De gedichten van Frans Kuipers, 1965-2004
Frans Kuipers, Zoals wij (1965)
Frans Kuipers, Zoals wij (1965)

Frans Kuipers, Zoals wij (1965)

Frans Kuipers, Een teken van leven (1965)
Frans Kuipers, Een teken van leven (1965)

Frans Kuipers, Een teken van leven (1965)

Frans Kuipers, Een teken van leven (1965)
Frans Kuipers, Een teken van leven (1965)

Frans Kuipers, Een teken van leven (1965)

Zoals wij (1965)

Het debuut van Frans Kuipers, Zoals wij (1965), was een uitgave van Opwenteling in Eindhoven, die beginnende dichters een kans wilde geven om te debuteren met een verzorgde uitgave en de nodige publiciteit. Het succes bleef niet uit: Kuipers ontving prompt de aanmoedigingsprijs voor de poëzie van de gemeente Eindhoven en de bundel werd enkele jaren later herdrukt.

Uit de gedichten spreekt een speciale liefde voor de natuur en de schoonheid van het leven. Kuipers trad daarmee naar eigen zeggen in het voetspoor van de Tachtigers en zou met de bundels van Kloos en Perk onder zijn hoofdkussen hebben geslapen. In het driedelige gedicht 'Zoutelande' beschrijft de dichter een zomerse dag en hij probeert zijn enthousiasme over te dragen op de lezers, die hij bij herhaling aanspreekt:

luister dan
want het was in de zon
en dicht
bij de dansende zee

(p. 10)

Het onbegrip van sommige mensen en hun 'schampere' opmerkingen over het dichtersbestaan

hij was niet goed snik
hij schreef versjes

veegt hij simpelweg van tafel:

sommige mensen
weten niets
van de korenvelden 's zomers
en van de zee 's nachts
en van de zon

De dichter wordt misschien uitgelachen, maar hij geniet van de eenvoudige dingen waar anderen geen aandacht aan besteden. Hij constateert droog:

ze weten niet
wat ze missen

(p. 5)

Het besef dat hij in het bezit is van een onbegrepen rijkdom, is ook te vinden in het gedicht 'Toen', dat gericht is aan een oud-onderwijzer, 'meneer Heesbeen'. De dichter herinnert zich dat de man hem toeschreeuwde dat er niets van hem terecht zou komen. Het doet de ik-figuur dan ook goed hem te laten weten:

dat ik op een kamertje woon
waar de zon
iedere morgen binnenwandelt
eenvoudig
als een hele goede bekende
op mijn stoel gaat zitten
zich uitstrekt op mijn bed

(p. 9)

De dichter beschrijft herkenbare, dagelijkse gebeurtenissen en probeert zo de ogen van de lezer te openen voor de bijzondere aard ervan:

met een verraste blik van herkenning
vrienden van vroeger tegen het lijf lopend
roepend hoe gaat het er mee kerel
of wat ben jij veranderd zeg

(p. 13)

Alsof hij van bovenaf het leven aanschouwt, schetst hij het beeld van mensen die op een mooie dag hebben genoten van de zon en de zee:

in het rimpelend
blauw
hebben zij hun hart
als een spaarpot
in scherven gesmeten

(p. 12)

De liefde voor het eenvoudige wordt ook weerspiegeld in de typografie: er wordt geen gebruik gemaakt van hoofdletters en leestekens. Het gaat puur om de sfeer die hij met zijn woorden wil oproepen. Dat wordt ook duidelijk in het meerdelige gedicht 'Zoals wij', waarmee Kuipers zijn eerste bundel besluit.

credo ik geloof
dat het jonge lenige
lachende buigzame wilde
soepele ontembare sterfelijke
gestroomlijnde en dikwijls zo aandoenlijke
dwaze vochtige prachtige zachte
zwervende zwevende levende
harde huilende onstuimige -

credo ik geloof
dat jouw lichaam en mijn lichaam
amen sesam samen
een hémellichaam geven
roterend in een rood en groot heelal
ik geloof dat ja
of beter gezegd
ik weet het zeker

(p. 19)

Dit gedicht is opgezet als een liefdescyclus - 'voor ineke' - en is opgebouwd uit tien verschillende verzen. De dichter lijkt weg te dromen in de gedachten aan zijn geliefde, maar plotseling onderbreekt hij zichzelf en spreekt de lezer aan:

mensen wat kan het u schelen
het overvloedige gevoelsleven
van een verzenschrijvende
zachtmoedige bastaard
uit de twintigste eeuw

... om even abrupt weer terug te vallen in zijn overpeinzingen over haar:

je rode doodlopende lippen
en de lachspiegels van je ogen

(p. 22)

De ik-figuur verlangt naar haar terugkomst, maar in het laatste gedicht realiseert hij zich dat zelfs mooie herinneringen in de loop van de tijd zullen vervagen. Er zal een dag komen, schrijft hij:

dat je past tussen
mijn duim en wijsvinger
als een luciferhoutje
of een lilliputterprinses

(p. 28)

Een teken van leven (1965)

Het debuut van Kuipers uit januari 1965 werd enkele maanden later in september gevolgd door een tweede bundel: Een teken van leven (1965). Ook in deze bundel is het genieten van de onopvallende mooie dingen van het leven - net als in de eerste bundel - het belangrijkste thema. Het gedicht 'Poëzie' is in dat verband veelzeggend:

poëzie
is een witte vogel
een voorbijganger in een blauwe overjas
een sigarettenpeukje

