Enige uitlandse kapellen in Leufsta
Jaar:
1775

CHARLES DE GEER’S EXEMPLAAR VAN HET VLINDERBOEK VAN PIETER CRAMER

De uitlandsche kapellen (1775-1782) van Pieter Cramer en Caspar Stoll is een monument in de natuurlijke historie.[1] In vier delen zijn meer dan 1650 vlinders uit Azië, Afrika en Amerika op ware grote afgebeeld en met de hand gekleurd. Het is de eerste publicatie waarin exotische vlinders consequent volgens het systeem van Carl Linnaeus werden beschreven en geldt alleen al om die reden nog altijd als een standaardwerk in de entomologie. Het is begrijpelijk dat het werk al bij publicatie bijzonder gewild was onder verzamelaars en naturalisten. De lijst met intekenaren die verscheen bij de negende aflevering bevat honderden namen en laat zien dat het werk direct tot in de uithoeken van Europa werd verspreid. Eén van de intekenaren uit zo’n uithoek, was de Zweedse entomoloog Charles De Geer, Baron van Leufsta. Aan de hand van zijn exemplaar, dat nog altijd aanwezig is in de Leufsta-collectie, krijgen we niet alleen een goed beeld van de complexe publicatiegeschiedenis van het werk, maar ook van de internationale boekhandel in de tweede helft van de 18e eeuw.

Pieter Cramer en ‘De uitlandsche kapellen’
De auteur van De uitlandsche kapellen, Pieter Cramer (1721-1776), was een welgesteld koopman, verzamelaar en entomoloog[2]. Zoals verschillende van zijn vermogende tijdgenoten hield hij er een eigen naturaliënkabinet met schelpen, fossielen en insecten op na. In de inleiding van De uitlandsche kapellen, waarin het werk wordt opgedragen aan het genootschap Concordia et Libertate, beschrijft Cramer waarom hij het werk uit wilde geven. Hij was geïnspireerd door de werken van Goedaert, Merian, Rösel, Sepp, d’Aubenton, Edwards en zo ongeveer alle andere grote namen uit de voorgaande eeuw, en werd aangespoord door de leden van het genootschap om zijn eigen collectie een ‘meer permanent’ karakter te geven[3]. Zelf verzorgde hij de tekst. De relatief onbekende Amsterdamse tekenaar Gerrit Wartenaar kreeg de opdracht om de vlinders uit de collectie van Cramer af te beelden, aangevuld met exemplaren uit de kabinetten van andere verzamelaars.

Het werk werd tussen 1775 en 1782 met steun van het genootschap Concordia et Libertate uitgegeven door S.J. Baalde in Amsterdam, in samenwerking met de Utrechtse collega’s Bartholomeus Wild en Johannes van Schoonhoven. Er werd een prospectus verspreid, er kon ingetekend worden op het werk, en niet onbelangrijk, het kreeg direct een goede pers. De Zweedse reiziger Jacob Jonas Björnståhl stuurde op 8 februari 1775 een brief naar Carl Linnaeus in Uppsala waarin hij melding maakt van een ‘indrukwekkend boek over de vlinders van Azië, Afrika en Amerika, met platen die bijna allemaal zijn gekleurd naar de vlinders in het kabinet van Pieter Cramer.’[4] De publicatie was op dat moment nog niet verder gevorderd dan de eerste aflevering. Het is echter aannemelijk dat Björnståhl tijdens zijn verblijf in Holland niet alleen het kabinet van Cramer heeft bezocht, maar ook de oorspronkelijke tekeningen van Wartenaar onder ogen heeft gehad.

In de daaropvolgende zeven jaar zouden in totaal 34 afleveringen verschijnen.[5] De eerste 33 afleveringen bevatten naast tekst ieder twaalf platen. Aflevering XXXIV verscheen met een handgekleurde frontispice en een gegraveerde titelplaat, met daarbij de vier titelbladen voor de uiteindelijke delen. Pieter Cramer maakte dat zelf al niet meer mee. Hij overleed in 1776. Na zijn dood werd de uitgave van het werk overgenomen door zijn neef Antoon van Rensselaer en zijn vriend Caspar Stoll (c. 1725/1730-1792). Cramer had in zijn testament vastgelegd dat de tekeningen van Wartenaar aan Van Rensselaer toe zouden komen, met de toevoeging dat hij ze uit zou moeten lenen aan de boekverkopers Schoonhoven en Baalde om ze ‘in het koper te laten brengen'.[6] Stoll werd verantwoordelijk voor het vervolg van de tekst.

