Gedichten 1990-2015: 'Laaglandse hymnen'

Laaglandse hymnen (1993)

Op de vraag of hij Dichter des Vaderlands zou willen worden, antwoordde Ter Balkt in een interview: 'Ik heb een moederland, geen vaderland' en over de verplichte gedichten bij bijzondere gebeurtenissen zei hij:'Gedicht in opdracht, dat wordt toch nooit wat? Soms kan het. Een toevalstreffer. Ik zou bovendien nooit iets willen schrijven over God of over het door God gezegende koningshuis'. Kortom, een weerbarstige kandidaat voor positie van Dichter des Vaderlands. Over zijn moederland - over de geschiedenis van zijn moederland - schreef Ter Balkt inmiddels een lange reeks sonnetten die in 2003 samen in één band werden uitgegeven: Laaglandse hymnen.

De eerste reeksLaaglandse hymnen (1991): voorzijde omslag 

De eerste reeks*Laaglandse hymnen *(1991): voorzijde omslag

De drie reeksen metLaaglandse hymnen I-III (2003): voorzijde omslag 

De drie reeksen met*Laaglandse hymnen I-III *(2003): voorzijde omslag

Het eerste gedicht inLaaglandse hymnen I-III (2003, p. 7)

Het eerste gedicht in*Laaglandse hymnen I-III *(2003, p. 7)

Laagland, dat is natuurlijk De Lage Landen, oftewel Nederland. De eerste reeks verscheen in 1993, maar al in 1991 was een kleine selectie gepubliceerd door de Stichting Beeldende Kunst Zeeland in de Slib-reeks. Dat waren er 21. In allerlei tijdschriften werden nieuwe laaglandse hymnen gepresenteerd. De bundel die De Bezige Bij in 1993 uitgaf bevatte 73 laaglandse hymnen.

Toen in 2000 de verzamelbundel In de waterwingebieden verscheen, was daarin een afdeling met 40 nieuwe laaglandse hymnen opgenomen. In 2002 verscheen deze bundel (aangevuld met meer hymnen) ook afzonderlijk onder de titel Laaglandse hymnen II; dit waren er 51. Vervolgens verscheen in 2003 een bundeling van alle laaglandse hymnen tot dan toe ter gelegenheid van de toekenning van de P.C. Hooftprijs aan H.H. ter Balkt. Er waren 68 nieuwe hymnen, wat het totale aantal bracht op 162. De citaten komen uit deze laatste editie, omdat Ter Balkt in alle edities wijzigingen aanbracht ten opzichte van de vorige versies.

De gedichten werden door Jos Joosten getypeerd als 'Ter Balkts parallelle vaderlandse geschiedschrijving. In een eigenzinnig geïnterpreteerde sonnetvorm "herschrijft" hij belangrijke historische gebeurtenissen in de Lage Landen sinds de Steentijd - tot op heden', en daarvoor kiest hij steevast 'ongangbare perspectieven en ongebruikelijke invalshoeken'.

De gedichten bestaan niet alleen uit tekst. Dat lijkt voor gedichten - waar zoveel wit omheen ligt, dat het bijna net zo aanwezig is - vanzelfsprekend. In dit geval gaat het echter niet om de witte vlaktes van witregels en marges, maar om afbeeldingen van bijvoorbeeld martersporen, van een geschilderde kat en van een onderzeeër. Het eerste gedicht begint na de titel niet met woorden maar met die martersporen en eindigt via een gloeilamp en regels die zich samen als strofes proberen te gedragen, maar niet helemaal bij elkaar kunnen komen door afbeeldingen en afbrekingen, bij het sterrenbeeld aan het slot: het pannetje, oftewel de Kleine Beer. Het is een gestameld eerste gedicht, als een verzameling losse sporen van de vroegste beschaving:

In de mammoettand
   vlammen gekrast

en waarin de nacht wordt gezien als:

grote zwarte wolk
(p. 7)

