De gedichten van Gerrit Krol, 1967-2013

Een morgen in maart (1967)

Gerrit Krol toonde in zijn jonge jaren veel interesse voor wiskunde en techniek. Zijn schrijverschap kwam pas later tot ontwikkeling. Begin jaren zestig publiceerde hij zijn eerste teksten in het tijdschrift over realisme: Barbarber. In 1967 verscheen zijn eerste dichtbundel Een morgen in maart bij uitgeverij Querido. Er heerst een sombere, 'unheimische' stemming in het gedicht 'November' over het leven en sterven in een stad:

Gerrit Krol, Een morgen in maart (1967)
Een morgen in maart (1967)

Gerrit Krol, Een morgen in maart (1967)

Gerrit Krol, De rechte lijn (1975)
De rechte lijn (1975)

Gerrit Krol, De rechte lijn (1975)

Gerrit Krol, Polaroid (1976)
Polaroid (1976)

Gerrit Krol, Polaroid (1976)

Er dringen geen geluiden door;
het park staat in de regen.

Er komt vermoedelijk een vlek
waar het meisje heeft gelegen.

(p. 18)

Stemmingen en emoties blijken belangrijk, hoewel ze meestal niet onder woorden gebracht kunnen worden. Via een omweg probeert Krol het onbeschrijflijke voor de lezer duidelijk te maken:

Men zegt dat van bepaalde vlindersoorten
het reukvermogen
zich uitstrekt over kilometers,
maar of het nu de natuur is
of een oude school,
of een meisje dat in je armen staat
en geurt als zeven jaar geleden
of, als het heeft geregend,
de hartverscheurende kracht van een naaldwoud
- je noemt het,
maar beschrijven kun je het niet.

(p. 14)

Het dagelijks leven wordt zakelijk beschreven in een gedicht dat zo uit een dagboek lijkt te zijn overgeschreven:

Die zondagmiddag in de stad -
geslapen bij A. tot 12 uur,
gelopen met een luchtbed door het park
naar B. die nog niet wakker was,
maar toch afgegeven en thee gehad
en daarna weer door de stad,
op de Nieuwendijk staan kijken
om mij heen, een gewone, grijze,
keiharde zondagmiddag, niets gezien,
naar huis gegaan.

(p. 28)

In het gedicht 'Teken' wordt verslag gedaan van een op zichzelf niet heel bijzondere gebeurtenis, die voor hem toch van betekenis is:

Het stuk papier dat ik eens,
belijdende mijn leegte,
onbeschreven dichtvouwde,
en verzegelde, en verborg
tussen de bladen van een boek
om iemand over honderd jaar
te verneuken - dit papier
vond ik vanmorgen terug.

De dichter verbaast zich over wat hij ziet wanneer hij het vergeten boek opent:

     over de lege
blauwe lijnen liep,
voor het eerst in zijn bestaan,
een dun haastig beestje,
dat had God gedaan.

(p. 39)

De rechte lijn (1975)

Krols liefde en aanleg voor wiskunde klinkt door in zijn poëzie. Ooit ontkende hij in een interview dat bèta en alfa niet met elkaar te verbinden zouden zijn. In het gedicht De rechte lijn - een bibliofiele uitgave door J. Meijer uit 1975 - combineert hij de vrijheid van de poëzie met de terminologie van de wiskunde:

Komt in de natuur een rechte lijn voor
denk je;
de horizon is er een
en de zgn. pijpestelen als het giet,
spiegelbeelden in een waterplas,
de lijn die ze van de wereld scheidt - alleen
met je oog half
in het water zie je dat precies

(p. 1)

Gerrit Krol, De Groninger veenkolonieën (1974)

Gerrit Krol, De Groninger veenkolonieën (1974)

Polaroid (1976)

In 1976 verscheen de verzamelbundel Polaroid (1976), waarin gedichten zijn opgenomen uit Krols debuut en de bundel De Groninger veenkoloniën (1974). Het eerste deel, het vroege werk, bevat voornamelijk korte gedichten, maar naarmate de jaren verstreken, werden de gedichten langer en prozaïscher. De thematiek bleef gekenmerkt door het aanschouwelijk beschrijven van de werkelijkheid. Het aloude thema 'liefde' verwoordt Krol in de typerende vraag:

Wat is het dat ik onder allen
haar zoek, een kind, een ster
die ik in de bloemen vind en in
mijn handen heb, is zij te ver?