Daarmee leek de voortgang van de publicatie ook na zijn dood verzekerd, maar de meeste intekenaren zullen het toch even benauwd hebben gekregen bij het bericht van Cramers overlijden. De dood van een auteur was een groot risico bij publicatie in afleveringen. Voor je het weet zit je als verzamelaar of handelaar met acht peperdure afleveringen van een werk dat nooit voltooid zal worden. Wellicht werd om deze reden bij de negende aflevering, de eerste die verscheen na het overlijden van Cramer, een lijst met intekenaren gepubliceerd. De lange lijst met honderden namen van particulieren en boekverkopers in heel Europa zal vertrouwen hebben gegeven dat de publicatie inderdaad voortgezet zou worden.

Aankondiging van de naamlijst van intekenaren, achterop de achtste aflevering. Naturalis, RBR D00502

Charles De Geer
Een van de namen op de lijst van intekenaren is die van de Zweedse baron, industrieel en entomoloog Charles De Geer (1720-1778).[7] De Geer werd geboren in het Zweedse Finspång maar verhuisde op 3-jarige leeftijd naar de Republiek, waar hij opgroeide in kasteel Rijnhuizen bij de Vecht. Daar werd hij voorbereid op zijn rol als bestuurder en wetenschapper door mannen zoals de natuurkundige Pieter van Musschenbroeck en de rechtsgeleerde Christiaan Hendrik Trotz. Toen hij op 18-jarige leeftijd oud genoeg geacht werd om leiding te geven aan de ijzerfabrieken van de familie, vertrok hij in de zomer van 1738 naar Leufsta, een industriële buitenplaats in de provincie Uppland die hij had geërfd van zijn kinderloze oom en naamgenoot Charles De Geer (1669-1730). De jonge Charles De Geer bleek een handig zakenman die met hulp van zijn internationale netwerk de ijzerindustrie in Leufsta tot grote bloei wist te brengen. Hij zou internationaal echter vooral naam maken als entomoloog. In december 1739 werd hij opgenomen als lid van de kort daarvoor opgerichte Koninklijke Zweedse Academie voor Wetenschappen. Hij publiceerde in de verhandelingen van de Academie en correspondeerde met de grote naturalisten van zijn tijd. Zijn zevendelige magnum opus Mémoires pour servir à l'histoire des insectes (1752-1778) is een standaardwerk dat over heel Europa bekend was. Cramer verwijst ernaar in De uitlandsche kapellen, net als eigenlijk iedereen die zich in de 18e eeuw op wetenschappelijke basis met insecten bezighield.

De Geer was tevens een echte verzamelaar. Op zijn Zweedse landgoed in Leufsta had hij schuin voor het hoofdgebouw twee charmante rechthoekige paviljoenen laten bouwen. Een werd ingericht als naturaliënkabinet, de ander was bestemd voor zijn bibliotheek. De Geer had reeds in zijn jeugd in de Republiek een bescheiden verzameling boeken op uiteenlopende gebieden bijeengebracht. Eenmaal in Zweden liet hij onder meer zijn oude leermeester Van Musschenbroeck de nieuwste publicaties op het gebied van natuurlijke historie opsturen. Vanaf 1752 tot aan zijn dood in 1778 bestelde hij ongeveer 1500 werken bij de Leidse boekhandelaren Samuel en Johannes Luchtmans, niet geheel toevallig de neven van Pieter van Musschenbroeck. Alle grote natuurhistorische werken die Cramer in de inleiding van De uitlandsche kapellen noemt, staan ook in Leufsta op de plank. Nagenoeg al deze werken zijn geleverd door Luchtmans, zo ook het werk van Cramer zelf.[8]

Interieur van de Leufstabibliotheek .

Leufsta-exemplaar
Na zo een uitgebreide aanloop is het bijna een teleurstelling om te zeggen dat het exemplaar van De uitlandsche kapellen in de bibliotheek van Charles De Geer niet compleet is.[9] Slechts de eerste dertien afleveringen zijn aanwezig, dat wil zeggen alle tekst van deel 1, de katernen A tot P van deel 2 en de platen 1 tot 156. De titelbladen ontbreken, evenals de lijst met intekenaren. Aardig is wel dat de prospectus uit 1775 is ingebonden met de aanwezige afleveringen.[10] Het is het enige in de STCN geregistreerde exemplaar van deze advertentie. Op de lijst met boekverkopers waar het werk van Cramer te verkrijgen is prijken onder andere de namen van Samuel en Johannes Luchtmans te Leiden.