Na deze sporen van een ons ontsnappende beschaving, inventariseert Ter Balkt de 'Steentijd' met een opsomming van vondsten en weetjes, zoals 'de vuistbijl en priem' en zoals 'Eerste huisdier, de hond':

Geen nieuws. Alleen dat louche houten
beeldje, bij Willemstad gevonden, zijn grijns
verklikt al die van de navolger en

verduisteraar, altijd inheems
(p. 8)

Kennelijk geen vriend van de Nederlandse 'volksaard', deze dichter. Hij volgt de geschiedenis in zijn drie boeken met laaglandse hymnen chronologisch. Hij laat de Klokbekervolken en Trechterbekervolken passeren en gedenkt de werktuigen die van hen resten:

zij kenden brons en koper en vergaten dat bij ons
(p. 9)

Het was een moeizaam begin van beschaving in een nauwelijks bewoonbaar gebied 'bij de zoute gong van de zee':

Dof, inwisselbaar, bedaard, kil, onverkwikkelijk,
vilein, twistziek, gekromd, mistig, grofbesnaard,
sleepte geklauwd, berekenend, boosaardig, listig,
eeuwenlang leven zich voort naast de zoute gong

Ingekeerd, angstig, stoomden ijzer en bronstijd
zeer op hun hoede, rauw en somber, ongezouten
wetten in de ruwwandige kookpotten aan de zee...;
dommelend reden voerlui aan op slapende wegen;

mist, dichte regens, dempten de stemmen, dempten
de harten; moede, laagstaande zon bescheen zwak
rood, geluidswallen van riet en druppelend lover

(p. 13)

Met de komst van de Romeinen veranderde alles, want zij zorgden voor 'intocht van de taal':

Overwonnenen. Maar nu bestonden wij pas. Hoe machtig
hun wereld waarin bliksems heersten, getemde tekens
die alles verlichtten! Wij staken de koppen bij elkaar.

(p. 14)

Het wegtrekken van de Romeinen, in de jaren 401-402 vertelt Ter Balkt vanuit het perspectief van een oogarts aan de rivier de Waal. Daarna breken andere tijden aan:

Tijden waren dat met tanden, met uitgerukte
gedachten, bossen en velden vreemd woest en
verlaten

(p. 16)

De eerste geschriften tijdens het leven van Karel de Grote 'verzwegen veel' en:

   onze pennen krasten dom leugens neer.
Het is zo wonderbaarlijk dat koolstof leugens eist.

(p. 17)

waarbij koolstof niet alleen naar schrijfstiften, maar ook naar de bouwstoffen van het menselijk lichaam verwijst. Roem is een leugen, want: 'Geen heerser deugt' (p. 18). Dan geeft Ter Balkt - in een door kale plekken uitgehold sonnet - een indruk van het 'Oudste Nederlandse tekstfragment' uit circa 83":

.. onder de dikke tong van het onweer
...................................... taal dof gegrinnik
... als kikkerkwaken .................................
........................................... in een vuil meer

schrijven vuurtongen, wij straalden ...
hier ....... keelzakken van de roofvissen
regenwater ........................... gorgelt ...
vol .................. met ............... ons goud

(p. 19)

En zo ontrolt zich de tijd van de kerstening (c. 1000) terwijl 'brood smaakt naar roest', de twaalfde eeuw met 'vijfendertig zeevloeden', de 'eerste zanger' Henric van Veldeke, de tijd van alchemisten, pelgrims, toernooiridders, narren en de uitvinding van het haringkaken. Ter Balkt, die in Nijmegen woont, vergeet niet de beroemde episodes van de Nijmeegse geschiedenis, zoals het mirakelspel Marieken van Nieumeghen en de uit Nijmegen afkomstige gebroeders van Limburg die befaamd werden om de illuminaties voor het handschrift Les très riches heures du duc de Berry. Het blijven barre en onzekere Middeleeuwen:

