Gedichten 2003-heden

Het moest maar eens gaan sneeuwen (2003)

In 2003 debuteerde Tjitske Jansen met de gedichtenbundel Het moest maar eens gaan sneeuwen. Hiervan werden binnen het jaar 3 herdrukken uitgebracht. Voor het omslag werd een foto gebruikt door William Hoogteyling van een meisje met een felgekleurde duikbril. In een interview vertelde Tjitske Jansen dat zij het meisje op de foto is en dat zij toen zes jaar oud was.

Tjitske Jansen, Het moest maar eens gaan sneeuwen (2003)

Tjitske Jansen, Het moest maar eens gaan sneeuwen (2003)

Tjitske Jansen, Het moest maar eens gaan sneeuwen (2003)

Tjitske Jansen, gedicht 'Liefste' uit Het moest maar eens gaan sneeuwen (2003)

Tjitske Jansen, gedicht Elvis-bril uit Het moest maar eens gaan sneeuwen (2003)

Tjitske Jansen, gedicht 'Elvis-bril' uit Het moest maar eens gaan sneeuwen (2003)

De bundel heeft een motto van de Amerikaanse dichteres Sylvia Plath (1932-1963) uit The Bell Jar: 'Not a Christmas sprinkle, but a man-high January deluge, the sort that snuffs out schools and offices and churches, and leaves, for a day or more, a pure, blank sheet in place of memo pads, date books and calendars'. De gedichten in de deze bundel variëren van eenvoudig tot gecompliceerd, van drie versregels tot drie pagina's. Ook de vorm is variabel: de bundel begint met een soort haiku en bevat vrije verzen, gedichten in strofen en prozagedichten. Af en toe gebruikt Jansen binnenrijm, klankrijm of eindrijm.

Wakker worden in de tijd
als in de fijnste zijde.
Een ochtendvogel
doet een ijzerzaagje na.

(p. 8)

Het gedicht 'Liefste' is een voorbeeld van een prozagedicht, verdeeld in twee strofen en gesteld in de vorm van een brief van een vrouw aan een zeeman:

en jij kent de zee jij vaart op haar jij vecht met haar om wat zij missen
kan - elk schip dat hier nu ligt wordt een schip waar jij op was elke
meeuw die hier nu vliegt een meeuw die jij ook zag en ik hou van
jou geloof ik en ik weet het trouwens zeker maar wat ben ik blij dat jij
al een beminde hebt want alles is hier al en ik hou zo van verlangen
en ik hou zo van alleen zijn en ik hou zo van het denken dat het zou
kunnen als het kon.

(p. 10)

De bundel bevat een aantal gedichten die verwijzen naar de kindertijd en daarin wordt vaak de toon van het kind getroffen, met kinderlijke redeneringen en associaties. Ook zijn er 'volwassen' gedichten over bijvoorbeeld verliefdheid.

Als liefde een kwestie van blijven is

kan iemand me dan komen zeggen
dat ik blijf? Op zo'n manier dat ik luister?
Zoals ik luisterde naar mijn vader en moeder
die zeiden dat ik moest gaan slapen.

'Maar ik ben nog lang niet moe!'
'Niet zeuren, tanden poetsen!'
'Ik ben hier nog niet aan toe!'
'Niet zeuren, blijf!'

(p. 11)

Met 'De idioot op het dak' schreef Jansen een variatie op het gedicht van Ingmar Heytze: 'De idioot in het wak'. Beide gedichten gaan terug op 'De idioot in het bad' van Vasalis uit de bundel Parken en woestijnen uit 1940. In haar variatie beschrijft Jansen hoe een vrouw uit liefdesverdriet haar ex-vriend stalkt.

Er was een jongen die de Domtoren op zijn arm had laten tatoeëren, een jongen
die Chris heette, een jongen die later weer in Groningen ging wonen,
er was een jongen die het woord wist voor de geur die hertenwijfjes afscheiden.

Diezelfde avond fietste ik, stomdronken, naar mijn ex. Even kijken of zijn fiets
er stond. Die stond er. Eén keer aanbellen. Nog een keer aanbellen. Nog één keer.
Ik herinner me wat hij me over stalkers heeft verteld: die moet je negeren.
Ik wil niet dat hij mij negeert. Ik bel nog een keer aan. Heel lang.

