De gedichten van Joost Zwagerman

Langs de doofpot (1987)

De debuutbundel van Joost Zwagerman Langs de doofpot bestaat uit zes afdelingen, waarvan de eerste, 'De stilte ontluisterd', al eerder verscheen als zelfstandige - bibliofiele - uitgave bij de vrijetijdsdrukker Hein Elferink. Al in deze debuutbundel Langs de doofpot komen regelmatig verwijzingen voor naar andere schrijvers en denkers, wat ook een kenmerk voor ook het latere dichtwerk van Zwagerman is. Het titelloze gedicht op pagina 2 verwijst naar de titel van de bundel.

Joost Zwagerman, Langs de doofpot (1987)
Langs de doofpot (1987)

Joost Zwagerman, Langs de doofpot (1987)

Joost Zwagerman, De stilte ontluisterd (1986)
De stilte ontluisterd (1986)

Joost Zwagerman, De stilte ontluisterd (1986)

Joost Zwagerman, handgeschreven gedicht bij de bibliofiele uitgave van De stilte ontluisterd (1986)
Handschrift (1986)

Joost Zwagerman, handgeschreven gedicht behorende bij de bibliofiele uitgave van De stilte ontluisterd (1986)

Joost Zwagerman, De ziekte van jij (1988)
De ziekte van jij (1988)

Joost Zwagerman, De ziekte van jij (1988)

Nee, onteigenaars en inkeerkomers,
te volharden en te zwijgen ben ik niet.
Mijn roerloosheid is niet absoluut.
Niet houd ik mij in afwezigheid op,
noch sla ik mij wederkerend voor de kop.

Nog te veel is er dat zich langs de doofpot snaait.
(p. 2)

'Geweest, gedaan' is een parodie op het snelle leven, waarin alles steeds beter moet, zelfs zo dat men af en toe de hakken in het zand wil zetten.

Lachen blijven! - vooruitgang is de enige vereiste,
dacht ik toen ik was gevlogen. Jawel, ik ging vooruit,
   voorbij.

- Okee, in feite dacht ik dat ik dacht weer louter lineair,
een vliegensvlugge loodlijn naar omlaag, omhoog,
omlaag opnieuw - een speer van furieuze spreeuwen
Tot aan mijn tenen, dacht ik. En maar hakken.

(p. 29)

'De argeloze hangmat' schetst het beeld van een vrouw die opstaat, maar dat eigenlijk liever niet wil: slapen met open ogen wil ze. Typisch een vrouw over wie de dichter denkt: 'Juist voor haar moet een gedicht geschreven'.

Slapen als een opgeborgen ei is wat ze wil,
ze wil flinterdunne dromen vlak boven haar ogen.
Houdt ze ze open dan is er overzicht en orde,
dan ruikt ze de logge opstaanlucht die
hoekig en bedaard de slaapkamerstilte omlijnt.
Dan is ze waar ze wezen kan.

Geen ooglid naar beneden dus. Duisternis, dat is
een vormeloze koelcel met ingevroren stemmetjes.
Het maakt haar huid één grote, opgezwollen winterteen,
geprik, gestotter, een tinteling
vol kamerzwart geroezemoes.

(p. 30)

Onder de titel 'Bestemming' gaat onder andere over 'geflikflooi over tijdsverloop', over de zin en onzin van reizen en zich verplaatsen van a naar b en andersom: de ik-figuur heeft genoeg aan stilstaan en beschouwing, terwijl iedereen voorbij flitst naar kennelijk duidelijke doelen.

Reizen is gestolde diepgang - ik
weet wel, mijn gelijk ligt op de rails.
Men stapt maar in en uit het treinstel,
terwijl ik mij met voorbijgaan troost.

(p. 38)

Maar teveel beschouwing is ook niet de bedoeling. In het gedicht 'Thuiskomst' verwijst Zwagerman naar het 'Behouden huis' waarin Willem Barentsz met zijn bemanning de winter van 1596 op Nova Zembla wist te overleven nadat hij met zijn schip in het pakijs bekneld geraakt was. Het almaar binnen blijven benauwt de ik-figuur, maar het lukt hem niet om het in de Nederlandse literatuur spreekwoordelijke straatrumoer zijn ivoren-torenleven binnen te smokkelen:

Ik loop nog steeds niet rond in huis.
Het lijkt wel of ik beklim. Hoe lang ben ik
voorbijgegaan, hoe krijg ik de verplaatsing
mee naar binnen - en is de reis behouden?