Hun kieuwspleten òp naderden zwarte doornhaai,
ruwe haai en hondshaai de dijken terwijl november
drijfnat blies en aanwakkerde, wolken voortjoegen
als scholen snoeken; geiten over de daken woeien

(p. 38)

De bossen en wateren uit het verleden blijven voor Ter Balkt altijd aanwezig:

         zo
zie je soms in een stadscentrum op een dag
in de zomer of herfst de stammen in 't bos
of de wateren van het moeras dat daar blonk

of lag, lang vóór de stenen.
(p. 40)

Ter Balkt laat een windmolen aan het woord, voert Hans Memlinc sprekend op, wekt inscripties uit oude boeken tot leven, laat Erasmus zeggen dat hij met iedereen 'mot' kreeg, geen partij trok en vrolijk spreekwoorden aaneenreeg. Hij beschrijft schilderijen van Jeroen Bosch, noemt de galstenen van Calvijn de 'dieptrieste tafelen der wet', en er passeert weer heel wat voedsel de revue: pannenkoeken, zwijnsbraad, lever- en metworst, vissen en druiven in Luilekkerland, maar ook kersen, eieren, suikerbonen. Toch lijkt Luilekkerland verduiveld veel op Nederland:

   Wie hier lomp, vlerkachtig en stompzinnig is,
brengt het tot groot aanzien. Grofheid wordt vorst,
wie zich mild gedraagt wacht grijns en verbanning.

(p. 62)

De Slag bij Heiligerlee 'is waar Doofpottenland ontsprong'. Op deze wijze koppelt Ter Balkt het verleden aan het heden, door aan te geven dat de oude bossen nog onder onze pleinen liggen en dat vrijheid en geloof van destijds de bron zijn voor de cultuur van vandaag, waarin reputaties nog altijd sneuvelen en affaires evengoed in de doofpot kunnen belanden. Willem van Oranje noemt hij 'slecht generaal en god in Frankrijk', die sprak en zweeg ineen en aldoor: 'Aan zijn tafel at Europa'. De bloedraad van de Spaanse overheerser, Hertog Alva, de moord op Willem van Oranje, de Armada en de overwintering op Nova Zembla ronden de eerste reeks laaglandse hymnen af. Vlak voor het einde daarvan laat Ter Balkt een Engelse collega aan het woord, Sir Philip Sidney:

   De dichters
hier zijn niet veel zaaks.

(p. 76)

Veel beter dan gedichten waren hier de zwijnspasteien.

H.H. ter Balkt, *Laaglandse hymnen* (1993)

H.H. ter Balkt, Laaglandse hymnen (1993)

H.H. ter Balkt, *Laaglandse hymnen II* (2002)

H.H. ter Balkt, Laaglandse hymnen II (2002)

Laaglandse hymnen II (2002)

In de tweede reeks komen de zestiende tot en met de negentiende eeuw aan bod. Het laatste gedicht heet '1899'. In deze reeks worden de Slag bij Nieuwpoort in 1600, schilderijen door Hendrick Avercamp, Gerrit van Honthorst, Hercules Segers en Vermeer gereleveerd. Rembrandt is niet met een schilderij vertegenwoordigd, maar wel aanwezig dankzij een portret van hem door Jan Lievens. De Engelse zeeoorlogen, eeuwenoude bomen, auteurs als J.J. Cremer en Edmondo de Amicis en de Nederlandse koloniale verovering van Indonesië: het is opnieuw een breed scala onderwerpen dat Ter Balkt in zijn sonnetten oproept. 'Ergens bij Nieuwpoort' was stof voor twee gedichten; in het tweede zwerft een getuige rond:

   Maar Prins, jij hebt geen lied.

