2001-2002: Ik zal uw helderheid verhelpen

De tweede dichtbundel van Pfeijffer verscheen in 2001 onder de titel Het glimpen van de welkwiek.

Achteromslag vanHet glimpen van de welkwiek (2001)

Achteromslag van*Het glimpen van de welkwiek *(2001)

Academia uitHet glimpen van de welkwiek (2001), p. 42

'Academia' uit*Het glimpen van de welkwiek *(2001), p. 42

Academia uitHet glimpen van de welkwiek (2001), p. 43

'Academia' uit*Het glimpen van de welkwiek *(2001), p. 43

Academia uitHet glimpen van de welkwiek (2001), p. 44

'Academia' uit*Het glimpen van de welkwiek *(2001), p. 44

De polemische activiteiten van Pfeiffer komen in deze bundel vooral tot hun recht in het lange gedicht 'Vuurvogel' ('vuurvogel' eigenlijk, want Pfeijffer gebruikt zoals de Vijftigers consequent kleine letters). Daarin wordt eerst en vooral duidelijk gemaakt wat poëzie allemaal niet is: 'geen poging tot prevelen' is het, 'geen verstaanbaar verslag in eenvoud ingediend'. Ook zet hij zich af tegen de poëzieschool die 'een madeliefje meubelstuk of kinderziel' zo zien, zoals het nog nooit is gezien, de dichters dus die de nadruk leggen op het op een bijzondere manier kijken naar de wereld. Ook 'puistig provoceren op een popi podium is geen poëzie', waarmee alle performers en rappers het nakijken hebben. Al evenmin is het een 'ootmoedige hoogmis voor de poëzie' of 'heethoofdig samenzweren in een revolutionair café', dus geen terrein voor ontzag of engagement. Halverwege het gedicht moet de dichter dan toch zeggen wat poëzie wel is en dat blijkt niet zo eenvoudig. Hij komt eerst met sfeer en omstandigheden aanzetten:

poëzie is prinsheerlijk pinkelen in gotham city
terwijl je messen vermoedt en gevallen vrouwen

(p. 28)

en:

poëzie is vuig portamento met vals contrapunt
van een lui baldadig orkest dat aan bier denkt

(p. 29)

Ondertussen is wel duidelijk dat poëzie in de eerste plaats geen andere ambities moet hebben dan in woorden te bestaan. Niet in goede bedoelingen, idealen of wetten. Toch is het niet een woordspel zonder meer:

poëzie is jouw pijn in haar tieten terwijl het regent op de gracht
en je lacht want er valt niets te lachen

(p. 29)

De poëzie die Pfeiffer voorstaat moet duivels en hemels tegelijk zijn, waarheid en verzinsel in een onscheidbare kluwen, occult en vreeswekkend:

poëzie is gevaarlijk of zij is geen poëzie
(p. 30)

waarna de uiteindelijke strofe zonder schroom de wereld van cliché's binnenzeilt:

poëzie is mens de dansende wereld dromen en pijnlijk leven zingen
in de taal van mensen
poëzie is mens

(p. 30)

Dit is wat Pfeijffer in een voorwoord bij klassieke liefdesgedichten (Niets zoeter dan de eros) verklaarde over de Griekse en Romeinse dichters: 'En de liefdeslyriek van Griekse en Latijnse dichters is geen verstilde, nobele poëzie van verheven sentimenten. Zij stinkt naar mens. Zij is vals, goor, banaal en echt.' En: 'Zij schreven poëzie met kloten'. Pfeijffers dubbele positie als dichter en geleerde komt ter sprake in een ander lang gedicht, 'Academia':

ken jij de stad die stevig is gebouwd van torenhoog verheven
hersenspinsels en zorgvuldig fantasievol vormgegeven
goed geconstrueerde luchtkastelen op de fundamenten
van een wilde hypothese

(p. 42)

Een stad ook waarvan de verlichte geest tot ver over de grenzen befaamd is en waar studenten dan brallerig zijn, maar wel 'goed latijn' brallen:

waar jongens jongens zijn met overgave
en meisjes eeuwig negentien

(p. 42)

Maar die stad kent de dichter niet meer. Wel kent hij

de stad die in het afgekorte
oeverloze esperanto van benepen managers
wordt gekort en afgeknepen ten bate van van de baten
en employability en die gemarket worden moet
met wervingsslogans als was zij een wasmiddel

(p. 42-43)

Daarmee is de plaats van 'de idealen van zeven vrije kunsten' aan het 'dorren van het dealen voor het derde geld', zoals Pfeijffer het in deze protestsong uitdrukt.

De titel van de bundel wordt ontleend aan het gedicht 'Kijker':

het valt nog te bezien of ik kan stijgen
maar glimpen blijft een welkwiek eigen keen incluis

een vleugelflensling ben ik uit het korps van zieners
gevallen engel in de spraak van bloed

(p. 53)

Dit gedicht is het eerste in een reeks sonnetten ofwel klinkdichten en al die achttien gedichten hebben klinkende titels met een grote hoeveelheid letters 'k', zoals: 'kygnos', 'kunststuk', kleinhans', 'kammerspiel', 'kringloop', 'knechtschap kilopascal', 'kabeltelevisie' en 'klinkers van k'.