(p. 44)

Joost Zwagerman, Bekentenissen van de pseudomaan (2001)
Bekentenissen van de pseudomaan (2001)

Joost Zwagerman, Bekentenissen van de pseudomaan (2001)

Joost Zwagerman, Bekentenissen van de pseudomaan (2001)
Bekentenissen van de pseudomaan (2001)

Joost Zwagerman, Bekentenissen van de pseudomaan (2001)

Joost Zwagerman, Plug-ins (2000)
Plug-ins (2000)

Joost Zwagerman, Plug-ins (2000)

Bekentenissen van de pseudomaan (2001)

De derde bundel van Zwagerman kreeg de titel Bekentenissen van de pseudomaan (2001). Op het achteromslag van de bundel wordt de titel toegelicht. Volgens Van Dale's woordenboek is een pseudoloog iemand 'met een onweerstaanbare neiging om gefantaseerde belevenissen als waar te vertellen'. Deze dichtbundel is gewijd aan zijn (nog niet in van Dale opgenomen) 'nog enthousiastere familielid' de pseudomaan, voor wie de waarheid 'een verre en vage luchtspiegeling' is.

Een belangrijk thema in deze bundel is de trits kennismaking-liefde-breuk met alle emoties die daarbij komen kijken. Het gedicht 'Augustus, vrijdagmiddag' geeft een sfeerbeeld van de loomheid op een laat-zomerse middag in de stad. Een man, met zijn vrienden op het terras, probeert een vrouw te versieren...

Er is nu zoveel aangelengde zomer
op de caféterrassen in de stad
dat ook het zwerfvuil meedoet
aan de sfeer van museale films.
Zoals zelfs de zon zich nestelt zodra jij haar vangt.
Dat ene shot: niemand beweegt, jij

  lucht blauw als reclame voor comfort,
  opgewreven auto's parkeren baltsend in,
  mannenlach, honden zelfverlengend aangelijnd,
  driemaal een vaasje en
  voor die stoot daar éen met ijs,
  oké?

(p. 15)

Na een passievol begin van een nieuwe relatie rest in 'Bij elkaar' na enige tijd alleen de dagelijkse gang van zaken, 'de routine van het kleine weten': naar het werk gaan, boodschappen doen, het delen van elkaars bankrekening en vooral het voorkomen van confrontaties. Is dit wat we willen?

In het begin niets dan witte hitte jij en ik.
Steeds weer moest de liefde minstens
een Chinees vuurwerk van de zinnen zijn,
een alternatief uitspansel bijeenbemind -
o, die hoogmoedblaf van jonggelieven.

Inmiddels is de streng van jou naar mij
door louter compromis aaneengeregen
en met de geur van hoger honing
viel het ook wel mee - of tegen, het is maar
hoe je het ontschrijft. Wat rest ons nog?

(p. 19)

Die geur van hoger honing verwijst naar een beroemd gedicht van Martinus Nijhoff. In een ander gedicht van Zwagerman, 'Na vanacht', gaat het om een modieuze vrijpartij, die camerageniek wordt uitgevoerd en waarbij na afloop verdovende middelen worden ingenomen. Deze one-night-stand is door Zwagerman op rijm gezet - opvallend want meestal schrijft hij vrije, rijmloze verzen.

Het hielp niet. Stiefelde ik rijschoolstraatjeskerend van je weg
in strofen van email en dat we nog wel bellen, echt.
Ik stommelde de trappen af tot leesteken de voordeur punt.
Buiten scherpten zich nevelzacht de zinnen.
Wat beleefd was kon eindelijk beginnen.

(p. 18)

Beginnen? Ja, op papier.

Ik blaf en jank en sproei
waar haar schelp het hebben kan.
Sta mijn mannetje als dierenriem
en worstel zacht met mijn apin
terwijl ik al haar plooien
met lier en scherp lancet bemin.
(Daar ga ik weer. De lynx met speer.)
Ik stel florafauna zwalpend voor
als iets nats en zilts en rauws.
Toch blijft ze ondanks alles
diep en dieper nog teleurgesteld.
Ik kan het nooit zo Nobel en westvlaams
als hugo fucking claus.

(p. 29)