(p. 19)

Sommige gedichten zijn zo opgesteld, dat de lezer de indruk kan krijgen dat het om een achteloze notitie gaat, bijvoorbeeld wanneer hij iets vertelt over een voorval. Het gedicht heet 'Herkenning (I)':

Een politieman te paard
deed mij van achteren denken
aan een meisje, niet de man,
maar het paard, ik wist niet
wat het meisje ermee te maken had,
niet meer over nagedacht -
maar later ontdekte ik
wat het was, haar paardestaart.

(p. 36)

Maar ondanks de herkenbaarheid van de observaties, blijft de dichter onvoorspelbaar. Hij zet de lezer op het verkeerde been in het vervolg op het voorgaande gedicht - 'Herkenning (II)':

Ik vond ze langs de kant:
Hartelijk Gefeliciteerd,
daar kende ik ze van,
de lieve vergeet-mij-nietjes,
precies zoals ze zijn: blauw
met geel erin, nee
ik had ze nog nooit gezien.

(p. 37)

In het deel 'De Groninger Veenkoloniën', wisselen beschrijvingen van het landschap en zakelijke informatie over de omgeving elkaar af in zinnen die in eerste instantie meer op proza dan op poëzie lijken. Het gedicht, dat 12 pagina's beslaat, eindigt als volgt:

Geen hortensia's, doch licht op de horizon. Het gebied der eeuwige sneeuw. In de blauwe lucht een lint, gekruld en beschreven met de woorden: Een Schitterende Toekomst.

Een kanaal wordt gegraven en daarna dichtgegooid. Op de nieuwe aarde groeit gras, en boterbloemen. Hagel.

Het hagelt. Lucht blauw.

Vogels zwart.

Lucht grijs.
(p. 91-92)

Een van de laatste gedichten ('Toen') in Polaroid is een ode aan de opmerkelijke zinsconstructie die kinderen vaak hanteren wanneer ze vol enthousiasme een belevenis vertellen:

Toen liepen we in de nacht
en toen zong ik een psalm
en toen zong ik hem niet meer,
toen voelde ik jou, als een dun berkje
en toen nam je mijn smalle gezicht in je handen
en toen vond ik dat fijn

(p. 114)

Maar op deze kinderlijke, quasi-naïeve toon worden onderwerpen besproken die alles behalve kinderlijk zijn:

en toen vocht Castro op Cuba,
dat was toen
en toen fietsten wij over de dijk bij Hobrede
en toen zochten wij een ligplaats,
geil als we waren
en toen vonden wij die niet.

(p. 115)

Gerrit Krol, Wie in de leegte van de middag zweeft (1980)
Wie in de leegte van de middag zweeft (1980)

Gerrit Krol, Wie in de leegte van de middag zweeft (1980)

Gerrit Krol, *Wie in de leegte van de middag zweeft* (1980, p. 11)
Wie in de leegte van de middag zweeft (1980, p. 11)

Gerrit Krol, Wie in de leegte van de middag zweeft (1980, p. 11)

Wie in de leegte van de middag zweeft (1980)

De bundel Wie in de leegte van de middag zweeft (1980) is in feite één lang gedicht (gevolgd door enkele pagina's aantekeningen over het schrijven ervan) en ook hier speelt de wiskunde een grote rol - het boekje bevat bovendien enkele wiskundige figuren:

kleiner dan 2, en terug, en nooit staat hij stil,
zo'n getal heet transcendent.

(p. 11)

Maar zulke wetenschappelijke frasen worden met gemak afgewisseld met bespiegelingen die minder of niets iets met wiskundige formules te maken hebben:

In de leegte van de middag
is dat iemand die diepte voelt,
een kraai op een tak die wegvliegt,
schuin boven zijn schaduw in het licht
van de grote zon in december.

(p. 7)

Maar ook dan gaat het over precisie:

Niet de vlag, maar het wapperen.
Niet de staat, maar het begin.
Niet het paard, maar zijn loop.
Niet de naald, maar het oog.