Ze beklimt het dak, de politie wordt erbij gehaald.

Ik begeef me naar de dakrand om me te laten zien. Het is een soort optreden,
maar dan van onderaf belicht. Er is ook een hond bij. Een labrador
die op mijn ex lijkt. Die is ook blond.

(p. 14)

Ze biedt haar excuses aan en het lijkt goed af te lopen als ze tegenover de politieagent staat, een leuke politieman die zegt dat hij Paul heet. Ze vraagt hem wel meteen waar hij woont en het gedicht eindigt zo met de spannende mogelijkheid dat de stalker een nieuw slachtoffer heeft gevonden.

In het drieluik 'Envelop met foto's' wordt een meisje getroost door de diepte van de zee:

Zoals de zee mij troost door haar diepte
omdat ik het water niet tellen kan,
omdat zij groter is dan al het land
waarop de mensen kunnen lopen,
omdat er vissen zijn van wie die ruimte is,
omdat die ruimte niet van mensen is

(p. 21)

De titel van de bundel is ontleend aan het gedicht 'De sneeuwkoningin', waarin een zekere Kai wordt opgevoerd, iemand met 'scherven in zijn ogen'. Het meisje vraagt hem om bij haar te blijven:

Blijf hier Kai. Hier bederf je niet.
Je bent bevroren, dat is alles.
Dat is toch beter dan verloren
aan de liefde?

(p. 22)

Na dit opvallende binnenrijm - 'bevroren' en 'verloren' - blijkt deze Kai een sneeuwpop te zijn die uiteraard kan smelten. Het meisje smeekt hem te blijven en niet mee te gaan met zijn geliefde die, op een rendier van de roversdochter, komt aangesneld:

Het is te laat.
Hij ziet haar al.
Hij is al niet meer hier.

Het moest maar eens gaan sneeuwen.
(p. 23)

In het gedicht 'Ik wil een privé-detective' wordt de liefde opgevat als een 'onopgeloste zaak':

Zolang de zaak onopgelost is
zal hij me niet verlaten
zodat hij langzaam
van mij kan gaan houden.

(p. 43)

Het laatste gedicht in de bundel 'Het zwembad in' is een herinnering aan de afdruk van tenen op tegels en eindigt met reminiscenties aan een Christelijke school - Jansen werd tenslotte geboren in het protestantse Barneveld. De combinatie van zinnelijke gewaarwordingen met laconieke uitspraken typeert de gedichten van Tjitske Jansen.

In het bad
uit het bad
ik zong

een lied dat ik op school geleerd had.
'Looft den heer want hij is goed'
en iets met goedertierenheid

(p. 44)

Liefde en bezwering: de poëzie van Tjitske Jansen (2009)

Liefde en bezwering: de poëzie van Tjitske Jansen (2009)

Koerikoeloem (2007)

Voor haar tweede poëziebundel, Koerikoeloem (2007), had Tjitske Jansen aanvankelijk het idee om een opvangtehuis voor sprookjesfiguren op te richten. Dat idee is gaandeweg verlaten, maar sporen ervan zijn nog in de bundel terug te vinden:

Er was het opvangtehuis voor sprookjesfiguren dat ik had verzonnen. Vrouw Holle runde het. De grote boze wolf zat bij de kachel en zei: 'Als je maar niet denkt dat ik blijf. Ik ga alleen maar nog niet weg.'
(p.37)

Voor het grootste gedeelte heeft de bundel echter een stuk intiemer en persoonlijker uitgepakt. Zoals de titel, fonetisch voor het Latijnse 'curriculum', al suggereert, is de bundel een bondige beschrijving van opgedane levenservaring; en volgens de tekst op het achteromslag gaat het om 'haar persoonlijke geschiedenis'. Hoewel Koerikoeloem niet leest als een cv, is het nog maar de vraag of het poëzie moet heten. Op het omslag en op de titelpagina ontbreekt dan ook de genreaanduiding 'gedichten'.

