In Solstitium neemt zij de lezer aan de hand tijdens een wandeling. Het Latijnse citaat in het volgende fragment in sectie '12' ('Als Jezus komt, gaat de schaduw terug') is volgens de inleiding te vinden naast de zuidingang van de oorspronkelijk 12de eeuwse, in de 15e eeuw herbouwde abdij van Melrose, ongeveer op het punt waar circa 1000 v. Chr. de tegenoverliggende berg tijdens het wintersolstitium zijn verste schaduw wierp.

Loop naar het dorp, het plein,
vind wat gebouwd in later jaren dood
verjagen moest, het fijn gesneden beeld
waarbij geschreven staat Cum venit Jes.
sequax cessabit umbra. Daar waar
het scherp geheven werd, de schaduw kromp

verlaat de bladzij geluidloos
(p. 31)

In het als '13' genummerde gedicht in Solstitium komt de gedachte voor die met enige regelmaat terugkeert in het werk van Gerlach: dat je om dingen te onthouden het beste maar zoveel mogelijk kunt vergeten.

Om nu te weten wat er is gebeurd
moet je vergeten wat je hebt gezien.

Alles hier waar je stond nog staat en verder
bergafwaarts het dorp in is voorbij. Misschien

als je naar huis loopt dat je onbedoeld
niets meer herkent. Moment. De sponning voelt.

(p. 33)