Remco Campert en de kritiek

Het werk van Remco Campert heeft steeds kunnen rekenen op een positieve ontvangst in de kritiek. Toch zijn de literatuurcritici in twee kampen verdeeld. Het ene vindt de gedichten van Campert te eenvoudig, te onsamenhangend en daardoor te weinig zeggend. Het andere kamp is daarentegen overtuigd van een stabiele, diepere laag in Camperts werk en waardeert de manier waarop hij zijn ideeëngoed steeds subtiel weet weer te geven.

Vooromslag van Remco Campert, Een standbeeld opwinden (1952)

Vooromslag van Remco Campert, Het huis waarin ik woonde (1955)

Vooromslag van Remco Campert, Dit gebeurde overal; Hoera, hoera (1968)

Achteromslag van Remco Campert, Betere tijden (1970), met portretfoto door Victoria Spelman

Vooromslag van Remco Campert, Alle bundels gedichten (1976)

Titelpagina van Remco Campert, Rechterschoenen (1992)

Vooromslag van Remco Campert, Een liefde in Parijs (2004)

Vooromslag van Remco Campert, Dichter (2011)

Vanuit het grote publiek is er altijd veel waardering geweest voor Remco Campert. Zijn toegankelijke stijl trok van meet af aan veel lezers. Zijn dicht- en verhalenbundels zijn vaak herdrukt en ook de verschillende edities van verzamelde werken, zoals Campert compleet, verschijnen in grote oplage.

De Vijftigers

Aan het begin van hun optreden was er veel kritiek op de experimentele poëzie van de Vijftigers. Ze zouden het surrealisme herkauwen, immoreel zijn en zelfs onzin uitkramen. Al snel bleek dat de groep van de Vijftigers uit heel verschillende dichters bestond en ondanks de overeenkomsten toch sterk verschillende opvattingen kende. De kritiek verschoof dan ook van negatief naar gemengd. Deze verandering was gebaseerd op het verschil tussen de 'echte' experimentelen, zoals Lucebert en gematigde experimentelen, zoals Campert. De gematigden werden veel positiever beoordeeld ,omdat hun werk toegankelijker was of leek Dit betekende echter niet dat het werk van de gematigden direct bij het grote publiek bekend was. De leidende literaire tijdschriften besteedden nauwelijks aandacht aan de nieuwe gedichten. Pas vanaf 1955, toen er verschillende bloemlezingen waren verschenen met Vijftigerpoëzie, konden de tijdschriften niet meer om hen heen. Aanvankelijk wisten veel critici en lezers niet wat ze met deze poëzie aan moesten.

Er zijn dan ook nauwelijks recensies te vinden over Camperts vroege gedichten uit de periode 1950 en 1955. In 1952 werd in de Nieuwe Rotterdamse Courant een lang artikel aandacht gewijd aan de gedichten van de Vijftigers. A.G. Kloppers schreef (14 maart 1953) over Een standbeeld opwinden (1952): 'Campert speelt, belangeloos, zonder inzet, zómaar. Hij komt soms tot treffende vondsten, maar het is duidelijk, dat hij zijn vorm nog niet gevonden heeft.' De eerste recensies van de grote bladen verschenen in 1956 over Het huis waarin ik woonde. De waardering voor Camperts werk was in de tussentijd gegroeid, en in Vrij Nederlandviel op 28 juli 1965 te lezen: 'Het huis waarin ik woonde dunkt mij een hoogtepunt en in de Nederlandse poëzieproduktie van de laatste paar jaar en in het oeuvre van Campert zelf.'

Vanaf 1960: Realisme

In de jaren zestig bevatten Camperts gedichten meer realistische kenmerken. De band tussen poëzie en zijn verhalen en romans werd sterker. Het prozaïsche realisme in zijn poëzie zag niet iedereen als positieve ontwikkeling. Aad Nuis schreef over Hoera, hoera (1965) in de Nieuwe Rotterdamse Courant (8 januari 1965): 'Het vakmanschap van Campert is er nog steeds, en komt vooral tot uiting in de dosering van woorden en vondsten. Er zijn ook een paar gedichten waar in het oude beeldende vermogen samen met de nieuwe hardheid tot treffende resultaten leidt. Toch geloof ik dat er van deze bundel weinig over zou blijven als men er niet een aanvulling en een correctie op vroeger werk in kon zien.' K.L. Poll (Algemeen Handelsblad, 26 maart 1965) was het met Nuis eens:'Je vraagt je af wie Remco Campert op het onzalige idee gebracht heeft, dat er niet voldoende toekomst zat in zijn vroegere poëzie, of dat het een dichter niet zou vrijstaan zich toe te leggen op het cultiveren van een egocentrisch talent.'

Mijn leven's liederen (1968) werd daarentegen veel positiever ontvangen. Gabriël Smit zei over deze bundel in De Volkskrant (1 oktober 1968):'Het is een goede bundel, naar mijn smaak de beste die hij tot nog toe geschreven heeft. Zou men het meeste, dat momenteel hier gedicht wordt, praatpoëzie kunnen noemen, dan is Campert degene die dit genre van meet af aan het meest natuurlijk heeft beoefend.'

De positieve overeenstemming van de kritiek was niet van lange duur. In 1970 kwam Betere tijden uit waarin, volgens de kritieken veel gedichten niet uit de verf kwamen. Herman de Coninck zei daarover in De Standaard (10 september 1971): 'Dat er ook heel wat zwakkere gedichten in deze bundel staan is dus voor iemand die zich als Campert met de realiteit bezighoudt, niet verwonderlijk: als ik als criticus het leven op z''n poëtische merites moet takseren, zou het evenmin een hoogvlieger worden. Eigenaardig is eigenlijk pas dat dit realisme ook bron kan zijn van hoogtepunten.'