Ik wel. En lauw riet zal neervallen, naast een man
in zwart die mij teruggeeft wat ik had, wolken
van bitterheid en grijnzen konden toch niet altijd

blijven drijven. Ik vocht bij de linies, muziek
van Zwaard en Ei verglijdt naar de nieuwe eeuw, sterft
eens weg. Zie mij, de diepste voetafdruk in het veld.

(p. 87)

waarbij in de verklaringen achterin vermeld is dat Zwaard en Ei een Overijsselse boerenbende was die tegen de partijen van de Nederlanden en die van de Spanjaarden vocht. Naast gevechten wordt ook het simpele boerenleven herdacht:

Erf bij de beek met de boomstammen,
door trouwhartige braamstruiken gehoed.
Door de gele olielamp die stilstaat
boven koolzaad - en meekrapakker

verlichte rook en grove aardkluit,
varkensblaas als ruit

Het vuur en de bewoner van de hut wordt gevraagd de verloren zoon bij te staan en ook de omgeving en de natuur mogen hem helpen:

Die de wespen uitzond rust in de korf.
Houten korf, schenk hem pais en honing.
Boomtakken, ruis een psalm hem ter eer.

Verf, zoete herfstwind, op ons raam het beeld
van die hoeve door honden bewaakt,
toen vrede ook al messen voerde.

(p. 88)

Het gedicht als de niet bestaande film van een voorbije eeuw. Het gedicht als een 'ontzettend oud Polygoon journaal' van de zestiende eeuw:

Tussen de flakkeringen op lichtend celluloid
neem je de wegen waar die liepen of ze dansten,
de messteek in de reiziger, kantelende golfjes
in de nassaublauwe rivier, de goudeneeuwse zon

boven de drinkers op de bruiloft van Jan Steen

en vraagt Ter Balkt zich af waar een eeuw eigenlijk uit bestaat. Is een eeuw veel of juist weinig? Zijn het schilderijen, landerijen, die nog bestaan of is het juist alles wat vergankelijk is gebleken?

Wat is een eeuw! De vogelkreet in de schemering,
de zweefvlucht van de kerkuil. Gelach, en ogen
- neergevallen en in stilte, wolken en bladeren

duldzaam ondergegaan. Het leven is een werveling
van rook: dan gezichten, dan vachten en snuiters,
dan vorst, dan dooi; en sfinxenlach van de wind.

(p. 96)

De sonnetten zijn onregelmatig. Er is in de tweede reeks zelfs een sonnet dat ongegeneerd een terzine te lang is, maar dat gaat dan ook groots over 'Amsterdam, Holland en Zeeland in de Gouden Eeuw', niet iets om in veertien regels te persen kortom. De Engelse zeeoorlogen worden gadegeslagen door... een kat:

Ik zit hier in de zon. Matrozen zijn
muizen, maar ik heb gehoord dat hun voer
slechts is, hun water kila. En alle

eer gaat naar de admiraal. Blauw draaide
die aan 't wiel, aan de zeearm. Dat zeggen
ze. Maar wat is waar onder zon en kaak.

(p. 103)

In het gedicht 'Adriaan Koerbach' wordt de auteur toegesproken en geciteerd, die vanwege de publicatie van zijn woordenboek in de gevangenis belandde:

Ik bedacht de woorden "swerfgedachten"
voor fantasie, "fierilonfonfa" voor
een Indisch sap'

maar erger was natuurlijk dat hij schreef dat engelen geen 'vliegende geesten uit de hemel' zijn. Een tweede sonnet met een extra terzine behandelt 'De Usseler es in de negentiende en twintigste eeuw', waarin het landschap vanuit de lucht wordt bezien en waarin tegenwoordig plaats is voor een grote vuilverbrander die zijn wolken over de snelwegen en begraafplaatsen heen stuurt:

O rustend stof, geest wordt nooit materie
(p. 123)

