Gedichten 1975-1990: 'Oud gereedschap mensheid moe'

Oud gereedschap mensheid moe (1975)

Een van de bekendste gedichten van H.H. ter Balkt komt uit een nieuwjaarsgeschenk van zijn uitgeverij De Harmonie in 1975. Het gedicht is 'Oud gereedschap mensheid moe', en reikt de lezer een spreuk aan die af en toe gemompeld moet worden, als iets stuk gaat, als iets vergeten is, als de rommelzolder het begeeft, of als de lezer zelf is zoekgeraakt, verdwaald, versleten, maar weet dan:

Habakuk II de Balker, Helgeel landjuweel (1977)

Helgeel landjuweel (1977)

Met de bundel Helgeel landjuweel uit 1977 namen de historische gedichten in Ter Balkts oeuvre flink toe in aantal. Hoewel soms zakelijker beschreven, werden de herinneringen aan slachtingen er niet minder gruwzaam om:

Duisternis aan de galg onder de sterren,
Rook en heksen vlogen aan uit de verte,
Honger en knechting kleurden de heggen,
Waar moesten wij dan ons hoofd neerleggen.

want de tijden waren ook vroeger niet rooskleurig:

Vrekken en gekken verordonneren de wetten

en wie tekeer gaat tegen de 'slechting', wie tot de 'vermetelen' behoorde had geen rustplaats:

Gekken. Stilzitten bracht ons geen redding,
Raven! Jullie vleugel was die van de wetten,
Graven, jullie waren t waarop zij wedden,
Die ons rechtelozen wilden laten vertrekken.

(p. 208)

Sommige van de door Ter Balkt beschreven gebeurtenissen hebben een voetnoot nodig, zoals het gedicht over de slag bij Oosterweel (voetnoot op p. 211). Andere gedichten hebben bekende opstanden of organisaties tot onderwerp, bijvoorbeeld het gedicht 'Hitte, hitte (2)' over de Oostindische Compagnie die zich van het gemor niets aantrok omdat het klonk als een

fluittoon van stilte
in 't Oostindisch Oor van de Compagnie

(p. 214)

De moderne tijd is in deze bundel onder andere vertegenwoordigd met gedichten over vrachtvervoer:

met hun kalme runderdraf sjokten
de opslagtanks Interfrigo, Rook, Conbugaz
langs de listige wissels, klaver en distels
gemaaid, vlierbomen droef de wagons
naogend: zij wel en wij niet want wij
wortelden

(p. 228)

Een volgende reeks (apart verschenen in een bibliofiele uitgave) Katten bouwden de kathedralen (1979) zegt over moderne machines:

Ik woonde toen in een land
waar de aardappelsorteermachine kwam.

en dat was bijzonder:

't Regende altijd als hij kwam
of hij voortbewogen werd door die regen.

(p. 236)

maar ook de slimste machine verdwijnt met de jaren, maar blijft in de herinnering verbonden met het weer:

Ik betreur hem niet, de aardappelregenmachine.
Ik denk soms aan hem.

Hij was de gedeukste onder de werktuigen.
Parcival: bespot door 't elegant etgras.

Maar de wolken hadden een zwak voor hem
en de regen haalde hem in als een hoeder.

(p. 237)

De machines hoorden bij het landschap, in tegenstelling tot de steden waarin de dichter zich een volstrekte vreemde voelt. Over een bezoek aan Londen schrijft hij 'Waterloo Station, Londen':

Mijn maag is een carillon
in Londen. Alle containers
roepen naar de windstreken
'Geen dichters meer!'

(p. 243)

en het station zelf is een onpersoonlijke ruimte, die hoe druk ook eigenlijk altijd leeg is:

Het station morst
zonder ophouden tabak
en menigten, als een dennebos
vogeleitjes en naalden
.
(p. 244)

en:

Alles is doorgang.
Alle is ijlen.
Alleen de passage
is blijvend.

(p. 244)

En de dichter?

Je was een druppel
stromend kokend water
in de nerven en waterraderen
van Waterloo Station.

(p. 245)

De dichter kan het toch niet laten om het station te zien als een levend organisme met bladeren en nerven of als een goed geoliede machine. Heerst in dit gedicht het tempo en de massaliteit van het moderne bestaan, in sommige gedichten schiet de klok honderden jaren terug, zoals in 'Overal stoepen: stoepranden', waarin vrachtwagens rondrijden met een 'chauffeur uit Neandertal' om het verhaal van een botsing te vertellen (p. 246). Geen wonder, overigens, dat een dichter met zo'n hang naar het verleden een ode schreef aan de Enkhuizer almanak, waarin:

Kermissen en watergetijden,
inktvlekken in transuranen.
De meermalen bekroonde
reportage van de Opstand.