(p. 10)

De dichter laat er geen twijfel over bestaan:

poëzie
is een eindeloze litanie
is de aanleiding
en het enige ekskuus
voor het schrijven van gedichten

(p. 11)

Het zijn juist de kleine toevalligheden in het bestaan die iemand maken tot wie hij is, laat de dichter weten. Hij illustreert dit idee met - naar eigen zeggen - willekeurige voorbeelden, zoals het ruisen van de zee en rode eikebladeren met regendruppels erop:

want al deze dingen zijn belangrijk
en worden gemakkelijk over het hoofd gezien

(p. 12)

De dichter roept een wereld aan ideeën en associaties op door zijn gedichten te larderen met allerlei kleuren. Rode vogels, zwarte vlinders, groen vuur en een blauwe maan zijn in de poëzie van Kuipers geen onbekende combinaties. Dergelijke vervreemdende effecten worden ook bereikt door gebruik van reclametaal, zoals in het gedicht 'Al deze witte lichamen':

die geschoren
en tabac original
after shave hinterlässt
ein besonders glattes und
straffes Hautgefühl verbunden
mit erfrischender etc.

al deze witte lichamen...
(p. 9)

De dichter lijkt er een genoegen in te scheppen de lezer te verrassen met onverwachte wendingen. Zo beschrijft hij hoe het is om in bed te liggen en te luisteren naar het geluid van de regen en voorbijrijdende auto's, dat uiteindelijk plaats maakt voor een suizende stilte. Het rustige gedicht eindigt:

als je wilt kun je
opstaan kun je het
licht aandoen en
het theelepeltje of
de spiegel onder je
adem laten beslaan of
een briefje schrijven
iedereen kan verrekken

(p. 13)

Ook een liefdesgedicht blijkt geen 'lieflijk gedicht' te zijn:

   dit is een brief aan boord
dit zijn enige regels geschreven
door een die de dagen tussen
zijn vingers voelt glijden
als zand

(p. 24)

De dichter denkt aan zijn geliefde, maar eigenlijk wil hij liever niet van haar dromen, want die dromen zijn leugens en verzinsels:

liever wil ik de groene giftige
moerassen waaruit je voortkomt
onderzoeken liever schreeuwen
in een leeg heelal
dat je niet bestaat

(p. 25)

Over het leven in Den Bosch in die jaren vertelde Kuipers in een interview met Jace van de Ven (Eindhovens Dagblad, 6 maart 2004): 'Andere tijden. Wezenlijk andere tijden. Wat heb je nu nog om je tegen af te zetten? Op een avond in 1966 liepen Hans Vlek, Peter van Lieshout, Frans de la Cousine en ik dwars door Den Bosch. Onophoudelijk declameerden we een gedicht van mij. Wat poëzie is? heette het. Domien van Gent, destijds een soort van kunstambassadeur in Den Bosch, verkondigde dat het een geweldige act was geweest en dat wij van plan waren om, net als in Amsterdam rond het Lieverdje, dichtershappenings te gaan houden bij het beeld van Jeroen Bosch op de Markt. Nou, toen hebben we dat maar gedaan, maar we waren nog niet bezig of de politie kwam met overvalwagens aanzetten en begon op ons in te meppen. De volgende dag waren we voorpaginanieuws in het Brabants Dagblad'.

Frans Kuipers, Van A tot en met Z (1979)
Frans Kuipers, Van A tot en met Z (1979)

Frans Kuipers, Van A tot en met Z (1979)

Frans Kuipers, Van A tot en met Z (1979)
Frans Kuipers, Van A tot en met Z (1979)

Frans Kuipers, Van A tot en met Z (1979)

Van A tot en met Z (1979)

In de vierde bundel van Kuipers, Van A tot en met Z (1979) corresponderen de gedichten met de 26 letters van het alfabet, maar tussen titel (letter) en tekst is geen logisch verband. De flaptekst zegt daarover: 'Het alfabet symboliseert op deze manier alles wat we kunnen waarnemen en ervaren en in taal weergeven'. Hij continueert daarmee de stijl van Gottegot & bubble up (1977) - waarin de gedichten genummerd waren van 1 tot en met 37. Kuipers geeft ook hier onverwachte wendingen aan gewone observaties:

         oktober

Op de vensterbank,
achter het beregende raam;
de kat - urenlang -
kijkt het blad uit de boom.
(p. 28)

Kuipers schrijft niet zozeer over grote existentiële vraagstukken, maar over herkenbare en persoonlijke belevenissen, soms op het onaangename af:

O de platgewalste duif
als een uitsmijter op het asfalt
   &
de vreemdeling die op u toe zal komen
en om een vuurtje vraagt
   &
de hond met haast
uitpuilende ogen
in een benarde hurkzit
schijtend op het trottoir

(p. 5)

Zo realistisch als de bundel begint met het hierboven beschreven straatbeeld, zo onwerkelijk besluit de dichter zijn werk. Als het alfabet inderdaad het leven weerspiegelt, dan geven het eerste en laatste gedicht de onverklaarbare dubbelzinnigheid van het bestaan weer:

Ik ben een stem van een roepende in een riool.
Tussen een behang van schimmel en zwam
blaast mijn balg in het galmgat.

En:

Maar ook loop ik dagelijks door uw journaal
met een ei in elke okselholte

en kwaak
(p. 31)