De gedichten van Ingmar Heytze, 2012-heden

Ademhalen onder de maan (2012)

In januari 2012 verscheen Heytzes bundel Ademhalen onder de maan, de eerste bundel na zijn stadsdichterschap. De bundel werd gepromoot via een boekblogtournee: een uit Amerika en het Verenigd Koninkrijk overgewaaide ontwikkeling, waarbij een nieuw boek een virtuele reis maakt langs een aantal boekenblogs. In Ademhalen onder de maan slaat Heytze ten opzichte van zijn eerdere werk een andere toon aan. De bundel wordt door critici 'zwaarmoediger' en 'serieuzer' genoemd en ook Heytze zelf benoemt de sfeer van de bundel als 'minder vrijblijvend, minder vriendelijk'.

Ingmar Heytze, Ademhalen onder de maan (2012)
Ingmar Heytze, Ademhalen onder de maan (2012)

Ingmar Heytze, Ademhalen onder de maan (2012)

Ingmar Heytze, Ademhalen onder de maan (2012)
Ingmar Heytze, Ademhalen onder de maan (2012)

Ingmar Heytze, Ademhalen onder de maan (2012)

Ingmar Heytze, Ademhalen onder de maan (2012)
Ingmar Heytze, Ademhalen onder de maan (2012)

Ingmar Heytze, Ademhalen onder de maan (2012)

Ingmar Heytze, Ademhalen onder de maan (2012)
Ingmar Heytze, Ademhalen onder de maan (2012)

Ingmar Heytze, Ademhalen onder de maan (2012)

De bundel is in tegenstelling tot zijn stadsdichtersbundels ook beknopter (45 pagina's) en bevat meer nieuwe gedichten en minder eerder gepubliceerde gedichten. Het onderwerp van de bundel is het leven in de breedste zin van het woord, met gedichten over allerlei soorten levenservaringen: valkuilen, verdriet, absurditeiten, de dood, de liefde, geboortes en geluk. Heytze probeert zich in Ademhalen onder de maan in te leven in anderen.

De zwaarmoedige ondertoon van de bundel komt voor een deel voort uit het verblijf dat Heytze in de zomer van 2011 doorbracht als gast in een psychiatrische instelling in Den Dolder. Heytze schreef toen op verzoek een aantal gedichten over zijn ervaringen met het leven in de instelling en de bewoners. De gedichten over de instelling verschenen eerder als PDF-bestand onder de titel Atlas van wanen. Deze gedichten maakten deel uit van een multimediaal project in samenwerking met fotograaf/vormgever Anouk Prins en beeldend kunstenaar Peter van der Horst. Het gedicht 'Testpiloot' gaat over Heytzes gesprek met bewoner Saskia, die een man zoekt:

Het tragische aan ruimtereizen
is dat je nergens komt; een baan
om de aarde, een vlag op de maan.
Aan bestemmingen geen gebrek,

het is alleen zo groot en leeg dat
groot en leeg de woorden niet meer
zijn. Je reist te traag, je leeft te kort,
je bent van stof en niet van licht.

Toch zit ze naast me op de bank,
ze zoekt een man van buiten
met een auto of een brommer,
iedereen hierbinnen is gek.

Ze was op weg, er waren stemmen,
vals en echt, de stad en andere drugs,
ze stak het huis in brand omdat ze
honger had. Ze werd gebruikt

als testpiloot. Het contact met
de basis is verloren, ze reist verder
door behandelkamers, heerlijk nieuwe
werelden, haldol, fluanxol, clozapine.

(p. 14)

Soms lijken de gedichten meer op kort proza dan op poëzie, zoals 'Achter ons'. De angst van de hoofdpersoon resulteert in ongecontroleerde zinnen:

Jij weet toch ook dat elke richting die we inslaan zuiver neerkomt op vooruitgaan. Achter ons wordt alles alweer opgerold, steeds haastiger en efficiënter.
   Vroeger mochten we niets merken. Dan werd er muziek ingezet, vanuit een raam aan de overkant. Of stralende meisjes, om ons de juiste kant op te laten kijken. Dat krijg je door, op een gegeven moment. Dan kijk je niet meer. Jij wel? Jij weet toch ook hoe het gaat. Jij weet toch ook dat de straat, het grasveld, onze vriendschap, deze lome zomerdag om in te zwemmen – dat die hele werkelijkheid waar we samen liepen, steeds minder geruisloos wordt afgebroken en steeds slordiger opgebouwd.
   Jij weet toch ook dat de dag steeds dichterbij komt. De dag waarop ze een steek laten vallen en jij nét op tijd niet naar het meisje kijkt maar met een woeste ruk achterom. En dat je het plotseling ziet. En dat het, als je het eenmaal hebt gezien, onmogelijk is om het niet te zien. En dat ze weten dat jij het zag en helemaal geen moeite meer doen, behalve als er anderen in de buurt zijn, zodat niemand je gelooft.
(p. 15)

Uit 'Achter ons' spreekt angst voor het voorbijgaan van de tijd, alsof de hoofdpersoon achtervolgd wordt door mannetjes die zijn leven vooruit duwen en de geschiedenis achter hem 'oprollen'. Het leven lijkt in scène gezet.