Waarom het exemplaar in Leufsta niet compleet is, en waarom dit exemplaar toch een sleutelpositie in de Leufsta-bibliotheek inneemt, wordt duidelijk als we het leven, of beter de dood, van Charles De Geer naast de publicatiegeschiedenis van het werk leggen. De Geer overleed namelijk op 7 maart 1778 in Stockholm. De firma Luchtmans had de afleveringen 9 tot en met 13 al voor het begin van de winter naar Zweden gestuurd, en deze zijn keurig in Leufsta aangekomen. De eveneens in 1777 gepubliceerde afleveringen 14 tot en met 16 waren toen nog niet klaar voor transport, wellicht moesten zij nog afgezet worden, en zouden met het eerste transport na de winter naar het noorden worden verscheept. Uit zendingen van voorgaande jaren blijkt dat de haven van Stockholm meestal eind maart of begin april weer toegankelijk was. Klaarblijkelijk had het nieuws van het overlijden van Charles De Geer de boekhandelaren in Leiden al bereikt voor het ijs in de haven gesmolten was en werd in het voorjaar van 1778 geen nieuwe zending meer naar Zweden verstuurd.

De bibliotheek van Leufsta werd overgenomen door de oudste zoon en naamgenoot Charles De Geer (1747-1805). Hij deelde zijn vaders liefde voor boeken en komt later ook onder zijn eigen naam voor als klant in de archieven van de firma Luchtmans. Hij had echter niet zo veel op met entomologie. De boeken die hij bestelde vallen meer in de categorie van Robert Darnton’s verboden boeken van voor de Franse Revolutie.[11] Op zichzelf interessant, maar had hij in plaats van een histoire scandaleuse niet beter de resterende afleveringen van Pieter Cramers meesterwerk aan kunnen schaffen?

Het is goed te verdedigen om te zeggen van niet. Complete exemplaren van De uitlandsche kapellen zijn er verspreid over de hele wereld in overvloed. Een incompleet exemplaar waaraan zo duidelijk het leven van een Zweedse verzamelaar en zijn relatie met Hollandse boekverkopers is verbonden is enig in zijn soort. (aa)

Links naar de genoemde boeken in de STCN-database:
De uitlandsche kapellen
Berigt en voorwaarden wegens de uitgave en aflevering van [...] De uitlandsche kapellen voorkomende in de drie waereld-deelen Asia, Africa en America [...] door [...] Pieter Cramer

Noten:
[1]: P. Cramer, De uitlandsche kapellen: voorkomende in de drie waereld-deelen Asia, Africa en America = Papillons exotiques des trois parties du monde. Amsteldam, S.J. Baalde, Utrecht, B. Wild, 1779-1782 (gegraveerde titelpagina deel 1: Amst., S.J. Baalde and Utr., J. v. Schoonhoven).
[2]: W. Roepke, ‘Enkele aantekeningen over het werk van Pieter Cramer en over zijn persoon’, in: Entomologische Berichten, 16 1.II (1956), pp. 22-25.
[3]: Zie de inleiding van Cramer, met name pagina XXVIII in: P. Cramer, De uitlandsche kapellen.
[4]: Jacob Jonas Björnståhl to Carl Linnaeus, 8 February 1775, The Linnaean correspondence, linnaeus.c18.net, letter L5087 (22 May 2017).
[5]: In oudere literatuur wordt soms 33 afleveringen genoemd, waarschijnlijk op basis van het exemplaar in Natural History Museum at Tring. Een exemplaar in de collectie van Naturalis Biodiversity Center (RBR D00502-D00507) bevat echter wel degelijk 34 afleveringen, met de oorspronkelijke omslagen en bijbehorende dateringen. Bij de platen is tevens in handschrift de nomenclatuur geschreven.
[6]: Roepke, ‘Enkele aantekeningen over het werk van Pieter Cramer en over zijn persoon’, p. 24.
[7]: Zie voor meer over De Geer en zijn relatie met Luchtmans: T. Anfält, ‘Buying books by mail order: a Swedish customer and Dutch booksellers in the eighteenth century’, in L. Hellinga et al. (eds), The bookshop of the world: the role of the Low Countries in the book-trade, 1473-1941 ('t Goy-Houten : Hes & De Graaf, 2001).
[8]: Zie voor de aankoop van boeken door De Geer o.a.: Universiteit van Amsterdam, Bijzonder Collecties, Koninklijke Vereniging van het Boekenvak (KVB), Luchtmans archief; Uppsala UB, Leufsta MS 50: ’25 numrerade räkningar/kvittenser över bokinköp som gjorts hos Luchtmans mellan 1758 och 1772’.
[9]: Signatuur van het Leufsta-exemplaar: Uppsala Universitetsbibliotek, Kulturarvet, Leufstasaml., q 56
[10]: Berigt en voorwaarden wegens de uitgave en aflevering van [...] De uitlandsche kapellen voorkomende in de drie waereld-deelen Asia, Africa en America [...] door [...] Pieter Cramer (Amsteldam, S.J. Baalde, Utrecht, J. van Schoonhoven & Comp., 1775).
[11]: Vergelijk: R. Darnton, The forbidden best-sellers of pre-revolutionary France (New York: Norton, 1995).