(p. 9)

Gerrit Krol, *Een rei van ger* (1994)

Gerrit Krol, Een rei van ger (1994)

Een rei van ger (1994)

In het najaar van 1994 verschenen twee andere bijzondere uitgaven: Een rei van ger en Ameland. Het eerste boekje was een speciale uitgave ter gelegenheid van de zestigste verjaardag van de dichter en werd geïllustreerd met linosneden van zijn dochter Ellen Krol. Het gedicht bestaat alleen uit drieletterwoorden die steeds gerangschikt zijn in vier kolommen:

g o d   z e i   z o n   g o d
z e i   m a n   g o d   g a f
h e m   u i t   e e n   r i b
e v a   z i j   z a t   b i j
h e m   g o d   z e i   h o f
g o d   z e i   e e t   d i t

(begin van het gedicht)

Twee gedichten met woorden van vier letters verschenen vervolgens in Opperlandse taal- en letterkunde van Battus (1981) en in 2008 werden de drie gedichten verzameld in de bundel 345 drie histories.

Ameland (1994)

Ameland is een prozagedicht van 72 fragmenten, net als* Laatste gedichten* gezet door Ser J.L. Prop. De stijl herinnert aan 'De Groninger veenkoloniën' uit 1974.

Het idee om naar Ameland scheep te gaan.
Omdat de zon schijnt. Omdat het een eiland is.

Een lange streep op de horizon.
Geen lange streep, maar een wereld op zich. Met een eigen
bevolking. En een eigen taal.

Moeten we fietsen huren?

Het eiland heeft een eigen busdienst.
De chauffeur draagt een schipperspet. Hij wacht.

(p. 1)

Gerrit Krol, Ameland (1994)
Ameland (1994)

Gerrit Krol, Ameland (1994)

Gerrit Krol, De waarheid en de enkeling (1997)
De waarheid en de enkeling (1997)

Gerrit Krol, De waarheid en de enkeling (1997)

Gerrit Krol, Het is onze ervaring (1998)
Het is onze ervaring (1998)

Gerrit Krol, Het is onze ervaring (1998)

De waarheid en de enkeling (1997)

Het gedicht 'De waarheid en de enkeling', dat ook in de bundel Laatste gedichten was opgenomen, verscheen in 1997 apart ter gelegenheid van Krols nominatie voor de VSB-Poëzieprijs. Het gedicht behandelde de uitvinding van de drukkunst (een bekende mythe over Laurens Coster):

Zo stel ik mij dat voor:
hoe op een middag in het woud
rond Haarlem een eenzame
jongen een teken sneed
uit beukehout en dit
liet vallen in het zand
zodat daarin een afdruk stond
zo duid'lijk als het teken zelf;
hij nam het op en
drukte het nogmaals af, op
andere grond, hetzelfde teken
en hoe hij zo de kunst uitvond
der menigvuldigheid die drukt
wat de enkeling weet voor duizenden
en iedereen wat waar is lezen kan.

(p. 13)

Het is onze ervaring (1998)

In 1998 werd het gedicht 'Het is onze ervaring' als herfstgroet gestuurd aan de leden van de Nederlandsche Vereeniging voor Druk- en Boekkunst. De laatste regels klinken herfstachtig:

Soms zijn wíj het
die voorbijgaan, worden we overmand
door weemoed om de dingen die
stil zijn blijven staan.

Gerrit Krol, Minnaar (2001)

Gerrit Krol, Minnaar (2001)

Minnaar (2001)

De bundel Minnaar verscheen bij uitgeverij Cahier in Groningen in 2001 en bevatte 14 gedichten. In het gedicht 'Als' bedenkt een ik-figuur wat hij allemaal zou willen zijn, als hij vrij zou zijn om te kiezen. De gevolgen van de keuze zijn nu eens logisch, dan weer raadselachtig, of zelfs onjuist en hebben allemaal iets tegendraads.

Als ik een kleur was, zou ik wit zijn.
   Was ik een vrouw, dan was ik iets zachts.
Als ik God was - ik zou de mensen straffen.
   Was ik de duivel, dan natuurlijk niet.
Als ik een kip was, zou ik liever een haan zijn.
   Was ik een klok, dan stond ik vaak stil.

(p. 7)

Het gedicht 'Vrij Nederland' is een aanklacht tegen de schijnbare vrijheid in Nederland. Sommige mensen zijn niet vrij terwijl ze dat wel zouden moeten zijn:

Dat er achtenvijftig Chinezen in een scheepscontainer kunnen,
wist je niet; dat weet je pas als
ze allemaal zijn omgekomen.

