1998-2000: Ik eis onweerstaanbaar bizarre poezie

Het felrode omslag van de debuutbundel Van de vierkante man van Ilja Leonard Pfeijffer uit 1998 heeft als blikvanger een achteroverhellend vrouwengezicht in een klein vierkant. De afbeelding is afkomstig van een Grieks sigarettenmerk - niet vreemd voor een graecus - met als merknaam 'Santé' ('sowieso een goeie naam voor sigaretten').

Vooromslag vanVan de vierkante man(1998)

Vooromslag vanVan de vierkante man(1998)

Titelpagina vanVan de vierkante man(1998)

Titelpagina vanVan de vierkante man(1998)

Binnenzijde vooromslag vanVan de vierkante man(1998)

Binnenzijde vooromslag vanVan de vierkante man(1998)

De romanticus uitVan de vierkante man(1998), p. 63.

'De romanticus' uitVan de vierkante man(1998), p. 63.

De bundel bevat ook een gedicht met de titel 'De Graecus', waarvan de laatste strofe luidt:

het aroma van grieks is bittere koffie met sigaretten
ophoesten in lamplicht niks
fel oranje neuken in de zwarte zon
schrijf daar dan over potsierlijke graecus! het is tijd
voor je trugrede van dat alles verwatert
als zon voor de sneeuw dat gaven graven waren
en dat een man zijn zwaard begraaft in het zand
ga scheppen want wat kun je meer anders zeggen?

(p. 27)

De titel van deze bundel verwijst naar Xenofon, die Pfeijffer wel eens zijn lievelingsdichter heeft genoemd. Xenofon behoort tot degenen die vierkant associëren met volmaaktheid. Eigenlijk heet de bundel dus: Van de volmaakte man. Van de vierkante man opent met een aantal programmatische gedichten. Zo is er een anti-Faverey pesterijtje:

     u kunt afruimen
de witomrande amuse gueule uit de nouvelle cuisine
van chrysanten die in de vaas op de tafel bij het raam staan
maar niet in de vaas op de tafel bij het raam staan
vegetarische stilleventjes geschetst met de zilverstift

(p. 11)

Hier wordt een hele poëziestroming op de hak genomen met een duidelijke verwijzing naar de cyclus 'Chrysanten, roeiers', waarin de woordvolgorde in de tweede zin over de chrysanten verschilt, een verschil dat Pfeijffer hier opheft.

De terughoudendheid, het bijna protestantse, van die verstilde poëzie-school - geen woord te veel - duidt Pfeijffer aan met begrippen als 'amuse gueule' en 'nouvelle cuisine' en 'vegetarische'. De tweede strofe van dit openingsgedicht van de bundel pakt daarentegen stevig uit en past helemaal bij zijn eigen bourgondische dichtkunst: geen associatie te weinig.

laat met de lardeerpriem doorregen goed gevulde
wildbraad aanrukken en op een roodborstig banket
van dansend vlees zappen naar glimmend wellustig vlees
als een clip in grootbeeld kleur

serveer mij in roomboter gebakken beelden
en verzen met boulemie

(p. 11)

Deze uitbundigheid is typerend voor Pfeijffer:

een ergerend man met een woordenschat
(p. 15)

die zich allerlei vragen stelt, zoals:

zouden sierlijke mensen betere mensen zijn
die krullen trekken van angst?

(p. 18)

en die het met sierlijke en onsierlijke mensen maar moeilijk eens kan worden en dat in citeerbare regels weet te formuleren - regels die deels zelf uit citaten bestaan:

uiteraard komt alles uit maar de meeste mensen
wensen verkeerd

(p. 22)

Een regel die verwijst naar Theresia van Avila. Zo zijn er ook verwijzingen naar Willem Kloos, Rutger Kopland, Lucebert en de Griekse dichter K.P. Kavafis. De dichter zelf wenst zich een heftig liefdesleven en beschrijft een van zijn avonturen met 'het meisje amsterdam', dat 'minstens drie meter lang' schijnt te zijn:

je hijgt trappen op
achter haar blauwe
bolwerk want ze woont hoog

(p. 35)

Inmiddels hebben enkele typerende stilistische kenmerken de revue gepasseerd, zoals de associatieve sprongen, vreemde woorden ('trugrede') en verwijzingen. Verwantschap in stijl is er zeker met de Vijftigers en dan vooral Lucebert. De dichter beschrijft zichzelf als iemand die 'wil kantelen' en voor wie verzinsels 'vaak waarderder' zijn:

mysticus van de spreuken en niks dan de spreuken
sprokkelaar van gewrochtsels ben ik andersoortig denkelijk

(p. 47)

De verzinsels, beelden, metaforen en associatieve reeksen buitelen over elkaar heen. Pfeijffer schrijft bijna nooit korte gedichten, maar vult de pagina's met beelden, waarbij tussen de wolken soms opeens heel verrassend de lucht verschijnt, zoals:

als je mij laat in de middag wakker kust
bij het krieken van de televisie

(p. 48)

Na de poëticale begingedichten gaan de overige gedichten voor een groot deel over de liefde. Daarbij wordt modernistische straatjargon snel in de mond genomen:

hij hiphopt als een keetreet door het leven
lokale jodelheld en bierlokalenschuimer
hij vreet de wijvenreten om het even

(p. 59)

Tientallen woordvariaties en -spelletjes - soms aaneengeregen woorden zoals de Tachtigers die demonstreerden - en talloze alliteraties gebruikt Pfeijffer om associaties in ketens te ordenen:

dram dromende druilknol knoestig knort
het grote leven in je billets doux onder vuil vernis
venedig koorts verval zwalkend gekrast
in rottende zwierinkt dat het gaat walmen
van lekkend ongeluk jenever en eigenwaan

(p. 63)

De ware graecus schuwt immers geen enkel retorisch middel en doet zich dan ook soms voor als een rederijker, die zijn kunsten aanwendt voor een keurig liefdesgedicht dat een subversief verhaal vertelt, dat alleen onder de toonbank wordt verkocht:

in de lokhorststraat met het meisje van zilver
in de brandewijnsgracht met het meisje van zilver
in de minnestraat met het meisje van zilver
in de meisjespoort met het meisje van zilver
in de paradijssteeg met het meisje van zilver
in de beschuitsteeg met het meisje van zilver
in de uiterste gracht met het meisje van zilver

(p. 68)

Soms is de dichtkunst zelf op te vatten als een liefdesspel:

men neukt wat rond
in afwezige lijven

(p. 69)

Tegen het slot van de bundel Van de vierkante man staan drie vertalingen uit het Grieks, het creools en het Engels. Een van deze gedichten typeert de graecus (Pindarus). Een van de andere gedichten verbindt zijn poëzie met die van Ezra Pound: compromisloos, vol citaten en literaire verwijzingen, geleerd en springerig.