Joke van Leeuwen en de kritiek

Kritiek 1995-2001

Rogi Wieg vergeleek in Het Parool (7 april 1995) de eerste bundel van Joke van Leeuwen (Laatste lezers) met het werk van Judith Herzberg. Hij stelde: 'ze hebben verwantschap. Misschien moet Van Leeuwen nog veel meer gedichten schrijven om mij te overtuigen van haar dichterschap (en daarmee bedoel ik een werkelijk belangwekkende dichterschap), maar ik moet zeggen dat haar bundel Laatste lezers toch grote indruk op mij heeft gemaakt. Van Leeuwen speelt met woorden en klanken en toont een eigenzinnigheid en onafhankelijkheid die je wel ziet bij heel pientere, kleine meisjes'.

Joke van Leeuwen, Laatste lezers (1994)
Joke van Leeuwen, Laatste lezers (1994)

Joke van Leeuwen, Laatste lezers (1994)

Joke van Leeuwen, Iep (1996)
Joke van Leeuwen, Iep (1996)

Joke van Leeuwen, Iep (1996)

Ook Arie van den Berg reageerde in NRC Handelsblad (10 maart 2000) enthousiast. Hij schreef over de bibliofiele uitgave Kind in Brussel uit 1999. 'Het anekdotische gehalte van Kind in Brussel is hoog. Van Leeuwen vertelt over de spelletjes die ze bedacht, over gymles op school en een bezoek aan het Atomium, maar elk van die verhaaltjes is vooral ook een oefening in anders kijken naar het alledaagse'. En ook: 'Maar het is vooral de speelse verwoording die deze bundel zo goed en eigen maakt als hij is'. Zijn collega Maarten Doorman karaktariseerde het werk van Van Leeuwen in NRC Handelsblad (23 maart 2001) als volgt: 'Van Leeuwens poëzie heeft meestal een nogal hortend en afgebeten ritme'. Er waren in de gedichten 'veel onbepaalde voornaamwoorden en een soms haast dyslectische grammatica. Het doet wel eens denken aan de zinsontsporingen van Fritzi Harmsen van Beek en aan het praterige van Judith Herzberg, alleen is het minder overtuigend'.

In Het Parool (13 april 2001) bracht Adriaan Jaeggi zijn lof onder woorden, zij het niet zonder kritiek: 'Het vinden van nieuwe omwegen in een platgetreden taallandschap is niet het enige wat Van Leeuwen bezighoudt. Zij probeert herinneringen en indrukken een vaste plaats te geven in haar geheugen, en misschien ook wel in het onze, door ze in eigen woorden weer op te roepen. Haar taal glanst soms weemoedig, als een oud dressoir waar vele handen overheen zijn gegaan, en haar beelden zijn inventief ('het is weer scharreldag voor kruimelduiven'), maar ook hebben haar gedichten soms een nogal hoog 'Weet je nog weet je nog'-gehalte, alsof je zit te luisteren naar een stel oude vriendinnen die achter je rug zuchtend herinneringen zitten op te halen'. Ook schreef Jaeggi: 'Waar Joke van Leeuwen soms in slaagt: in het maken van een gedicht dat geen begrip vereist, maar dat door iedereen te genieten is: jong of oud, dik of vet, pestkop of Pokémon-verzamelaar. Alleen als ze zich te veel beroept op taalspelletjes en slimmigheidjes, is ze ineens het knapste meisje van de klas, en daar is niemand dol op'.

Anneleen De Coux wees in De Morgen (16 mei 2001) op de suggestie in het werk van Van Leeuwen. Ze was overwegend positief gestemd over de bundel. 'Meestal schrijft zij voor kinderen, en dat schemert duidelijk door in dit boek. Maar dat is geen verwijt. Immers, in deze kleine encyclopedie van het vergeefse verlangen komen gevoelens als kinderlijke verwondering en nieuwsgierigheid, maar ook panische kinderangst en ontreddering prachtig uit de verf. Daarbij gaat Van Leeuwen vaak suggestief te werk en speelt ze vlot met dubbele bodems. De schrijfster lijkt zelf wel een kind dat sublieme spelletjes speelt met de taal, en dat pakkende taferelen kan schilderen met woorden. Zo slaagt Van Leeuwen erin details over te belichten, en dat is niet zelden pijnlijk, maar tegelijk vaak mooi. Er zitten wel een paar onregelmatigheden in de bundel: niet alle beelden en gedichten zijn even sterk of goed geplaatst, en soms lees je een wat banaal, zelfs clichématig vers. Maar toch is Vier manieren om op iemand te wachten als geheel overtuigend'.