In hetzelfde gedicht stelt de dichter op een zeer nuchtere manier de relativiteit van het begrip vrijheid aan de kaak. In Nederland zijn volgens hem verschillende soorten vrijheid: enerzijds worden er te weinig misdaden opgelost, waardoor criminelen nog op vrije voeten zijn. Daar staat tegenover dat onschuldige mensen, zoals de Chinezen die een nieuw land zoeken, van hun vrijheid en hun leven worden beroofd. Door het aantal gevangenen en het aantal onopgeloste misdaden in een vergelijking onder te brengen, rekent Krol het volgende uit:

Er lopen dus in dit land dagelijks:
90 gedeeld door 10 maal 60.000, is
540.000, is
een half miljoen mensen buiten
die eigenlijk binnen horen.
(p. 22)

De vergeten kaars (1999)

Voor de Stichting Oude Groningse Kerken schreef Krol in 1999 De vergeten kaars, een lang gedicht naar aanleiding van de 'Cantate Amarus' van de Tsjechische componist Leos Janácek (1854-1928).

Van een monnik, genaamd Amarus, die als taak had elke dag een
kaars te onsteken voor God, de vlam voor Hem brandende te
houden en niet te gebruiken voor andere doeleinden. Dat was zijn
taak. En hij deed dat goed.

Niet de kaars, maar het licht.
Elke dag een andere kaars, elke nacht hetzelfde licht.

Niet het licht, maar de tegenwoordigheid Gods.

Een jonge monnik in de kracht van zijn leven. Een gestalte van
meer dan gemiddelde lengte. Kinderen liepen aan de hand met
hem mee naar het dorp.
(p. 7)

In het gedicht zet Krol in korte, heldere zinnen het leven van de monnik uiteen. Zeer opvallend in dit gedicht is Krols gebruik van de ontkenning, die hij in veel gedichten gebruikt: even is iets van goudbrocaat, dan is het niet meer van goudbrocaat; even weet de monnik iets wel, dan weer niet. Hij illustreert daarmee de vluchtigheid van onze ervaringen, de veranderlijkheid van onze waarnemingen. Amarus vulde zijn dagen met studie en het beschrijven van heiligenlevens:

Het leven van een heilige - begint met zijn dood.
Dat leven is gemaakt van goudbrocaat.
Niet van goudbrocaat, maar slechts van karton is het eenvoudige
leven van de monnik Amarus. Zo'n leven is niet veel waard - als
men eenmaal is gestorven.
Daarom, hij ontsteekt elke avond trouw een kaars en hoopt dat hij
dat nog lang mag blijven doen. Zolang, in elk geval, zal hij blijven
leven.
(p. 9-10)

Het einde van het gedicht is weemoedig en beschrijft de laatste levensavond van de monnik:

Amarus, hij weet de maat, en de maat van het nieuwe. Maar hij
weet het verschil niet.
Hij weet het wel. Hij weet de weg. Hij gaat terug naar zijn cel.
De kaars brandt. Hij vergeet hem niet.
Hij vergeet hem wel. De kaars gaat uit. Zijn vlam is gedoofd, die is
niet doorgegeven.

(p. 15)

Gerrit Krol, De vergeten kaars (1999)
De vergeten kaars (1999)

Gerrit Krol, De vergeten kaars (1999)

Gerrit Krol, Geen man, want geen vrouw (2001)
Geen man, want geen vrouw (2001)

Gerrit Krol, Geen man, want geen vrouw (2001)

Gerrit Krol, Geen man, want geen vrouw (2001)
Geen man, want geen vrouw (2001)

Gerrit Krol, Geen man, want geen vrouw (2001)

Geen man, want geen vrouw (2001)

Voor Geen man, want geen vrouw (2001) schreef Gerrit Krol zelf de aanbeveling op het achteromslag. Daarin schetste hij zijn ontwikkeling als dichter en de moeilijkheden die hij ervoer. Maar, zegt hij, inmiddels heeft hij een eigen stijl gevonden, waarin hij alle vrijheid heeft om te schrijven wat hij wil. Hij beweerde dat zijn gedichten daardoor nu 'onbeperkt houdbaar' waren: 'krachtige, ijzersterke verzen', een soort balladen: 'Eerder episch dan lyrisch, zijn ze uitstekend bestand tegen de vaak zo persoonlijke gevoelens van deze tijd. Absoluut onmodieus!'. Ook critici oordelden gunstig over de bundel: hij werd genomineerd voor de VSB-Poëzieprijs 2002.

