De poëzie van Gerrit Kouwenaar, 1941-1974

Debuut in 1941 en 1946

Gerrit Kouwenaar begon al jong met dichten. In 1941 liet hij bij de firma Zwaan & Zoon in Alkmaar zijn bundeltje Vroege voorjaarsdag drukken. In de Tweede Wereldoorlog publiceerde Kouwenaar ook enkele gedichten in verzetsblaadjes, hiervoor heeft hij zelfs een half jaar gevangen gezeten. Gerrit Kouwenaar maakte zijn schrijversdebuut in 1946 met twee novellen in Uren en cigaretten. In de jaren daarna schreef hij de roman Negentien-nu (1950), de novelle Val, bom (1950) en Ik was geen soldaat (1951). De hoofdpersonen van de verhalen hebben met elkaar gemeen dat de oorlog hun leven ingrijpend heeft veranderd. De romans waren een succes en werden door het publiek en de kritiek goed ontvangen. Toch koos Kouwenaar ervoor om zich hierna te richten op de dichtkunst.

Gerrit Kouwenaar, ​Achter een woord​ (1953)
​Achter een woord​ (1953)

Gerrit Kouwenaar, Achter een woord (1953)

Gerrit Kouwenaar, ​Hand o.a.​ (1956)
Hand o.a.​ (1956)

Gerrit Kouwenaar, Hand o.a. (1956)

Experimentele Groep Holland

In het begin van de jaren vijftig sloot Kouwenaar zich aan bij de Experimentele Groep Holland. Later ging deze groep op in de Cobra beweging, dit was een groep met kunstenaars uit Copenhagen, Brussel en Amsterdam. De dichters binnen Cobra werden ook wel Vijftigers genoemd. Zij vormden een tegenbeweging tegen de vormvaste moraliserende poëzie van voor de oorlog. Hun poëzieopvatting was dat gedichten vrij moesten zijn van een vastgelegde betekenis of vorm. De gedichten waren dan ook vaak erg associatief en waren geschreven zonder interpunctie.

In Achter een woord (1953) zien we het best hoe Kouwenaar schreef als Vijftiger. Een bekend gedicht uit deze bundel is getiteld 'Elba'. Kouwenaar schreef 'Elba' voor de schilder Constant bij een van zijn tekeningen. De eerste strofe:

Ik draag een waarschuwing bloedjas
en ik sta op elba.
Ik heet napoleon, ik heet o.a. napoleon
en ik sta op elba.
Ik draag honderd namen
en ik sta op elba.
Ik ben de achterkant van een heer.
O lieve generalen, zie mijn snavel
op elba.
Wandel met mij de parken verbanning en twijfel.
Er zijn nachten dat ik opzit als een snavelhondje.
Mijn rots is bruin, ge kunt het zien.
Mijn oog is het raderwerk van uw uitvindingen:
ATOOMBOM! Dank u, heren!

(p. 14)

Kouwenaar had net zoals de andere Vijftigers veel engagement in zijn werk. In 'Elba' zien we hoe hij associeert van Napoleon tot machthebbers in het algemeen en hoe hij uitkomt bij de atoombom. Hij geeft kritiek op generaals die zich laten gebruiken in het machtsspel van de wapenwedloop in de Koude Oorlog. Zij maken het bestaan en gebruik van de atoombom mogelijk.

Vanaf Hand o.a. (1956) ontwikkelt Kouwenaar steeds meer zijn eigen stijl. In 'De taal behoort aan de vogels…' is al iets te zien van de talige poëzie waar hij later bekend om zou staan:

De taal behoort aan de vogels
ik ben te mens om te vliegen
ik sta als een huis op de wereld
gebouwd en dik uit aarde

ik ben ongeveer degene
die schuilgaat binnen de muren
en uitvloeit achter de ramen
van de blauwe achterkamer

het geurt er naar mest en naar liefde
er staat een plant in een kooi
de taal behoort aan de vogels
de mens schuilt weg in het woord -

(p. 36)