Als Ter Balkt over muziek schrijft, wijdt hij een sonnet aan Robert Schumanns celloconcert in a-moll (opus 129). Hierin 'omarmt en wurgt' een briesje het dennenbos en staan uit stemmen demonen op. Het is angst, zegt hij:

angst de wezel zich als een leeuw te zien gedragen, en
landweg als straatweg, ankers als bleu bonenstro;
alles omvattende angst die doormidden breken wil

wie doormidden breekt; als 't ruw duivelsnaaigaren
zich vastklemmen wil aan je hart

(p. 130)

Laaglandse hymnen III (2003)

De twintigste eeuw begint voor Ter Balkt als volgt:

Dwaallicht onder de horizon, achter
de steden, maar langs de waterterrassen
scheerden libelle en tuberkelbacil;
roet van beenderkokerijen, gekit

aan ammoniak; stoom

want, zegt hij:

het wegkwijnen heerste
(p. 139)

Die eeuw is een eeuw van vuur en oorlog zal blijken:

Ook een groot vuur dat, laten we zeggen,
onverbiddelijk brandt op gele kernen niet
ongelijk aan ver sterrenvuur in 't heelal,
astatische straling neergedaald op aarde

(waar de pijnhallen razen, verdwijnhallen,
de markthal en de danshal, de vleeshallen;
lachspiegelhallen en automatenhallen;
drenkhal; ijshal; hal van 't venijn),

ook een vrolijk vuur met zijn gele vlammen
naar de windrichtingen gekeerd, ook een groot
vuur dat zich uitput en verteert, kan nog

de prooi zijn van ijzige kou, geblazen uit
blaasroeren; van strooizand, ja zandkorrel
voor korrel zaaiend tot de helderste vlam dooft.

(p. 146)

In een gedicht over het bombardement op Nijmegen (22 februari 1944) beschrijft Ter Balkt het komen en gaan van de geallieerde vliegtuigen die per vergissing het stadshart van Nijmegen in de as legden. Die vliegtuigen komen met gebrom dat in het sonnet eerst wordt gehoord door de paarden, dan door de reizigers van de stilstaande tram: 'het diepe gebrom', waarna de Grote Markt veranderde in:

      scherven
de tram ingejaagd, neerstortende boom, o wachtkamer
hoe lang zul jij wachtkamer blijven! en de steekvlam,

de steekvlammen - weg sterft het diepe gebrom - klinken
tongen vast aan gesteente, allure koudvuur, zink alle
goud, pelgrimeert naar stille vijvers voorgoed de rust?

(p. 149)

Uit zijn jeugd herinnert Ter Balkt zich een hond, Sjekkie, die door 'een vaalgroene Sfinx met geweer' (een zekere Haverkamp) werd neergeschoten:

Van Sjekkie ken ik nog zijn monter oor
dat altijd neerhing en zijn tong die hijgde
alsof het feest niet opkon en bleef duren.

(p. 157)

De Watersnoodramp van 1953, de nieuwjaarskaarten in de vijftiger jaren, het zwembad, de turfrook van weleer, de Nederlandse Aardolie Maatschappij, een veldleeuwerik en de eerste maanlanding, voetbal: zo uiteenlopend als deze onderwerpen zijn, zo breed is het perspectief van de dichter.

's Winters wit, nu glinsterend als mica
zweeft boven Laagland een grote korrel zout
die gefilmd water verlicht, dat blauw-en-rood
tollend onder de wielen glijdt waar hoog

op de dijken de konvooien rijden.
De huizen stroomden leeg, haas op het bosje.
Cruquius en Leeghwater, breng ons toch zand.
Ratelenden gaan naar de droogte scheep.

Koud water zonder ziel dat ons aanknaagt.
De scheepvaart ligt stil; natuur eet natuur en
op het scherm trekken de duizenden weg
.

Meedogenloos de rollende zoutkorrels
van maanzieke lichten. Helicopters
klepperen en drijfnat wurgkoord krimpt ineen.