De bundel bevat een aantal gedichten die al eerder werden gepubliceerd in Vijf vingers van dezelfde hand (1999) en een aanzienlijk bewerkte versie van 'Wie in de leegte van de middag zweeft'. De titel, Geen man, want geen vrouw, is typerend voor het werk. Voortdurend probeert de dichter de werkelijkheid te definiëren aan de hand van bevreemdende ontkenningen:

*Geen wind, want geen lucht.

Geen lucht, want licht en zo kun je doorgaan tot je - het heelal is eindig
- alles hebt genoemd.

Niet alles, want daar komt fluitend om de hoek een spoortrein aan. De
machinist houdt zijn horloge als bewijs omhoog: hij is te vroeg.*
(p. 54)

Slechts een enkel gedicht neemt minder dan een halve pagina in beslag, zoals 'Geen wak':

*Het weiland, het voorjaar, de eerste koeien.
Geen koeien, maar pinken.
Geen voorjaar, geen riet

De sloot, een blauwe lucht.
Niet het water, maar het wak.
Geen wak, maar ijs dat dunner dan glas.

Een eend draagt*
(p. 43)

Ook in 'Roodborstje' zet Krol de lezer op het verkeerde been. De eerste regel herinnert aan een bekend kinderliedje, maar vervolgens wordt de perceptie van de natuur op losse schroeven gezet:

Een roodborstje dat tegen het raam tikt.
Niet tegen het raam, maar tegen het ei waarin het zit en het ei breekt in
tweeën.
Niet het ei, maar het ijs dat scheurt van Groenland
naar *beneden.

Een zwarte zee, waarin witte vlakten drijven.
Geen vlakten, maar bergen.
Geen ijs, maar graniet.
Nodig voor het roodborstje om zijn snaveltje te scherpen.

Zijn snaveltje sterker dan het ei.

Sterker dan Groenland.*
(p. 43)

't Komt allemaal goed (2005)

In 2005 verscheen de bundel 't Komt allemaal goed, waarin zowel nieuwe als twintig jaar oude gedichten zijn opgenomen. Krols poëtische ontwikkeling is daardoor in deze thematische bundel goed te volgen. 't Komt allemaal goed is in zes secties verdeeld met de titels 'Over de liefde', 'Ontologie', 'Het dagelijks leven', 'De industrie geneest alle leed', 'De nieuwe natuur' en 'Transfiguratie'.

De oudere en nieuwere gedichten staan in de meeste gevallen door elkaar heen. De oudere gedichten verschillen qua stijl en thema van de nieuwere gedichten, die iets vrijer van vorm zijn. Er zijn ook overeenkomsten: bekende Krolonderwerpen zoals wiskunde en humor, zijn ook in de nieuwe gedichten te vinden. Krol zet deze vaak in om te reflecteren op serieuze zaken in het leven, zoals liefde en geluk. Dit is bijvoorbeeld te zien aan 'Saldo', waarin de rekening van een relatie wordt opgemaakt. Een figuurlijke uitdrukking wordt in rekenkundige termen uitvergroot:

Je telt gewoon alles op.

Het slechte vergeet de mens en
het goede vergroot-ie,
en je telt gewoon alles op.

Dat zeg jij, zegt zij, maar zo werkt het niet,
niet bij mij.

Maar wij zijn tenminste één.

Welnee, toen wij zogenaamd heerlijk
in het gras lagen, zegt zij, lagen we in scheiding,
dat zeg je er niet bij.
En dat van Madurodam is ook niet zo gegaan.

Maar we waren één.

En die liefjes van jou
zegt zij, en die van mij…

En al die keren dat we toch weer
bij elkaar kwamen, zegt hij,
en gelukkig waren
- en hebben geschreid, zegt hij er niet bij –
je telt alles gewoon op
uiteindelijk.

(p. 13)

Gerrit Krol, 't Komt allemaal goed (2005)
't Komt allemaal goed (2005)

Gerrit Krol, 't Komt allemaal goed (2005)

Gerrit Krol, 't Komt allemaal goed (2005)
't Komt allemaal goed (2005)

Gerrit Krol, 't Komt allemaal goed (2005)

De mannelijke persoon lijkt zich vooral de mooie dingen van de relatie voor de geest te halen, terwijl de vrouw deze herinneringen juist tegenspreekt door de soms pijnlijke realiteit te benadrukken.

