De gedichten van Jean Pierre Rawie, 1979-heden

Jean Pierre Rawie, Kwade trouw, gevolgd door Liederen in opdracht (1986)
Jean Pierre Rawie, Kwade trouw, gevolgd door Liederen in opdracht (1986)

Jean Pierre Rawie, Kwade trouw, gevolgd door Liederen in opdracht (1986)

Jean Pierre Rawie, Kwade trouw, gevolgd door Liederen in opdracht (1986)
Jean Pierre Rawie, Kwade trouw, gevolgd door Liederen in opdracht (1986)

Jean Pierre Rawie, Kwade trouw, gevolgd door Liederen in opdracht (1986)

Ons leven is doortrokken van de dood,
wij hebben alle reden om te klagen.

Van hoopvolle verwachtingen voor de toekomst en herinneringen aan vroeger blijft uiteindelijk niet veel meer over:

en al ons hopen, liefhebben en vragen
is eigenlijk van elke zin ontbloot

(p. 21)

Kenmerkend voor deze bundel is dat het de dichter oneindig frustreert dat hij in zijn visie de enige is die van de problemen wakker ligt. Hij is alleen met krachtige middelen in staat om zijn gebrek aan slaap te verhullen:

Met drank en valium en speed
Lukt het nog wel mooi weer te spelen

Niemand ziet zijn wanhoop, waardoor hij alles wil vergeten en zelfs onverschillig wordt:

en wat kan mij de wereld schelen?
Ik kan dit leed met niemand delen.

(p. 15)

Tijdens een van zijn slapeloze nachten denkt hij aan 'nutteloze zaken' en trekt dan de conclusie:

De regen en het leed te allen tijde,
het komt tenslotte op hetzelfde neer:
wij hebben tegen het oneindig lijden
uiteindelijk maar een gering verweer.

(p. 22)

Hoezeer de ik-persoon (niet te verwarren met de dichter) zich ook zorgen maakt om het algemene lijden in de wereld, het is toch dit persoonlijke leed dat het meest direct op de lezer afkomt:

De ergste droefenis is trouwens pas
gekomen met het vreselijke weten
dat ik je nooit in wezen heb bezeten,
terwijl ik zo bezeten van je was.

(p. 18)

Het tweede deel van de bundel, onder de titel Liederen in opdracht, bevat drie langere gedichten. Rawie beschrijft in de eerste het lot van de kunst in ons land. Een kunstenaar heeft geen gemakkelijk bestaan en de autoriteiten houden door bezuinigingen de tradities in stand:

Het is toch door de eeuwen heen
wel zonneklaar gebleken:
de echte kunst gedijt alleen
- denk maar aan Rembrandt of Jan Steen -
bij kommer en gebreken.

(p. 27)

En, concludeert de dichter, juist daarom moet men bewondering hebben voor het 'zegenrijke landsbestuur'

dat tot behoud van de cultuur
de kunst durft te bestrijden!

(p. 28)

In tegenstelling tot toon van de rest van de bundel, is het afsluitende gedicht 'Madenballade' erg macaber:

Het hart dat klopte voor een lieve vrouw,
de hersens die ons niets dan zorgen gaven,
de maden lusten heel die troep wel rauw
nadat men ons vakkundig heeft begraven.

De dichter realiseert zich in de laatste strofe hoe luguber deze woorden klinken. Hoewel hij beweert niets anders dan de realiteit te beschrijven, laat hij ook ruimte voor een alternatief:

Wat ik hier zing is akelig en naar,
want allen wacht hetzelfde lot ten leste.
- Ook maden moeten leven weliswaar,
maar misschien is cremeren toch het beste.

(p. 33)

Jean Pierre Rawie, Onmogelijk geluk (1992)
Jean Pierre Rawie, Onmogelijk geluk (1992)

Jean Pierre Rawie, Onmogelijk geluk (1992)

Jean Pierre Rawie, Hemeltekens (1991)
Jean Pierre Rawie, Hemeltekens (1991)

Jean Pierre Rawie, Hemeltekens (1991)

Onmogelijk geluk (1992)

In 1992 verscheen Rawie's zesde bundel: Onmogelijk geluk. Delen hiervan verschenen al eerder het mini-bundeltje Sonnetten (1990) en in Hemeltekens (1991). Rawie continueerde de stijl van Woelig stof en hanteerde dezelfde driedeling. De dichter leek de teleurstelling over de wanorde van het leven te willen inperken door middel van zijn dichterschap. In zijn poëzie vindt een (inwendige) worsteling plaats om grip te krijgen op het bestaan en de auteur koestert de wens om het ultieme gedicht te maken, het 'ordescheppend principe':

éen rijm, en het verscheurd heelal wordt heel:
alleen achter mijn schrijftafel gezeten
heb ik opnieuw aan heel de schepping deel.