(p. 202)

Dit gedicht 'De uittocht' krijgt commentaar van de dichter:

In 1995 werden 250.000 mensen en duizenden stuks vee in veiligheid gebracht voor het wassende water in de Maas. Maar het water trok zich terug zonder groot onheil te hebben aangericht.
(p. 233)

Het laatste gedicht in de bundel, 'De maïskneuzer' is weer een extra lang sonnet, in dit geval met twee kwatrijnen en maar liefst vijf terzinen, waarin een groene radio, spechten, bijlen, de stervende herfst, stoppels van het maïsveld, een draak, het schot dat Willem van Oranje velde, Babylons akker, zielen, kaf, schepen, Dood, woekerspeer en aardgoden in een wijds verband worden omvaamt door het gedicht. Er worden schaduwen geworpen, bladeren jagen elkaar op, stof wordt opgeworpen, maïsmachines rijden uit, er wordt op rijping gewacht en een eeuwenoud, gouden stuk vereerd gereedschap valt dreunend en donderend om. In een eerder gedicht - het laatste woord is aan de dichter - zei Ter Balkt:

De mens stierf uit in de twintigste eeuw, zei
Helix; maar dat veel surrogaten kwamen,
was waar.

(p. 204)

H.H. ter Balkt, *Anti-canto's en De Astatica* (2004): binnenzijde vooromslag

H.H. ter Balkt, Anti-canto's en De Astatica (2004): binnenzijde vooromslag

H.H. ter Balkt, *Anti-canto's en De Astatica* (2004): binnenzijde achteromslag

H.H. ter Balkt, Anti-canto's en De Astatica (2004): binnenzijde achteromslag

H.H. ter Balkt, *Anti-canto's en De Astatica* (2004): achteromslag

H.H. ter Balkt, Anti-canto's en De Astatica (2004): achteromslag

Hidalgo is Spaans voor edelman.De Duitse luchtaanval (26 april 1937) op de Baskische stad Guernica tijdens de Spaanse burgeroorlog is het thema van het schilderij Guernica, dat Picasso maakte voor de wereldtentoonstelling in Parijs. Het schilderij wordt gezien als een voorbode van de Tweede Wereldoorlog. Tussen 1939 en 1952 reisde de Guernica langs een aantal Amerikaanse steden.

In 'Anti-canto 4' is een motto opgenomen van Giacomo Leopardi uit Canto 36 van I Canti (Pisa, 1828): ‘Maar moet een schaaf dan niet geslepen worden’, vroeg ik, ‘als ze slijt?’ ‘Jawel,’ antwoordde zij, ‘maar ’t schort aan tijd!’

'Ik, de relmuis, ik de dwaas op de klip,
wil niet dat het uit is, ik meen, tussen
hemel en aarde, tussen blad en wind.
'Tussen wat eindigen wil en doorgaan.'

Het centrale motief in het werk van Giacomo Leopardi (1798-1837) is de natuur als blinde macht, gekoppeld aan menselijke zwakheid en hoogmoed (onder andere door diens vooruitgangsidealen).

        Nooitniet

de blutsers van de beschaving, die laf
in de Dom van Siena, bij olijfblad
verzuchtten en kreunden, 'De beschaving
is heen'. Zij allen zetten de Schaaf stil.

p. 14

'Anti-canto 19' is een gedicht over D-dichters. Naar analogie met D-day waarschijnlijk. Ter Balkt is niet gecharmeerd de 'omkieperaars van de alfabetten',mededichters met hun 'gakkende pennen' die het lef missen om de jagers tegemoet te rennen.

Wie weet, medevoetstappenlaters, is jullie lach
en oogopslag van stukken groter waarde
dan jullie gakkende pen, want deze laten sporen

na en uitstraling nergens te achterhalen,
maar werkzaam; gene daarentegen rent dikwijls
de bogen tegemoet van de machtig sluwe jagers.