De titel van de bundel, 't Komt allemaal goed, kan ironisch worden gelezen. Het lijkt een vrolijke titel, maar de bezwering dat het allemaal goed komt, roept ook het tegendeel op. Het gedicht 'Ary’s tuin' lijkt een ode aan Ary Langbroek, die Krols uitgever bij Querido was tot 2001. Er wordt een vergelijking gemaakt tussen tuinieren en schrijven. Tuinieren, schrijven en uitgeven hebben iets gemeen, er moet altijd gesnoeid worden:

Het leuke van een tuin
is dat je hem voortdurend
snoeien moet,
of snoeien, noem het
oogsten, of wat je zoal
met snijbloemen doet,
snijden, in een vaas zetten,
de stelen, in knop
waar men de bloem in ziet,
of bloem, noem het poëzie,
of een gewoon verhaal, want
wie niet waagt die knoeit,
wie schrijft die snijdt,
wie snijdt die bloeit.

(p. 53)

Krol belicht ook onderwerpen vanuit een ongebruikelijke invalshoek in 't Komt allemaal goed. Zo spreekt hij in 'Hora est' (Latijns voor 'het is tijd') zijn wens uit om zijn eigen dood vast te stellen:

Ik zou wel aan mijn doodsbed willen staan
te zijnertijd.
Dat ik zeggen kan, of vaststellen:
hora est, de dood is ingetreden,
zoals ik soms vaststel dat ik leef.

Je eigen dood, je hebt er geen kijk op.
(p. 71)

Dit is een paradoxale grap want als je dood bent kan je dat zelf niet vaststellen. Je hebt er dan inderdaad 'geen kijk op'.

Krol schrijft naast komische, ironische en mathematisch getinte gedichten ook gedichten die grote verwarring scheppen en waarin Krol zijn best lijkt te doen om de lezer steeds op het verkeerde been te zetten. 'Ontvallen' is hier volgens Krol zelf (8weekly, 20 november 2005) een voorbeeld van en tevens het laatste gedicht van de bundel:

Als je de sleutel vindt, vind je het slot.
Als je het slot vindt, vind je de deur.
En vervolgens misschien het huis.

Na deze eerste strofe begint er een soort verhaal:

Toen ik Bertram vertelde
dat ik mijn sleutels verloren had,
begroef hij zijn gezicht in z'n handen.

Het was warm. We hadden allebei
een glas water ingeschonken gekregen.
In het zijne dreef een vlieg. Hij vroeg

wanneer ik ze verloren had.
Zo pas, zei ik. Nog geen minuut geleden.
Dan kunnen ze niet ver weg zijn, zei hij.

Het verhaal neemt een vreemde wending. Opeens ontspint zich een verhandeling over beroemde wiskundigen:

En hij begon een gat te graven.
Een vreemd gat. Een gat dat in principe,
zei hij, een loxodroom zou volgen, een spiraal.

Ik zei dat een zekere Poincaré als eerste
een samenhang vermoedde tussen
de spiraal van Fuchs en de hyperbolische

meetkunde van Lobatsefsky. Ik liet
merken dat als hij, dan ik ook.
'Une analogie profonde,' zei ik in het Frans.

Uiteindelijk eindigt het gedicht zonder een uitweg of houvast te bieden. Een paar dingen die eerder aan de orde zijn gekomen worden weer genoemd, maar in plaats van de loop van de gebeurtenissen te verhelderen, verwarren zij:

Het gat dat hij groef was intussen dieper
dan ik dacht dat nodig was. Ik zag
dat zijn glas leeg was en vroeg mij af

of hij mij wel goed begrepen had. Waar
die vlieg gebleven was, of-ie nog leefde
en of Bertram nog leefde, want het gat

  • was dicht. Ik zag en hoorde hem niet meer.*
    (p. 80-81)

Volgens Krol is het ook zijn bedoeling dat de lezer er niet achter komt wat er precies gebeurt: 'Juist in mijn gedichten vind je onuitgesproken en raadselachtige ideeën terug' (8weekly, 20 november 2005).

De verzamelde gedichten van Gerrit Krol verschenen in 2009 onder de titel De industrie geneest alle leed.