Koerikoeloem is een compositie van prozaïsche anekdotes en herinneringen, die op zichzelf als kleine gedichtjes gezien kunnen worden. De fragmenten nodigen echter zowel inhoudelijk als stilistisch uit tot aaneenschakeling,waardoor de bundel overkomt als een in één keer te lezen gedicht. Tjitske Jansen begint iedere anekdote met 'Er was', een bewerking van het sprookjeseigen 'Er was eens...':

Er was mijn moeder die mijn kleurplaat had ingekleurd en er was de juffrouw die me vroeg of ik dat echt zelf had gedaan. Ik knikte en won de eerste prijs: een stempelset.
(p. 16)

Er was mijn broer die mijn liefdesbriefjes voor een dubbeltje per stuk verkocht op het schoolplein.
(p. 21)

Er was iemand die zei: 'Van alle dichteressen die ik ken, ben jij de minst saaie.'
(p. 22)

De steeds herhaalde aanhef werkt als een bezwering, die zwaar komt te wegen. Toch is het beeld dat Jansen schetst van haar jeugd in een gezin dat er was, in de eerste plaats levendig en humoristisch. Al is er behalve van basisscholen sprake van pleeggezinnen, dominees en psychiaters.

Als motto heeft de bundel een tekstje van de Boeddhistische leermeester Ringu Tulku Rinpoche, in juni 2007 geschreven in Schotland:

As long as I'm here I will have my shadow.
That's not something to be afraid of.
I can run for a thousand years,
the moment I realize it is my shadow: no problem.
But 'till I realize it's my shadow, I have a problem.

(p. [5])

Tjitske Jansen, Je hebt alles & je hebt mij (2008)
Tjitske Jansen, Je hebt alles & je hebt mij (2008)

Tjitske Jansen, Je hebt alles & je hebt mij (2008)

Tjitske Jansen, Je hebt alles & je hebt mij (2008)
Tjitske Jansen, Je hebt alles & je hebt mij (2008)

Tjitske Jansen, Je hebt alles & je hebt mij (2008)

In haar werk verenigt Jansen de orale voordracht met haar gedrukte teksten. Zo werd vanaf de zevende druk in 2004 van Het moest maar eens gaan sneeuwen bij deze bundel een cd opgenomen waarop Jansen haar gedichten voordroeg. In Je hebt alles & je hebt mij is ze nog een stap verder gegaan door haar voordrachten van muzikale begeleiding te voorzien.

In het gedicht ‘Om goed voor mij te zorgen’ verbeeldt de dichter zich dat ze een kind heeft. Daardoor kan ze niet ‘de hele dag in bed en bad’ liggen, want ‘er is een kind dat wacht op mijn aanwezigheid’. Ze stelt zich voor dat haar kind een hoekje voor zichzelf heeft:

Nee, het hoekje moet op zolder waar ze écht
alleen kan zijn, zich groter weten dan

alleen een dochtertje van mij, zich bevinden
onder lucht die als een vierkant op de vloer valt.
Er moet op tijd naar bed,
eerst nog een verhaal, gesnuffeld in elk oor

Deze orale voordracht verschilt op sommige plaatsen van de tekst op papier. Zo is de regel ‘onder lucht die als een vierkant op de vloer valt’ in de tekst vervangen door ‘onder een schuin dak – licht valt door het zolderraam / als vierkant op de vloer’. De regel in de bundel zelf is langer; in de voordracht valt op dat moment een stilte, die wordt opgevuld door vioolmuziek.

De teksten in de bundel komen vaker niet overeen met de voordracht. Dit laat zien dat Jansens teksten in veranderlijke vormen verschijnen, zonder één definitieve eindversie. Dat blijkt ook uit het gedicht ‘Sneeuwwitje’, dat eerst als monoloog in Vind je mij opwindend verscheen. In Je hebt alles & je hebt mij is de prozatekst, door toevoeging van regelafbrekingen, veranderd in iets dat meer op een gedicht lijkt. Maar het gedicht verschilt ook weer van de voordracht op de cd.

Er circuleren dus verschillende versies van ‘Sneeuwwitje’ in verschillende vormen, waarbij ze steeds de grenzen tussen poëzie en andere genres opzoekt. De tekst gaat over het leven van Sneeuwwitje na het einde van het sprookje, dat minder rooskleurig blijkt dan verwacht:

En wie heeft er aan Sneeuwwitje gevraagd of ze nog lang en gelukkig leefde?
Gelukkig? Omdat ze met een prins mocht trouwen?
Denk je dat je daar gelukkig van wordt? Natuurlijk zei ze ja.
Wat had ze anders moeten zeggen, had ze bij die dwergen moeten blijven?