In 2001 verscheen de bundel Vier manieren om op iemand te wachten. Van de in totaal vier gedichten van Joke van Leeuwen die Gerrit Komrij selecteerde voor zijn compleet nieuwe editie van Nederlandse poëzie van de 19de t/m de 21ste eeuw zijn er drie uit de genoemde bundel afkomstig. Maarten Doorman schreef in NRC Handelsblad van 23 maart 2001 over Vier manieren om op iemand te wachten: 'Het heeft iets overrompelends om een poëziebundel te beginnen met een gedicht dat 'Aankomsthal' heet. Daarmee maak je in één klap een vliegveld van je hele bundel, met alle associaties die dat bij je oproept. […] Dit onbestemde luchthavengevoel is de biotoop van Joke van Leeuwen, de kinderboekenschrijfster die zeven jaar geleden als dichter debuteerde met Laatste lezers, bekroond met de C. Buddingh'prijs. […] Van Leeuwens poëzie heeft meestal een nogal hortend en afgebeten ritme, met veel onbepaalde voornaamwoorden en een soms haast dyslectische grammatica. Het doet wel eens denken aan de zinsontsporingen van Fritzi Harmsen van Beek en aan het praterige van Judith Herzberg […] [Sommige] regels zijn niet alleen grappig, ze zijn ook grimmig en ze smeken om duiding en herlezen. Zoals je van de ware poëzie verlangt.'

Kritiek 2006-heden

Wuif de mussen uit is een bundel met 'gedichten en beelden' die verscheen in 2006. In eeen recensie voor De groene Amsterdammer van 6 april 2006 schreef Jannah Loontjes over deze bundel: 'De verwondering in Van Leeuwens gedichten doet vaak eerder denken aan de verbaasde manier van kijken van een ervaren en oud mens, die zo lang de dingen voor gewoon heeft aangenomen dat dit gewone langzamerhand vreemd en doelloos is gaan lijken [dan aan de open, onbevangen blik van een kind]. Zo'n beetje zoals de klank van een woord abstract gaat klinken als je het maar vaak genoeg herhaalt. Het is dan ook niet zozeer de onbevangenheid van een onbeschreven blad die de dichtbundel Wuif de mussen uit zo intrigerend maakt, maar juist de subtiele verbazing van iemand die de alledaagsheid van het leven te goed kent. […] Zo zet Van Leeuwen je telkens op een lichtzinnige en vaak grappige wijze aan het denken over de al te gewone dingen. Tegelijkertijd grenst er aan dat lichtzinnige plezier steeds het beklemmende gevoel ten onder te gaan in de routine die het leven beheerst. Het benauwende hiervan wordt weerspiegeld in Van Leeuwens donkere, vervreemdende tekeningen die de gedichten in deze bundel vergezellen. Juist deze donkere kant, die in Van Leeuwens zo heldere regels sluimert, maakt dat deze bundel je niet gauw loslaat. En doet wat alle poëzie zou moeten doen: je herinneren aan het merkwaardige van ons zo vanzelfsprekend lijkende bestaan.'

Van Leeuwens vierde bundel Grijp de dag aan (2010) werd op 11 november 2010 door Paul Demets besproken op Cobra.be. Volgens Demets 'laat Joke van Leeuwen zien dat er niet alleen een spanningsveld in de taal aanwezig is, maar dat ook mensen en dingen vreemd zijn'. Hij was van mening dat Van Leeuwen 'de ernst van die thematiek altijd countert met taalhumor die nooit plat wordt. De manier waarop ze versregels in haar werk opbouwt, met verwijzingen naar de spreektaal, vol ellipsen, vergroot ons bewustzijn van hoe complex we dikwijls met elkaar communiceren, terwijl we denken dat we duidelijk zijn'. Demets concludeerde: 'Van Leeuwens gedichten zijn herkenbaar, toegankelijk, vol wisselende ritmes, maar nooit eenduidig. Ze laat de taal als een bron van misverstanden en onbegrip zien. Dat vind ik de kracht van haar poëzie'. Minder positief was Janita Monna in Trouw (11 december 2011). Vooral de eerste afdeling zorgde voor afkeuring. Het is 'een wat moeizame afdeling, waarin de taal niet de vleugels wil krijgen die ze bij Van Leeuwens meestal krijgt.' Ze vervolgde: 'Ondanks fraaie beelden als 'een dag met/ wat zeentjes en vetrand', houdt de taal iets stroefs, verdwijnt Van Leeuwens zo kenmerkende humor naar de achtergrond en blijft vooral taalspel over'. Dat er in de rest van de bundel 'meer lucht' zit, was voor Monna niet genoeg: 'Ondanks enkele mooie gedichten wil de vonk bij het lezen van Grijp de dag aan niet echt overslaan.'