Heytze speelt vaker met het concept tijd in Ademhalen onder de maan. In 'Je had een potlood in je haar' spoelt hij de film van een (voorbije?) liefde terug naar het begin:

De kop was eraf. Ik liep terug naar de deur die
ik met een doffe klap weer opendeed en hield
je (tranen, tranen) vast, we schreeuwden van
jij ook altijd en ja, maar jij…je duwde een brief

onder mijn neus en ik fietste achteruit naar
het café dat net weer openging. Daarna begon
het grote geluk, hoewel steeds meer lieve kleine
dingen van ons samen in het niets verdwenen

tot die avond in de galerie, ik kreeg je nummer
en we praatten en we praatten en ik sprak je aan,
je draaide je van mij vandaan, ik zag je staan
in silhouet en was verliefd en wist niet hoe je heette.

(p. 40)

In ‘Offerandes’ spoelt hij de tijd juist vooruit om zich te beschermen tegen toekomstig leed:

Ik heb iedereen maar vast begraven, vrouwen en kinderen eerst. Vriend en vijand. Oude liefdes. Collega’s. Familie.
Ik ben zo slecht in afscheid nemen, ik heb geen talent
om te verdragen dat de mensen om me heen verdwijnen
op een dag, ongevraagd vervangen door gezichten die
ik niet herken. Als het moet, dan ook meteen maar
al die bekenden tegelijk, een plein vol kisten en ik
op een stoel, de Last Post – laat mij de laatste veteraan
van Verdun maar zijn, de jongste baby op de Titanic.
Later, wanneer ik doodalleen over het kerkhof scharrel
met mijn kar vol bloemen, bonkt en klopt het ondergronds tegen honderden deksels. Ze willen eruit. Ik begrijp dat, hurk neer, fluister sussende woorden. Het is beter zo,
voor hen, voor mij. Ik offer mij wel op.

(p. 36)

Ademhalen onder de maan is veel minder ironisch dan bijvoorbeeld Utrecht voor beginners (2009). Toch grijpt Heytze ook terug op zijn oudere werk. 'Maquette', dat is geschreven vanuit het perspectief van een 'bewoner' van een maquette, doet denken aan een gedicht over een 'bewoner' van Madurodam uitElders in de wereld (2008):

Ik hoop dat het precies zo wordt, maar dan iets
groter. Verder alles graag hetzelfde. Dus: manshoge
stroken karton, de buurvrouw op de stoep gelijmd,

struiken van elandmos, auto's als luciferdoosjes
langs de plastic vaart. Kijk, hier zit ik en daar sta jij,
voor altijd. Doen we ooit dat raam nog dicht?

Nergens voor nodig. Wat een prachtig uitzicht,
zo'n tl-balk als een zeppelin van licht. Wonen we
werkelijk op een grote tafel in het heelal, zoals

meneer pastoor beweert? Het zou de hoofden
in de lucht verklaren, drie paar ogen, gezichten
als hemellichamen – en de oudtestamentische vinger

af en toe, die ons wijst op de schaal van ons geluk.
(p. 17)

In 'Maquette' wordt even afstand genomen van het echte leven door het voor te stellen als een soort poppenspel. Het leven wordt in Ademhalen onder de maan vaak als moeilijk ervaren. Waar 'Maquette' het leven verkleind weergeeft, zoomt 'Madelief' bijvoorbeeld pijnlijk in:

Madelief, je was een puzzel die niet klopte,
onbestaanbaar DNA. Links en rechts ontbrak
de adem, ruggengraat verkeerd bezorgd.
Er viel geen leven van te maken.

(p. 34)

Maar niet alleen de zware dingen van het leven worden belicht. De zwaarmoedigheid van de bundel wordt af en toe verlicht door een gedicht over het ‘gewone’, alledaagse leven. 'Over en weer' gaat over twee buren, een verhuizing en een verbouwing:

Achter het zolderraam tegenover mijn huis
gaat na een half jaar het licht weer aan.
Zou ze terug zijn, het meisje met de blonde krullen
dat elke donderdagavond jurkjes stond te passen

voor de spiegel? In een ooghoek kwam ze uren
later thuis, ontkleedde zich en ging naar bed.
Soms zwaaide ze. Nee, ik ging er niet speciaal
voor zitten, en als ik over de vensterbank keek
kwam dat omdat ik om haar gaf, hoewel
we elkaar op straat voorbij zouden gaan.

In de kamer staan drie mannen in pak.
De eerste schijnt in het rond met een bouwlamp,
de tweede wijst hoe alles anders wordt. De derde
staart naar mij, in kamerjas, achter mijn raam.

(p. 11)