(p. 65)

De actie van drogisterijketen Het Kruidvat (niet voor niets omgedoopt tot Kruitvat, zie hieronder) met klassieke muziek voor ramsjprijzen wordt op de korrel genomen in 'Anti-canto 32'. Het gaat over Bach’s cantate 32, een dialoog tussen Jezus en de ziel.

Bach vervangt al het geweten
en pijpt de traanbuizen, kwartharten
In de schaduwen bij het kruitvat

Dit gedicht besluit met een pastiche op een uitspraak van Plautus:'homo homini lupus est' (de mens is de mens een wolf).

Waarde vrienden! De mens is de mens een loopvogel.
Omdat het wild voornamelijk ’s nachts trekt en het dan
moeilijk waar te nemen is, worden niet de dieren geteld,
maar hun voetsporen. (van onze verslaggever, 25-10-1989)

(p. 101)

Ook hieruit valt te lezen dat het er niet omgaat wat de mens doet, maar wat hij achterlaat. Zijn er sporen die meetellen.

'De Astatica' bevat teksten geschreven tussen 1959 en 1991. Het laatste verhaal eindigt met regels die naar de kracht van de natuur verwijzen.

Probeer niet de naald uit te vinden.
  Blijf geloven in de muziek van de boom.

(p. 156)

H.H. ter Balkt, *Vuur. Gestaag vermeerderen de velden, gestaag verminderen de velden* (2008)

H.H. ter Balkt, Vuur. Gestaag vermeerderen de velden, gestaag verminderen de velden (2008)

H.H. ter Balkt, *Vuur. Gestaag vermeerderen de velden, gestaag verminderen de velden* (2008): p. 37

H.H. ter Balkt, Vuur. Gestaag vermeerderen de velden, gestaag verminderen de velden (2008): p. 37

H.H. ter Balkt, *Onder de bladerkronen: gedichten* (2010)

H.H. ter Balkt, Onder de bladerkronen: gedichten (2010)

H.H. ter Balkt, *Onder de bladerkronen: gedichten* (2010): p. 32

H.H. ter Balkt, Onder de bladerkronen: gedichten (2010): p. 32

H.H. ter Balkt, *Onder de bladerkronen: gedichten* (2010)

H.H. ter Balkt, Onder de bladerkronen: gedichten (2010)

Onder de bladerkronen (2010)

Onder de bladerkronen: gedichten verscheen in 2010 bij de Bezige Bij. De bekende Ter Balkt-combinatie van nieuwe en oudere bijgeschaafde gedichten was ook in deze bundel weer aan te treffen.Een voorbeeld hiervan is het gedicht 'Gogol in Praag', dat eerder in Verkeerde raadhuizen (1986) verscheen. In dit gedicht toont Ter Balkt dat hij belezen is: de Russische schrijver Nikolaj Gogol speelt de hoofdrol evenals enkele personages uit zijn werk Dode zielen (1842). Gogol omschreef Dode zielen als een gedicht in proza of als een roman in versvorm. Dode zielen was opgezet als eerste deel van een beoogd maar nooit voltooid drieluik, dat was bedoeld als een nieuwe versie van de hel uit Dantes Divina Commedia (1308-1321). Dode zielen gaat over Tsitsjikov, die bij landeigenaren zogenaamde 'dode zielen' opkoopt (overleden maar boekhoudkundig nog niet afgeschreven boeren); op basis van een fictief vermogen kan Tsjitsjikov zo rijk worden. Enkele van die dode lijfeigenen komen voor in 'Gogol in Praag' en achtervolgen Gogols tocht per koets door Praag:

De landweg stuift
Als een tros bloedzuigers
kleven de namen Chlestakov, Nozdriov
aan de paardenhalzen.

