De gedichten van Ingmar Heytze, 2001-2011
Ingmar Heytze, Elders in de wereld (2008)

Ingmar Heytze, Elders in de wereld (2008)

Elders in de wereld (2008)

In 2008 verscheen de bundel Elders in de wereld, waarin opnieuw plaats is voor gedichten over de liefde en over het schrijven van poëzie. Maar ook heeft Heytze weer een uitgebreide verantwoording achterin zijn bundel geplaatst, zoals hij ook in Het ging over rozen heeft gedaan. De gevleugelde uitspraak ‘elke gelijkenis met poëzie en proza van anderen in flarden, echo’s of citaten is louter opzet’ ontbreekt daarbij natuurlijk niet.

Als Heytze het dichten als onderwerp neemt, komt hij soms verrassend uit de hoek. Hij schrijft niet alleen meer over poëzie, maar ook waarom hij niet tot het schrijven van een gewenst gedicht is gekomen. Het openingsgedicht staat bijvoorbeeld geheel tussen haken. Er had eigenlijk een andere tekst moeten staan, maar de dichter was zo slaperig tijdens het schrijven ervan, dat de tekst onleesbaar is geworden:

(Op deze plaats hoort een ander gedicht.
Dat komt, ik kan mijn handschrift
niet meer lezen. Ik werd wakker
van een stralend licht dat door
de kamer gleed - was het de maan?

(p. 7)

Maar er staat natuurlijk wel een gedicht.De eerste regel lijkt te verwijzen naar het gedicht 'De schrijver' vanMartinusNijhoff, dat begint met de regel 'Op deze plek heeft een gedicht gestaan'.

Iets dergelijks als in het openingsgedicht is het geval als de dichter zich beklaagt over een pechdag en aan de lezer meedeelt daarom geen gedicht te hebben geschreven. Het gedicht heeft een komisch effect, omdat het pretendeert geen poëzie te zijn, terwijl het dat overduidelijk wel is:

Vandaag waaide er iets onzichtbaars in mijn oog.
De huisarts spoot fluor op mijn netvlies
om te zien of alles verder in orde was.
Later werd ik aangereden
door een rode Volvo.

De vaatwasser maakte alles vuil. De honing
voor de thee is op. De ibuprofens blijken een jaar
over de datum - zo pijnloos heb ik geleefd -
en ik weet niet of ik ze nog slikken mag.
Zo’n dag. Heden geen gedicht.

(p. 39)

In Elders in de wereld staan ook weertalrijke gedichten over de liefde. Opvallend is dat in de bundel gedichten over het terugverlangen naar verbroken relaties een plaats hebben naast gedichten over een nieuwe liefde. De dichter blikt in een aantal gedichten met weemoed terug op de verhouding die hij met een voormalige geliefde had. Herinneringen worden soms bijna tastbaar, maar de ex-geliefde is al zo ver weg dat ze eigenlijk onbereikbaar is geworden, zoals in het gedicht ‘U-96’:

Ik weet het niet. Af en toe is er een lach, een lied
waarvan ik hou, een ademhaling als de jouwe -
dan laad ik de torpedo’s, zet de motor af, blijf angstig
drijven in een zee van zweet, hijgend, radeloos.
Telkens is het loos alarm, maar soms verlang ik hevig -

(p. 12)

In ‘Conversatie’ omschrijft de dichter de afstand tussen hem en zijn ex-geliefde als veel groter dan de afstand tussen een astronaut en de aarde. Een gesprek met die astronaut zou makkelijker zijn dan een gesprek met degene met wie de relatie verbroken is:

Maar je bent veel verder weg,
tien minuten fietsen en twee
maanden uit elkaar, ik weet
al bijna niet meer wat ik
tegen je moet zeggen.

(p. 13)

In het gedicht ‘Man en maan’ wordt de dichter heen en weer getrokken tussen twee liefdes. Hij vraagt zich vertwijfeld af of het niet mogelijk is beide vrouwen tegelijk lief te kunnen hebben.

Misschien ben ik geen man
meer, maar een volle maan
tussen twee zonnen, dralend
in zijn baan. Ik wou dat
jullie zeeën waren,

(p. 24)

In het gedicht ‘Drie eilanden’, dat op ‘Man en maan’ volgt, bezingt de dichter een nieuwe geliefde. Hij omschrijft haar persoon als drie eilanden die hij verkent en soms nog moet leren kennen:

Het eiland van je hoofd is oud.
Er staat een stenen huis waarin ik
hele kamers nog niet ken.

