Gedichten van Huub Beurskens, vanaf 1995

Iets zo eenvoudigs (1995)

Voor de bundel Iets zo eenvoudigs (1995) ontving Huub Beurskens in 1996 de Jan Campert-Prijs. De bundel opent met het lange titelgedicht, waarna vier andere delen volgen, waaronder een deel dat in samenwerking is geschreven met Leo Vroman ('Kikker van de Gheyn'). In het titelgedicht komen de begrippen tijd en vergankelijkheid weer terug, thema's die in de eerdere bundels van Beurskens ook al een grote rol speelden.

Huub Beurskens, *Iets zo eenvoudigs* (1995)

Huub Beurskens, Iets zo eenvoudigs (1995)

Huub Beurskens, *Bange natuur: en alle andere gedichten tot 1998* (1997)

Huub Beurskens, Bange natuur: en alle andere gedichten tot 1998 (1997)

Voor honderden jaren staan de sterren
geijkt

    en tegelijk voor geen razende seconde;
het is zowel het besef van het laatste
als het eerste dat ons van de dingen

en de dieren scheidt
    en ze ons tegelijkertijd
dichterbij brengt dan de dieren de dingen
elkaar en ons kunnen, hoeven
      en willen zijn.

(p. 10)

Het schrijnende verleden, de Tweede Wereldoorlog, wordt op een persoonlijke manier gereleveerd in het gedicht 'Surrogaat':

'We smulden van tulpentaart en bietenjam' -
ze heeft als kind de hongerwinter doorgemaakt,
vandaar schroom zowel als terugverlangen in haar stem,
niets immers kan ooit vervangen wat haar geraakt

heeft, toen, al was de verwenste kou een ware hel.
Er bestaat geen surrogaat behalve dood wanneer we kwijt
zijn in de eeuwigheid, invangster van de tijd, de tel
en dat we, stel, daarin blijvend zullen - ja wat?

(p. 40)

Bange natuur: en alle andere gedichten tot 1998 (1997)

In 1997 verscheen de verzamelbundel Bange natuur: en alle andere gedichten tot 1998: 414 pagina's poëzie. Aan de verzamelbundel werd ook nieuw werk toegevoegd: 'Bange natuur' - dat overigens niet afzonderlijk werd uitgegeven. In het titelgedicht wordt de angst beschreven ten onrechte voor iets gestraft te worden:

Een bange natuur ben ik. Zo waag ik het niet zomers
zomaar een fruitboomgaard in te lopen, waar ik

louter van onderen zou willen bewonderen, met
mijn armen op mijn rug, het warme welgevormde

hangen van elke volle blauwe vrucht, uit angst
dat de teler van me denkt dat ik er stiekem pluk.

(p. 381)

Regelmatig bezingt Beurskens in zijn gedichten het ogenschijnlijk nutteloze, zoals het languit liggen in een park in de zon. Het is wat hij noemt: de verplichting het leven te omarmen. Zo roept hij in het afsluitende gedicht 'Lamento' de lezer op een park binnen te wandelen en zichzelf te laten 'stelen':

Sta op en wandel eens een tuin binnen of
in een lentezonbeschenen park, laat je stelen,
even, zie hoe om je een Al te laten geworden
tussen het zeer vele weinig meer van node is

dan een in alle kalme klaarte in ondiep water voor je
oeverrand zich oranjerood bewegen van grote vijver-
vissen die je welhaast kunt strelen...

(p. 405-406)

Huub Beurskens, *Woongenot & reisplezier* (2001)

Huub Beurskens, Woongenot & reisplezier (2001)

Woongenot & reisplezier (2001)

Woongenot & reisplezier, een klein bundeltje uitgegeven in 2001, bestaat uit twee sonnettenkransen die Huub Beurskens in samenwerking met Wiel Kusters schreef. Kusters opende de krans 'Woongenot', Beurskens opende de andere krans, 'Reisplezier'. De gedichten eindigen steeds met de eerste regel van het erop volgende gedicht. De twee dichters schreven voor beide cycli om en om een gedicht.

De gedichten uit de cyclus 'Reisplezier' gaan over reizen, verandering en de geschiedenis, thema's die alle iets te maken hebben met wat ver weg is of met wat nog moet gaan gebeuren. In het eerste gedicht uit deze cyclus vraagt de dichter zich af of reizen wel een doel heeft. Als alles en iedereen van dezelfde waarde is, is er toch geen noodzaak een andere plaats op te zoeken?