Het gedicht 'geen haiku' geeft ook aan dat de dichter niet te beroerd is er een dubbele moraal op na te houden als het om dichtkunst gaat:

geen haiku

vlinder in de trein
mijn god dacht ik als daar maar
geen haiku van komt

(p. 79)

In het gedicht 'De man van vele manieren' (p. 87-89) lijkt het wel of Pfeijffer probeert zulke lange woorden te gebruiken dat ze in hun eentje een hele regel in beslag nemen. Via 'sneuvelbereidheid' en 'zwabberuiers' komen we bij 'punnikoogjes', hangbrugneusje' en 'toetstielemansepigoontje'. Uiteindelijk gaat het er simpelweg om dat wolken veranderen in vrouwen, die

knielen voor mijn stoel en biechten
dat verhalen bestaan die ik verzon?
het houdt nooit op er komt
geen einde aan

(p. 89)

Dolores (2002)

In 2002 verscheen Dolores: elegieën, zoals alle andere Pfeijffer-boeken bij De Arbeiderspers, voorheen de thuishaven van vooral anekdotische en ironische dichters, in elk geval niet van de experimentelen.

Ilja Leonard Pfeijffer, Dolores (2002): voorzijde omslag

Ilja Leonard Pfeijffer, Dolores (2002): voorzijde omslag

Ilja Leonard Pfeijffer, Dolores (2002): achterzijde omslag

Ilja Leonard Pfeijffer, Dolores (2002): achterzijde omslag

Ilja Leonard Pfeijffer, Dolores (2002), pagina 36

Ilja Leonard Pfeijffer, Dolores (2002), pagina 36

Ilja Leonard Pfeijffer, Dolores (2002), colofon

Ilja Leonard Pfeijffer, Dolores (2002), colofon

Dolores is deel 4 van de zogeheten Steppoli-tetralogie, waarvan verder alleen nog het eerste deel, de roman Rupert, werd gepubliceerd. Deze gedichtenbundel bevat dertig liefdesgedichten die vooral de wanhoop, pijn en mislukking van de liefde tonen. De bundel opent met een gedicht dat Pfeijffer schreef over het thema Het Ideale Gedicht. Lezers van NRC Handelsblad, de VPRO-gidsen bezoekers van de Poetry International-website maakten via een enquête duidelijk welke eigenschappen een ideaal gedicht zou moeten hebben. Dat ideale gedicht gaat 'over het raadsel van het bestaan', het stemt tot nadenken, het is weemoedig en humoristisch, het rijmt liever niet en is niet streng metrisch. Elf dichters schreven zo een gedicht; dat van Pfeijffer begint als volgt:

in een niet nader aangeduid seizoen
schreef ik in de ik-vorm een tijdloos
en meerduidig gedicht over het raadsel
van het bestaan dat met weemoed en humor
tot nadenken stemde en ontroerde
het had geen strakke vorm er kwamen zeekoeien in voor
en berekeningen van salonbèta's die wel klopten
maar niet van toepassing waren en woorden zoals houtekiet
waarop je niet kunt rijmen alsmede koenraads kleefpastei
en zeezoutwit dat altijd blauwer opdroogt dan je dacht
en iemand die zei hebben jullie dat nou ook
maar niemand had dat ook het was een ideaal gedicht

en maar want toen ik jou toen ik jou zag zitten
leunen en liggen in jouw weergaloze jij-vorm
met het pronte volrijm van jouw deinend distichon
op het dwingend strakke metrum van jouw maten
in fracties van seconden volmaakt expliciet

(p. 7)

Toen viel alles op zijn plaats, aldus het gedicht:

rijmde mijn bestaan op het raadsel van jouw lijf

en was er liefde op het eerste gezicht:

ik heb je gezoend gelikt gezoend en uitgeknipt
en opgeprikt waar ik jou dag en nacht kan lezen

jij o mijn pure vorm mijn ideaal gedicht
(p. 7)

De dertig gedichten verschillen zeer in lengte, maar eindigen allemaal met een enkele, vaak ultrakorte regel, zoals:

stomme mutsetrut
(p. 17)

of:

ik wil vandaag voor een dag dood zijn in jouw kussens
(p. 27)

Intussen wordt in de meeste gedichten over de liefde gesproken in een steeds wisselend jargon. De muziek bijvoorbeeld:

luister en hoor het spel van vingers en lippen
hoe in een zacht gestreken bed van donzen altviolen
hartslag sluimert van de slag terwijl een donkerbruine tremolo
vlindert in de onderbuik van bas en cello

(p. 10)

Die onderbuik krijgt snel meer te doen: 'hij rijst' en wordt vergeleken met 'een kolom van een ongehoord akkoord' en vervolgens verdringen de muziektermen elkaar: 'crescendo', 'reine drieklank', 'balken', 'tutti', 'septiem', 'blinkende bekkens', 'accelerando poco a poco', 'fuga', 'con fuoco', 'kwintencirkel', 'grande finale' tot het 'contrapunt'.

In een ander gedicht zijn beeldspraak en woordenschat ontleend aan de handel:

ik had je uitgestippeld en dolores tot in de puntjes
doordacht dat ik na investering van mijn blik
op jouw blik en alles wat mij is
met derving van al mijn activa
vijandig werd overgenomen door het bedrijf
van jouw hoge gebaren

(p. 11)

Vaker echter zijn de termen afkomstig van eettafel, keuken en markt:

zwaanziek zwelgen in elkaars blanke armen van boter
met gedotterde ziel en zalig zeuren als een kind
met vette ogen glimmen tot in het einde van het alfabet
benevelig vervluchtigd tot elkaars bouquet dat ons dronken
duizelt van liefde en het was

en het was goed dolores
(p. 33)