Gerrit Kouwenaar, *De stem op de 3e etage* (1960)
De stem op de 3e etage (1960)

Gerrit Kouwenaar, De stem op de 3e etage (1960)

Gerrit Kouwenaar, *Zonder namen* (1962)
Zonder namen (1962)

Gerrit Kouwenaar, Zonder namen (1962)

Gerrit Kouwenaar, *Sint Helena komt later* (1964)
Sint Helena komt later (1964)

Gerrit Kouwenaar, Sint Helena komt later (1964)

Gerrit Kouwenaar, *Autopsie/anoniem* (1965)
Autopsie/anoniem (1965)

Gerrit Kouwenaar, Autopsie/anoniem (1965)

Het gedicht als ding : vanaf 1960

Vanaf De stem op de 3e etage (1960) ontwikkelt Kouwenaar steeds helderder zijn eigen poëzieopvatting en thematiseert dat ook in zijn werk. De laatste strofe van het gedicht 'zijn' luidt:

het gedicht blijft achter
onmogelijk onbekend, het gedicht
behelst het gedicht

(p. 34)

Gerrit Kouwenaar heeft door de jaren heen veel interviews gegeven over zijn werk en poëzieopvatting. Hij veranderde regelmatig van mening, één essentiëel aspect van zijn poëzieopvatting komt vaak terug: de poëzie als ding. In een interview met Piet Calis uit 1964 zei Kouwenaar hierover: 'Ik wil niet schrijven óver iets, geen verhaal, geen gekondenseerd gevoel, niet een woord als vervoermiddel, maar een woord terug brengen tot zijn stoffelijkheid. Ik wil vandaan komen onder de abstraktie, dus de afstand tussen taal en werkelijkheid zo miniem mogelijk maken, en waar ze elkaar bijna raken, waar ze elkaar ruiken, besnuffelen, begint dan de poëzie. Het gedicht als ding.'

Het gedicht als ding is ook in veel van de gedichten zelf het onderwerp. Bijvoorbeeld in 'Als jonge wit-opgebouwde steden…' in De stem op de 3e etage:

als het eindeloze moment voor de inslag
   mijn gedichten

als een standbeeld zonder marmer
als een lichaam zonder vlees
als een stem zonder ogen
als het beginpunt van een cirkel
   elk woord weer
   en elk mens opnieuw
   mijn gedichten

(p. 36-37)

Tegelijkertijd gaan dit gedicht niet alleen over het dichten zelf. Kouwenaar maakt in dit gedicht in totaal negentien keer een vergelijking met 'als' en 'mijn gedichten'. Veel van deze vergelijkingen refereren aan de oorlog of aan de hoopvolle periode net daarna. Voorbeelden hiervan zijn: 'als het eindeloze moment voor de inslag, als platgebrande steden, als jonge onbestaanbare berken ontspringend aan puin'. In de laatste strofe worden de vergelijkingen algemener. Het gedicht wordt steeds meer een ding, het blijft echter ongrijpbaar. Kouwenaar wil woorden terugbrengen tot hun kern zodat ze los staan van strikt persoonlijke associaties. Als gedichten op die manier algemeen worden gemaakt kunnen ze voor elk mens van waarde zijn. Gedichten over het gedicht als ding vindt u ook in Zonder namen, bijvoorbeeld het gedicht 'als een ding'.

In Zonder namen (1962) probeert Kouwenaar zich nog meer los te maken van ingesleten, clichématige benamingen, zoals de namen van kleuren. Kleuren hebben vaak een vaste symbolische betekenis, die Kouwenaar af wil pellen. In het gedicht 'zonder kleuren' is te zien hoe Kouwenaar tot nauwkeuriger beschrijvingen probeert te komen door de vaste betekenissen van kleuren af te zweren. Een fragment:

Kleuren – het komt nog zo ver
dat ik ze afzweer:
het mannelijk blauw, het vrouwelijk rood
het kinderlijk geel
het gezonde luidruchtige groen
het verongelijkt paars, het sluipende rose
dat zijn vader en moeder bedriegt
met tedere leugens en zich ongevraagd
in het mokkende zwart uitstrekt
het zwart dat domweg voor nacht speelt
en het wit, behaarde
illusie van niets