Kan Eden ooit meer zijn dan een moment?
Je reist niet, verstuurt geen ansichtkaarten
als alles om en in je van evenveel waarde
is, hemel op aarde, waar je ook bent

(p. 24)

Toch heeft het onbekende zeker zijn charme:

nee, dat je het niet herkent, niet kennen kunt
als je niet meer terug moet in ovenhete steden,
over helse autowegen, door louter onpure natuur,

waar je van geluk mag spreken als voor de duur
van een tel zich een vermoeden opent in het heden.
Het onvervuld verlangen zij ons nog lang vergund.

(p. 24)

Huub Beurskens, *Als met een vogeltje* (2004)

Huub Beurskens, Als met een vogeltje (2004)

Als met een vogeltje (2004)

In 2004 verscheen bij uitgeverij Atlas de bundel Als met een vogeltje. De bundel is weer wat minder persoonlijk dan de bundel Zang en verdoving. Er is ook meer plaats voor de taligheid die in Beurskens eerdere bundels al naar voren kwam. Opvallend is ook het gebrek aan interpunctie. Dat creëert veel spanning omdat er open en verrassende zinnen ontstaan. Belangrijke thema’s binnen deze bundel zijn de natuur, liefde en lust en het heden en verleden. Mythologische en Bijbelse figuren spelen een rol en ook naar de tuin van Eden wordt vaak verwezen.

Het motto is een citaat uit het Bijbelboek Job:

Kunt gij met hem als met een vogeltje spelen,
en hem vastbinden voor uw meisjes?

Job 40:24

Deze vraag van Job is terug te vinden in het gedicht ‘Behandeling van de dwarsboom’ Maar bij Beurskens gebeurt er iets anders dan in het bijbelboek. In Job is de vraag of je een krokodil kon vastbinden om als een vogeltje met hem te spelen. Bij Beurskens gaat het om een engel:

treedt dan de schrikkelijke me alsnog in het zicht
zal ik met hem spelen als met een vogeltje hem

vastbinden voor mijn vriendinnen zien hoe ze me
bewonderen tot ze mijzelve voor engel houden en

kinderen met me willen dan laat ik de dwarsboom
neer in de engel geloof ik niet maar in mij worstelt

het dat ik dit tot geen een iemand voortplanten
wil en maar ga en ontwricht deshalve in me keer
.
(p. 47)

In Als met een vogeltje wordt een aantal zeer verschillende boomsoorten ‘behandeld’. Alle bomen krijgen een eigen verhaal dat bij hen past. Zo staat de appelboom in een tuin tussen een huis en een hondenhok en de kersenboom in een boomgaard die troost biedt in moeilijke tijden. Rondom de bomen gebeurt vaak iets. Dit is zeker het geval bij ‘Behandeling van de parkboom’:

schuur in het park met je hoofd
een boom tot hij niet alleen glanst

van water wacht ertegenover op
een bank gezeten zeker wetend

dat een team van orde gauw zal
komen bestaande uit niet eens

zo velen om hem aan zijn wortels
mee te nemen voor het stopt

met druilen en met gele lippen
een zwarte man erin kan kwelen
.
(p. 12)

Beurskens gebruikt de bomen om iets te beschrijven wat moeilijk te bevatten is. Het gedicht ‘Behandeling van de treurwilg’ begint met de zin:

De boom moet je goddoorlatend zien

In de rest van het gedicht onderzoekt Beurskens of de wilg iets van God kan laten zien. Het gedicht eindigt als volgt:

de vraag wat zo’n wilgs wezen wil met
zijn twijgtoppen omlaag geluk verdriet

je vindt het niet luister naar zijn waaien
het wordt maar geen lied omarm zijn stam

strooi met smalle blaren doorsta seizoenen
jaren kappen zagen vergeet het geleidelijk

misschien eens zie je een wandelende oude
voor de god aan die zijn zelf doorlaten kan
.
(p. 15)

In het gedicht ‘Behandeling van de mannelijke boom’ wordt de boom zelf een persoon. De boom in dit gedicht krijgt gevoelens en verlangens:

Om zonder te kunnen lopen om
zonder ogen neus en oren hevig

verliefd te worden op een vrouwe
zonder ogen neus en oren al even

hevig allenig geworteld verre van
zijn mogelijkheden haar te betasten

(p. 44)

In Beurskens’ poëzie is ook vaak een maatschappelijke betrokkenheid te vinden. In Als met een vogeltje doet hij dat heel subtiel. In het eerste en het laatste gedicht herinnert Beurskens de lezer aan de atoombomramp in Hiroshima. In het eerste gedicht, ‘Behandeling van de Hiroshimaboom’, vergelijkt hij de ‘boom’ van de atoomontploffing met grote gevaren uit de natuur. Hij beschrijft hoe zelfs engelen verbranden als deze ‘boom’ splijt. Beurskens besluit dit gedicht met de woorden:

Hiroshima is voor elk gedicht een woord
te zwaar gij moet het maar niet weer doen
.
(p. 9)

In het gedicht ‘Behandeling van de juniper’ houdt Beurskens zich zelf echter niet aan dit advies. Het slot van de bundel luidt:

hoewel zij die hem zag
er niet meer was staat

hoewel in ander licht nog
steeds in datzelfde jaar

aan de inham van Tomo
in wat nu wat Ootomo

no Tabito toen niet wist
de provincie Hiroshima is
.
(p. 50)

De gedichten in Als met een vogeltje gaan niet alleen over bomen. Beurskens behandelt ook dieren, een voorwerp of natuurverschijnselen. In ‘Wandeling met déjà vu’ beschrijft hij het psychologische verschijnsel waarin de tijd ons een moment anders voorkomt:

niet ademloos onttrekken aan het nu het onttrekt zich
voortdurend maar aan ons in het kortstondig defect

nee erna als effect ervan alleen ervaren wij ons
geheel als heel geweest en overdenken dit dan

(p. 27)

De cyclus ‘Rêverieën van een caféist’ neemt in de bundel een speciale plaats in. Dit allereerst vanwege de vorm van de gedichten in deze cyclus die afwijkt van de rest van de bundel. De andere gedichten bestaan ieder uit zeven strofen van twee regels. De cyclus bestaat uit negen gedichten van elk drie strofen van vier regels. Elk gedicht binnen het grote gedicht heeft een nummer.
Ook qua thema verschilt ‘Rêverieën van een caféist’ van de andere gedichten in de bundel. De caféist is waarschijnlijk een cafébezoeker die het drinken als zijn beroep ziet. Het gedicht bevat de gedachten die deze man toevallen terwijl hij zijn biertjes drinkt. Zijn dronkenmansgedachten lijken bijna filosofisch:

5

Hoe zou een zwarte kat ongeluk kunnen
brengen maar een over zee aanvliegende
bommenwerper hoop peinst de caféist

(p. 33)

Huub Beurskens, gedicht 'Blast' in de bibliofiele bundel *Scherven flessenglas* (2006)

Huub Beurskens, gedicht 'Blast' in de bibliofiele bundel Scherven flessenglas (2006)

Inktvis ademt je voeten zwart,
we moeten door passages.

Naar aanleiding van dit gedicht van Hertmans schreef Beurskens 'Ruimte voor verwensing'. Het gedicht sluit duidelijk aan op dat van Hertmans:

'Aan passies valt niet te ontkomen,'
zei je op een avond een kwarteeuw geleden
op een van visgeur doortrokken kade waar

we als in extase tussen twee haltes wachtende
schimmen waren voor wie ons vanuit langsvarende
boten zagen. 'Net zomin als de hagedis aan de leeuwin,'

(p. 66)

In Hertmans' 'Verwensing van ruimte (Venetië)' gaat het vooral over de stad zelf. In Beurskens gedicht staan de passies uit de eerste zin centraal.
Beide gedichten eindigen met de beschrijving van een plaats om naartoe te vluchten. Bij Hertmans:

een geheime holte
waarin Carpaccio’s hagedis
op ons wacht.

Bij Beurskens:

Ik spied naar ontsnappingsgaten,
Jij kruipt in de schaduw van een zich likkend dier.

In het slot van Hertmans 'Verwensing van ruimte (Venetië)' zien we waar de hagedis in Beurskens gedicht vandaan komt. De hagedis in 'Ruimte voor verwensing' vlucht voor een leeuw. Sint Marcus, de beschermheilige van de stad Venetië, wordt afgebeeld als leeuw.Probeert Beurskens ik-persoon hier aan passies te ontsnappen als een hagedis aan een leeuw?

Afbeelding van de Leeuw van Sint Marcus de beschermheilige van Venetië (bron:[Wiki Commons](http://commons.wikimedia.org/wiki/File:D%C3%A9tails_de_la_Fa%C3%A7ade_de_la_Basilique_Saint_Marc.jpg))

Afbeelding van de Leeuw van Sint Marcus de beschermheilige van Venetië (bron:Wiki Commons)

Huub Beurskens, *Hotel Eden* (2013), pagina 38-39

Huub Beurskens, Hotel Eden (2013), pagina 38-39