(p. 25)

In ‘Drie eilanden’ is de dichter zijn geliefde in ieder geval al een stuk dichter genaderd dan in ‘Man en maan’, waar hij rondzweeft als een hemellichaam dat aangetrokken wordt door twee zonnen, die hij nooit echt zal kunnen bereiken. Weer een bladzijde verder droomt hij van een huwelijk met zijn geliefde. In zijn droom loopt de dichter door een stad die langzaam verandert in een bruidstaart. Uiteindelijk komt hij pal naast haar te staan, op de top van de taart:

Mijn kleren smolten om tot chocola.
Er kwam een lange vinger met twee ringen
en een vraag. Wij zeiden: ‘Ja.’

(p. 26)

Ook een klassiek onderwerp als de dood heeft een plaats in Eldersin de wereld, op een soms geïroniseerde manier. In het gedicht ‘Kopermeisje’ beschrijft de dichter een ontmoeting met een levend standbeeld. Hij observeert het meisje een tijdje en bedenkt zich hoe moeilijk het moet zijn om het lange stilstaan vol te houden. In de slotregels geeft hij plotseling een wending aan zijn gedachtegang:

als je denkt dat het voor altijd -
zodat dit, uiteindelijk, toch weer
een verhaaltje is over de dood.

(p. 22)

In ‘Gangsterliefde’ laat Heytze een gangster aan het woord, die dood is gegaan toen hij onder een laag cement werd bedolven. De gangster beschrijft op droge toon hoe hij er vrede mee heeft gekregen dat hij gaat sterven:

Toen het cement zich sloot boven mijn hoofd
viel er toch iets van me af. Rust nu maar uit,
dacht ik met de dode dichteres die recht
van spreken heeft, je hebt je strijd gestreden.

(p. 23)

Hier is sprake van een terloopse verwijzing naar Nel Benschop, wiens 'Rust nu maar uit, je hebt je strijd gestreden' menig grafsteen siert.

Tegen het eind van de bundel slaat Heytze een serieuzere toon aan in enkele gedichten over de dood. Zo beschrijft hij in het gedicht ‘Etser’ (een in memoriam voor de Utrechtse kunstenaar Gerard van Rooy) de verbazing van een dode die als geest in zijn eigen huis terugkeert:

De dood is een soort diefstal. Je komt thuis
in een onttakeld huis. Kasten staan je aan te gapen.
Laden liggen op de grond. Niemand heeft iets gehoord.

(p. 50)

En in een ander gedicht mijmert hij over de beste manier om dood te gaan.

Slaap met uitzicht in een luchtschip.
Eeuwig vliegen dat ik droom

(p. 54)

In Elders in de wereld keren de onderwerpen die Heytze in eerdere bundels al had aangesneden weer terug. Ook de kritiek op recensenten ontbreekt niet in deze bundel. In het gedicht ‘Mijn vijanden’ omschrijft hij zijn criticasters als een voetbalelftal dat niet tegen hem is opgewassen. Recensenten, webloggers en journalisten omschrijft hij als ‘de smalende redactie van De Onaantastbare Onleesbaarheid’. En Heytze weet ook te verrassen door gedichten te schrijven vanuit een bijzonder perspectief, zoals een ‘bewoner’ van Madurodam:

Vandaag kreeg een bejaarde een beroerte
en verpletterde een seinhuisje.

Dat soort dingen kun je niet negeren,
maar over het algemeen probeer ik de bezoekers
te beschouwen als wolken, of bergen.

(p. 18)

Of door een Tomtom adviezen over het leven te laten geven:

De vrouwenstem die lange tijd tevreden was geweest met mij te vertellen
waar ik heen moest, zei op een dag: ‘Trouw niet met E.’ Ik sloeg abrupt rechtsaf. ‘En neem een ander bankstel.’ Ik reed verdwaasd een
stukje door de berm.

(p. 33 - De opmaak in de bundel is anders)

Ingmar Heytze, Utrecht voor beginners (2009)
Ingmar Heytze, Utrecht voor beginners (2009)

Ingmar Heytze, Utrecht voor beginners (2009)

Ingmar Heytze, Utrecht voor beginners (2009)
Ingmar Heytze, Utrecht voor beginners (2009)

Ingmar Heytze, Utrecht voor beginners (2009)

Ingmar Heytze, Utrecht voor beginners (2009)
Ingmar Heytze, Utrecht voor beginners (2009)

Ingmar Heytze, Utrecht voor beginners (2009)

Utrecht voor gevorderden (2011)

Heytze begon zijn stadsdichterschap met de bundel Utrecht voor beginners en sloot deze af met een nieuwe dichtbundel: Utrecht voor gevorderden. De Domstad in 49 nieuwe gedichten (2011). Deze bundel is compacter uitgevallen dan Utrecht voor beginners (162 pagina’s), maar is met 70 pagina’s nog steeds een omvangrijk werk. Ook in deze bundel bekijkt Heytze Utrecht op strikt persoonlijke wijze De bundel kreeg een motto mee van C.C.S. Crone: ‘Utrecht, stad van zachte idioten, ik werd er zelf geboren’.