Vanaf de tweede strofe is geen sprake meer van kleuren, Kouwenaar gebruikt hier wel metaforen zoals 'het gezonde seizoen' dat verwijst naar de kleur groen, de 'raven' die de kleur zwart verbeelden en de 'nevels' die staan voor de kleur wit. Hij creëert zo een palet dat preciezer is dan de namen van de kleuren.

het komt nog zo ver
dat ik met een pen met kleurloze inkt
de man en de vrouw en het kind
het gezonde seizoen en de schoppende grafrand
het sluipende vlees en de weerzijds
elkander slopende raven en nevels
openleg meng en vereeuwig

zoals een blinde

zoals een blinde niet ziet
wat men zegt dat er is
maar zegt wat hij tast en betwijfelt –

(p. 18)

Kouwenaar vergelijkt hier de dichter met een blinde. Een blinde moet zich op de tast een beeld vormen van wat er is. Een dichter tast ook maar dan naar woorden, hij voegt ze samen en maakt een nieuwe beschrijving. Beiden twijfelen ze of het beeld dat ze zich tastend maken de werkelijkheid weergeeft.

Gerrit Kouwenaar, *100 gedichten* (1969)

Gerrit Kouwenaar, 100 gedichten (1969)

Ook de onsterfelijkheid en de drang naar het stilzetten van de tijd zijn in deze periode voor Kouwenaar belangrijke onderwerpen die hij onderzoekt in zijn poëzie. In 'diep ademhalen' uit Honderd gedichten (1969) filosofeert Kouwenaar over onsterfelijkheid:

de onsterfelijkheid van 2 à 3 minuten
per lichaam: ik ga niet
dood maar ik ben het

en zo weet ik, terwijl het licht van de lucht
en wat het aan donker ontwikkelt door mijn pupillen
naar binnen slaat: ik weet dat ik
alles al weet, maar gebaar ontdaan van mijn taal: brood
haas radijzen
en kan tenslotte alleen
alleen nog en steeds gemeenzamer wat tintelen
van voedselschaarste
als ik mompelend zwijg en
niets meer ervaar -

(p. 28)

Bij Kouwenaar zijn eten en ervaren vaak aan elkaar gekoppeld. Dit gedicht sterft weg als de 'ik' niets meer ervaart. De 'ik' wordt ontdaan van de taal die voor hem heel belangrijk is. Het enige besef wat hij op het laatst nog heeft is het 'tintelen van voedselschaarste'. De ervaringen doven dus uit totdat ze er niet meer zijn. De onsterfelijkheid zou er dan misschien uit kunnen bestaan dat het ervaren niet ophoudt. De onsterfelijkheid is echter slechts een illusie van het lichaam. Veel ervaren is belangrijk in de gedichten van Kouwenaar. Dit komt ook terug in het gedicht 'Iemand die zich doodmaakt' in Landschappen en andere gebeurtenissen (1974):

Iemand die zich doodmaakt
leeft veel

deze kant van de krant lezend
is de andere onleesbaar

met moet aan alles een vorm geven
zo lang men niet slaapt

(p. 36)

Hieruit blijkt ook wat voor Kouwenaar het belang van ervaringen is. Zolang je wakker bent is het belangrijk om alles te doen wat je kan, om ervaringen op te doen. Maar als je het één doet kan je niet tegelijk het andere doen. In zijn gedichten onderzoekt Kouwenaar deze dilemma's.

Gerrit Kouwenaar, Landschappen en andere gebeurtenissen (1974)
Landschappen en andere gebeurtenissen (1974)

Gerrit Kouwenaar, Landschappen en andere gebeurtenissen (1974)

Gerrit Kouwenaar, *Landschappen en andere gebeurtenissen* (1974)
Portret van Gerrit Kouwenaar (1974)

Gerrit Kouwenaar, Landschappen en andere gebeurtenissen (1974)