In een ander gedicht in Je hebt alles & je hebt mij, dat eerder in Koerikoeloem werd gepubliceerd, schrijft Jansen ook over Sneeuwwitje. Nu laat ze haar zelf aan het woord:

Er was Sneeuwwitje die zei: ‘En wie heeft er bedacht dat ik nog lang en gelukkig leefde? Gelukkig? Omdat ik met een prins mocht trouwen? Denk je dat je daar gelukkig van wordt? Natuurlijk zei ik ja. Wad had ik anders moeten zeggen? Had ik bij die dwergen moeten blijven?

Tjitske Jansen, Koerikoeloem (2007)

Tjitske Jansen, Koerikoeloem (2007)

De situatie van Sneeuwwitje na ‘en ze leefden nog lang en gelukkig’ wordt dus vanuit verschillende perspectieven belicht. Jansen verzet zich hiermee tegen de neiging om alles vast te leggen, net zoals haar voordrachten steeds afwijken van de uitgave op papier. Hierover zei ze in een interview met Richard Dekker op Passionate (augustus 2003): ‘De ingebakken neiging van mensen om dingen vast te willen leggen, ervaar ik als een dodelijke neiging, een kracht die tegen het leven ingaat. Om je eigen kunst levend te houden, moet je datgene wat je vastgelegd hebt weer los kunnen laten.’

De voordracht is niet enkel een variatie op het gedicht op papier, maar versterkt vaak ook een specifieke sfeer of emotie. In het gedicht ‘Elvisbril’ speelt De Clercq vlakbij de kam van de viool, met de onderste helft van de stok, waardoor de muziek krasserig en gejaagd klinkt. Jansen draagt het gedicht twee keer roepend voor, de tweede keer bijna alsof ze moe is dat ze het moet herhalen. Ze roept:

‘Als ze niet durft te zeggen hoeveel
ze ervoor betaald heeft,
was hij duurder dan een tientje.’

Ik kocht niet alleen die bril voor al dat geld,
ik kocht ook
dat de jongen die hem droeg
hem niet meer dragen kan.

Zijn lijf stond hem te goed.

De tekst blijft hetzelfde, maar bij de voordracht kan Jansen variëren met intonatie. Zo klinkt ‘bril’ de tweede keer eerder als ‘bri-hil’. Ze kan haar emoties hier sterker overbrengen dan op papier. Bij de voordracht is zij eerder acteur dan schrijver, dus wiens emoties hier worden benadrukt is dan nog meer de vraag: welk personage speelt zij?

Haar emoties worden nog meer versterkt bij ‘De prins’. Er klinkt een harde basgitaar en Jansen schreeuwt de regels uit volle borst boven de muziek uit:

Wat wil je dat ik doe?
Wil je dat ik je vasthou?
Zal ik lieve woorden zeggen
Wil je dat ik een man voor je ben?
Zal ik een verleden voor je verzinnen?

Haar boosheid, die op papier niet per se meteen overkomt of zelfs maar belangrijk is, komt in de voordracht volledig tot zijn recht.

De voordracht kan ook juist meer rust creëren. Zo bevat ‘De beste manier waarop je iets bewaart’ als enige op de cd geen muziek, en dat terwijl het gedicht verschillende verwijzingen naar muziek(instrumenten) bevat. Jansen leest kalm voor hoe het is om een muze te zijn:

Als muze bewaar je het leven, je vertelt het door, loopt risico
het zojuist te verliezen. Dat gebeurt dan ook, wel duizend keer per dag.
Eén symfonie van Beethoven was er bijna niet geweest.
Ik verloor zowat mijn stem, zo hard moest ik roepen opdat hij mij horen kon.

Hoewel er in het gedicht staat dat de ik-persoon haar stem bijna verliest van het harde roepen, is Jansens stem hier juist beheerst. De variatie in voordrachten voegt hierdoor verschillende betekenislagen toe aan de gedichten. Jansen kan op deze manier een specifieke sfeer creëren of de emoties in het gedicht versterken.