(p. 261)

De enjambementen zijn er niet in de eerste plaats om het rijm te verdoezelen, want dat treedt bij Ter Balkt, als het er is, schaamteloos en met plezier aan de dag. Het lijkt eerder bedoeld om het gedicht voort te stuwen van regel tot regel door de spanning te verhogen, de vaart er in te houden en de regels tot een geheel aaneen te smeden:

Weghollen kon je niet. Doeken
dekten het raam af. Hanen
riepen over de oude wereld
onder een kap van vilt. Hazen

hadden al besloten te vluchten
omdat je lot ver van huis was,
omdat het naar gas rook
in velerlei keukens van leem.

(p. 264)

Via 'hanen' en 'hazen' wordt de aandacht snel doorgesluisd naar de volgende regels en dus afgeleid van het voorafgaande. Die verhoogde concentratie voor wat volgt wordt in de slotstrofe via vluchten gebracht op 'omdat' en dat woord vooraan de regel is blikvanger genoeg, zeker als het ene regel later herhaald wordt, waardoor de lezer in no-time belandt in de 'keukens van leem'.

Over de spookachtigheid van het landschap schreef Ter Balkt al in zijn eerste bundels. Ook in de reeks 'Onze hersens die in het hoofd zijt, bid voor ons dat het niet afvalt' uit 1979, een titel waarin God is vervangen door ons eigen brein, is het landschap soms bedreigend:

Mist op je velden; kramen
sleten waanzin aan

je pimpelmezen, pikkend
in je blauwe maandagen.
(p. 272)

Dit landschap is mistig en waar mist is, speelt onzekerheid en daar loert gevaar:

Gratis druppelden almaar
ziektes uit de kranen
.
(p. 272)

en:

Messen pelgrimeerden, loerend
onder hun kappen.

Messen eerden de slijpsteen
bij de wegwijzer die hoedt.

(p. 273)

H.H. ter Balkt, *Aardes deuren* (1987)

H.H. ter Balkt, Aardes deuren (1987)

H.H. ter Balkt, *In de kalkbranderij van het absolute* (1990)

H.H. ter Balkt, In de kalkbranderij van het absolute (1990)

Aardes deuren (1987)

In de bundel Aardes deuren uit 1987 gaat de versplintering van de taal verder. Ook lijken de gedichten minder samenhangend te zijn, al is er altijd een samenbindende thematiek. Tussen de gedichten in strofen zijn er ook enkele prozagedichten ('In een door en door koud vliegtuig'). De kosmische blik is gebleven, zoals in het gedicht opgedragen aan zijn vrouw Wilhelmina (Willemien) Wijbranda:

Regenbogen verdringen zich voor het raam
Zeeën verdringen zich onder haar voet
Zij draagt een glas water de trap op

(p. 391)

Maar oude vormen worden niet losgelaten; Ter Balkt gebruikt met evenveel plezier een oude rederijkersvorm:

Komt de honing komen de vliegen
Komt de zee komen haar drinkers
Komt de gast komt de messtekende waard
Komt de lelie komt de lelietor

en:

Komen de wagens rijdt het vijfde wiel
Komt de vrede stort zich de valk neer
Komen de vlammen komt de fluistering,
En verlaten wij de grijze ruïnes aan zee

(p. 411)

Ook tussen de scherven en ruïnes zijn nog heldere beelden:

De adder is boekenlegger
tussen twee bladzijden van steen

(p. 415)

Het gedicht 'Geslaakte zuchten' is een overzicht van de losse scherven, waarvan één luidt:

Het woord wist uit, en verbeidt.
(p. 426)

In de kalkbranderij van het absolute (1990)

In 1990 publiceerde Ter Balkt de bundel In de kalkbranderij van het absolute. En daar staat het beeld de Atlas Slaaf van Michelangelo:

onaf, onaf; wat af is dat is al onaf
en zeker geldt dat voor wat onaf is;
vaak overtreft wat onaf is wat af is

(p. 489)

In een ander gedicht over Florence wordt de kracht van de poëzie aangegeven:

Kijk nu wat de zoon overkwam, scheuring, o
de kracht van het beeld zit niet in 't verhaal

maar in de spieren van het gesteente, zo-
als de spot van 't vers joelt in de beenderen

van de regel en niet in 't vet van druppelende
adjectieven, kroonluchters, adjectieven

(p. 490