Gogol wordt achterna gezeten:

Gogol is een meerkoet

Onder lantaarntjes als halve manen
onder heksenbezems als zonnestralen
met op zijn hielen de tijd, de tijd
[zwartgehoed, in een zwarte mantel]

(p. 42)

De koets gaat door het centrum van Praag en Gogol verandert van een meerkoet in een meerval:

Gogol is een meerval

Hoeveel dode zielen passeert hij,
hoeveel ruitjes, dorpen als stapels brandhout,
berkenbossen: eenbenige kozakken
Dorpskerken maken een lange neus naar hem

De paardenhoeven slaan vonken,
de zwepen van de koetsiers
schrijven deel II en III in de lucht
van de Lotgevallen van Tsjitsjikov

(p. 43)

Literatuurhistoricus Jan van der Vegt merkte over Gogols metamorfose van meerkoet naar meerval het volgende op: de 'beeldensprong' lijkt in eerste instantie te berusten op de overeenkomstige beginlettergreep van de woorden, maar doelt ook op een verschuiving van op het ijs naar onder het ijs (verderop in het gedicht haast Gogol zich over de beijsde Karelsbrug). In Ter Balkts bundel Hemellichten (1983) was het gedicht 'De meerkoet' opgenomen, waarin de meerkoet trippelt over dun ijs. Van der Vegt opperde dat het wellicht gaat om een sprong van het bewuste naar het onbewuste.

In Onder de bladerkronen vervangt het beeld soms de tekst. Dit gebeurt bijvoorbeeld in 'Laatste avondmaal van de aardgoden', waarin een foto te zien is van een schamel gedekte tafel met twee houten stoelen, twee flessen drank met glazen, iets wat op een placemat lijkt en een opschrijfboekje met pen (zie afbeelding).

In 'In de sneeuwstraat' maakt Ter Balkt gebruik van een begeleidende foto bij het gedicht, dat is opgedragen aan Blossom, de koe op de foto. Blossom is te zien in een straat met twee fietsers, huizen en auto's, waar zij terecht is gekomen na een ontsnapping vanuit een veetransport:

Hé, heldin van Hathor, blonde Aquitaanse
daar moest je niet zijn
  En is er wel een Sneeuwstraat hier,
  Glorie van het rund en dagen
    van Hathor en dan dit decor
  Straatstenen met zonlicht
als in een vroegere wei,
      veewagen juist
  het hoekje om als die dichter in Wenen
Het slachthuis niet in beeld en wel
  de fietster met rugzak, de wijzende arm
    de kraanwagen en veel auto’s
    'Oh waarlijke velden!,
    oh werkelijk frisse en aangename velden!'

(p. 35 – 36)

Het gedicht begint zonnig en zorgeloos, maar de sfeer slaat om en eindigt in een doemscenario, van:

Als er dan toch geen hel bestond
dan bouwden wie die wel op aarde

(p. 36)

en:

  de mond-en-klauwzeerbrandstapels
Elf uur vijf, je ontsnapte
Half twaalf tot vijf over half één
  (zomertijd)
en om tien voor één pas,
 na het verdovingsschot

(p. 37)

tot:

Klokken luiden; iemand, niet ik
   keert terug en te moe voor alles
  ga ik liggen op een arm veld
bij de Sneeuwstraat die niet bestaat
  Mythen en voortijd
  waar zijn jullie
Verdovingspijl vlieg maar

(p. 38)

Ter Balkt vindt echter, net als in zijn andere bundels, troost in de Twentse klei waarin hij opgroeide. In 'Usselo, herbezocht' noemt hij het dorpje 'keizerrijk op een kar':

De hemelen glimlachten toen
altijddurend als de glimlach
van de Mona Lisa; onder de wegwijzers
en hun gerechtige arm blonk
de spiegeling van lantarens
in de poel met boomstammen,
en altijd was 't de bloeitijd
van de distels, lasteraars leven
hier niet, sprak het hooiland;
later staken ze de weg neer;
zoete moederkoek van de daken,
polsstokken kruisten hamerstelen;

(p. 29)