(p. 9)

De kracht van poëzie kan - volgens Rawie - het universum weer in balans krijgen en ook mensen persoonlijk een doel in het leven geven. Juist wanneer het besef van zijn eigen sterfelijkheid zich aan hem opdringt, put de dichter hoop uit zijn schrijfselen, wat overigens in de literaire traditie een veel voorkomend idee is:

en slechts met de gedichten die ik maak
maak ik de wereld woord voor woord de mijne,
en breng ik het geschapene in kaart.

(p. 12)

Hoewel iemand sommige dingen uit zijn geheugen zou willen wissen, zijn het ook de herinneringen aan zijn jeugd en de omgeving waar hij is opgegroeid, die betekenis aan het leven geven:

ik ga naar binnen, en ik word weer klein,
en zeg, als alle goede, grote zonen,
dat ik gelukkig ben weer thuis te zijn.

(p. 18)

Maar zichzelf relativerend schrijft hij later:

Wanneer ik al wat is bedreven
en wat beleefd werd overzie,
blijkt dat ons weinig is gebleven
dan zinloze melancholie.

(p. 32)

Melancholisch klinkt het ook in de beschrijving van een voorbijschietend landschap:

Moest alles eerst verloren zijn
voor ik er iets van kon genieten?
Onachterhaalbare verschieten
Vanuit het venster van de trein.

(p. 29)

Dat je op onverwachte momenten aan het verlies van de geliefde herinnerd kan worden, wordt duidelijk na het overlijden van zijn vader:

Maar sinds hij mij ontviel, ervaar ik hem
steeds vaker in de gebaren van mijn handen,
en hoor hem spreken door mijn eigen stem.

(p. 22)

Door het verstrijken van de tijd, zal uiteindelijk niets hetzelfde blijven. Op het moment dat hij naar de heldere sterrenhemel kijkt in 'Ursa Minor', beseft hij dat het misschien maar beter is om in deze wetenschap te berusten:

Een levenlang van lief en leed ten spijt,
besef ik dat ik altijd heb geweten
dat ik uitsluitend hierop heb gewacht.

Ik luister naar het ruisen van de tijd,
en hoor de grote sterren en planeten
bewegen door de ademloze nacht.

(p. 39)

Jean Pierre Rawie, *Ten leste* (1999)
Jean Pierre Rawie, Ten leste (1999)

Jean Pierre Rawie, Ten leste (1999)

Jean Pierre Rawie, *Ten leste* (1999)
Jean Pierre Rawie, Ten leste (1999)

Jean Pierre Rawie, Ten leste (1999)

Jean Pierre Rawie, Verzamelde verzen (2004)
Jean Pierre Rawie, Verzamelde verzen (2004)

Jean Pierre Rawie, Verzamelde verzen (2004)

De tijd vliegt, maar de dagen gaan te traag (2012)

In september 2012 verscheen de bundel De tijd vliegt, maar de dagen gaan te traag, die een maand later al een vierde druk haalde. Ook deze bundel bevatte weer enkele vertalingen uit het Frans, Latijn en Italiaans van Charles d'Orléans, Mary Qeen of Scots, Giovan Battista Marino en anderen. Een afdeling in de bundel heeft ook met Italië te maken: 'Naherfst in Venetië'. Het sonnet 'Acqua alta' begint als volgt:

Het kan de laatste keer zijn, elke keer.
Dat geldt altijd voor alles, maar op dagen
dat grenzen tussen land en zee vervagen
ervaar je de vergankelijkheid nog meer.

(p. 37)

De stad dreigt in zee te verzinken, maar is in verzet tegen het verval en blijft boven het water uitsteken; geldt dat ook voor de dichter?

Jij echter, jij, je kreeg het onbedingd
en hebt het leven voor je uit geschoven.
Je had nog zoveel plannen. De tijd dringt.

(p. 37)

Er wordt ook een bezoek gebracht aan Padua, vanwege de mogelijke vondst van oude boeken:

niet zonder doel: volgens een zegsman zaten
daar een paar mooie antiquariaten.
Dat hoef ik maar te horen of ik ga.

(p. 40)