Tot dan toe waren er nauwelijks algemene overzichtsartikelen aan het oeuvre van Campert gewijd. Maar met het uitkomen van Alle bundels gedichten (1976) en met de toekenning van de P.C. Hooft-prijs aan Campert, kwam daar verandering in. Harry Scholten schreef in 1979 een algemeen essay over Camperts poëzie. Scholten vatte het werk van Campert samen in deze zin: 'De eigen gang die deze poëzie temidden van een veranderend klimaat is blijven gaan, is voor mij een reden om haar van bijzondere betekenis te vinden.' Kees Fens zei echter iets wat daar zo goed als lijnrecht tegenover staat: 'Campert is in zijn vroegere poëzie misschien toch te vaak te opportunistisch geweest om veel gedichten de kans op een klassiek karakter te geven, iets dat ze door hun vorm hadden kunnen bereiken.' Opmerkelijk genoeg waren er bij het verschijnen van Alle bundels gedichten nauwelijks kritische geluiden te horen, terwijl de afzonderlijke uitgaven met gedichten toch niet altijd even positief waren ontvangen.

Vanaf 1983: Nieuwe toon

Nadat de jaren tachtig alleen maar tot samenvattingen leidde, kon er in 1983 weer iets nieuws verteld worden. In dit jaar kwam Scènes in hotel Morandi uit met daarin gedichten die afweken van eerdere bundels. Jaap Goedegebuure schreef: 'Onder de nieuwe gedichten zijn er verschillende die horen tot de meest geladen en geconcentreerde poëzie die Campert ooit schreef, wat met de teleurstellende voorlaatste bundel Theater in de herinnering een verrassing genoemd mag worden.' En ook Rob Schouten oordeelde zo: 'Het is het hechtste en tegelijkertijd het veelzijdigste werk dat Campert schreef. Hoeden af, een oudere schrijver heeft zich vernieuwd!'.

Over het werk uit de jaren negentig was de ene criticus was lovend, omdat ze het typische Campert-producten vonden, terwijl er andere meenden dat Camperts inspiratie op was. Guus Middag schreef in NRC Handelsblad (12 juni 1992): 'Er is genoeg in Rechterschoenen om schouderophalend aan voorbij te gaan. Er zijn een paar gelegenheidsgedichten en een paar herinneringen, enkele anekdotes en enkele verhaaltjes, drie ''snippers'' waaraan wij ook niet meer kunnen zien waaruit ze afkomstig zijn en meer in het algemeen: veel spanningsloze regels en veel rustig gebabbel op de grens van poëzie en proza. Je krijgt niet de indruk dat hier een erg gretige dichter aan het woord is, maar eigenlijk was dat altijd al zo.'

Met het verschijnen van de verzamelbundel Dichter (1995) was het weer tijd voor samenvattende, algemene beschouwingen. 'Is dit ook grootse poëzie? Gelukkig niet. Het is zelfs geen poëzie om close reading of academische vivisectie op te beoefenen. Campert is er voor dagelijks gebruik. Dit mooiste boek onder de vele dikke boeken, die de afgelopen jaren zijn verschenen, is er een waar ik regelmatig naar zal grijpen, om er voor mezelf in te lezen of hardop uit voor te lezen', aldus Jaap Goedegebuure in HP/De tijd (16 juni 1995).

Vanaf 2000: Opleving

Vanaf de eeuwwisseling ontstond er opnieuw aandacht voor het werk van Campert. Dit had zeker met het succes van de roman Een liefde in Parijs te maken. Guus Middag, die zich in de jaren negentig nog scherp uitliet over Camperts poëzie, schreef in NRC Handelsblad (26 januari 2011): 'Het bijzondere van Camperts poëzie is dat hij altijd wat terloops en onaf blijft klinken, alsof het ter plekke zo geformuleerd is en alles nog gewijzigd kan worden. De aanleiding is een toevallige ontmoeting in een restaurant, een foto, een herinnering, of wat onopvallende gedachten, door hemzelf "gemompel" genoemd - alles heel eenvoudig en onversierd. Daarin dient zich dan vanzelf een zweem van een andere wereld aan.' En bij de verschijning van een herziene uitgave van Dichter (ook in 2011), ontving Campert ook nog een aantal complimentjes, zoals: 'Daarin schuilt zijn grootste kracht: hoe hij er als geen ander in slaagt om de juiste beelden te kiezen, terwijl ze toevallige observaties lijken. En hoe hij daarin meesterlijk maat weet te houden' (Paul Demets, De Morgen 14 september 2011).

Toen de thema’s ‘ouder worden’ en ‘sterven’ een prominentere plaats begonnen in te nemen in de bundels, was ook in de kritiek toenemende aandacht voor de hoge leeftijd van de dichter. Dieuwertje Mertens schreef in Het Parool (12 november 2015): ‘Dat Campert op 86-jarige leeftijd nog schrijft in zulke klare zinnen die getuigen van zoveel levenskracht, is ongelooflijk knap. Wie is er bestand tegen de woorden van een dichter die het leven in al zijn volheid beziet van het begin tot het eind?’ John Reijmerink beschreef de bundel Licht van mijn leven als ‘een bundel van een oude dichter die wellicht zijn fysieke beperkingen ervaart, maar door zijn gerijpte verbeeldingskracht reikt naar het wezen van de dingen en de mensen’ (Poëziekrant dec. 2014). In een bespreking van Verloop van jaren werd Campert door Arjan Peters omschreven als ‘de zachtmoedigste onder de leeuwen, die zich zelf de laatste tijd wel een slapjes voelt maar intussen de leeftijd der ijzersterken heeft bereikt’ (De Volkskrant, 26 september 2015).