Water: naar een nieuwe ethiek

Hoe heeft water mensen laten denken en ook niet laten denken? Vanuit een filosofisch perspectief luidt deze vraag: Wat hebben filosofen over water, vooral zeewater, gedacht? Dat is de centrale 'geofilosofische' vraag van het boek van filosoof René ten Bos: 'Water. Een geofilosofische geschiedenis' (2014).

Terwijl niemand het belang van water ontkent, raakte de klassieke gedachte dat ‘alle dingen water zijn of uit water voortkomen’ (Thales van Milete) in de vergetelheid. Ten Bos signaleert een voorkeur voor 'droogte' die haar wortels vindt in het denken van Socrates, Plato en Aristoteles. Sinds die tijd zijn de meeste filosofen op zoek naar vaste grond en doen politici en beleidsbepalers het liefst aan watermanagement.

Thales - een nautische geest

De Griekse filosoof Thales van Milete (624–545 v. Chr.) wordt beschouwd als de grondlegger van de Europese filosofie. Van Thales is bekend dat hij water als het oerprincipe of archè van alles beschouwde en dat alles één is. Thales nam ook afstand van de antropomorfe kijk op de wereld: ‘niet de mens, maar het water is de realiteit van alle dingen.’

Thales van Milete
Thales van Milete

Buste van Thales van Milete (Bron: Wikimedia Commons)

Thales van Milete

Thales van Milete

Volgens Karl Matthäus Woschitz (geb. 1937) is Thales de eerste Europese denker die probeerde de werkelijkheid met verstand te doordringen. Thales beweert dat water het leidende principe is van alle realiteit: door haar vormloosheid krijgen de dingen een bepaalde vorm. Daarmee wordt tevens orde aangebracht in het chaotische universum: achter alle verscheidenheid zou eenheid schuilgaan.

De Duits-Turkse filosofe Oya Erdoğan (geb. 1970) heeft in Wasser. Über die Anfänge der Philosophie (2003) gewezen op water als meer dan een empirisch gegeven. Het is vooral ook een zinnebeeld, het is zintuiglijk waarneembaar én tegelijkertijd staat het symbool voor vloeibaarheid, eeuwigdurend 'worden' en het veranderlijke. In de westerse filosofie is gepoogd juist dat vlietende weg te denken.

Ook de wetenschap heeft water tot iets 'droogs' gemaakt. De diepte waar Thales om vraagt, is in feite een ontstijgen aan de oppervlakkigheid van de mythologie. Volgens Thales moet je als je 'water' denkt, een grond of archè denken. Water als (af)grond die het worden symboliseert. Ten Bos vermoedt dat Thales nog met één been in de wereld van de mythe is blijven hangen, tussen liefde en wetenschap in. Liefde beschouwde hij als de essentie van water.

De zee als motor van de geschiedenis

Als eerste formuleerde de Duitse filosoof Georg Wilhelm Hegel (1770-1831) de gedachte dat de manier waarop we naar water en in het bijzonder naar de zee kijken in hoge mate bepalend is voor de cultuur waar we deel van uitmaken. Hegel was van mening dat de Middellandse Zee de levensadem van de antieke cultuur was. Water was bij uitstek datgene wat mensen verbindt.

Ten Bos veronderstelt dat de fysieke afstand tot de zee kennelijk ook doorslaggevend is voor de manier waarop volken zich ontwikkelen. Zo is het aannemelijk dat de volken in het noordwesten van Europa rond 500 v.Chr. helemaal geen zee zagen. Zij waren gefascineerd door (de gevaren van) de zompige gebieden in hun rivierdelta’s.

De archipel

Volgens de Italiaanse filosoof Massimo Cacciari (geb. 1944) zagen de Grieken vooral de zee als een onuitputtelijke bron van mogelijkheden. Cacciari schrijft dat de levendigheid van de zee inherent is aan havensteden. De ware zee was voor hen een zee, een archipel, met eilanden waarover bij thuiskomst verhalen werden verteld.

Georg Wilhelm Friedrich Hegel
G.W.F. Hegel

Portret van Georg Wilhelm Friedrich Hegel, geschilderd door Jakob Schlesinger in 1831 (Bron: Wikimedia Commons)

Massimo Cacciari
Massimo Cacciari

Portretfoto van Massimo Cacciari (Bron: Wikimedia Commons)

Waarom vormen die eilanden een archipel? Volgens Cacciari geeft Thales geen afdoende antwoord op deze geofilosofische vraag naar eenheid: water is onbegrensd, hoe kan 'meervoudigheid' dan begrepen worden? De essentie die alle veelvoudigheid moet verbinden is de 'logos', die zich manifesteert in de dingen, omdat de wereld zelf ook logisch en wiskundig is. Alleen daardoor begonnen de Grieken de saamhorigheid en de eenheid in de veelvoudigheid te zien. Hun denken kwam overeen met de wereld. Dat maakte een dialoog tussen inwoners van verschillende stadstaten mogelijk, en ook gezamenlijke reizen.

Afkeer van de zee

Niet alle Grieken waren positief over de zee. Voor Plato (ca. 427-348 v.Chr.) was de havenstad Piraeus een onderwereld, een bedreiging voor de stabiliteit van Athene. In het Romeinse Rijk bracht magistraat en rechtsgeleerde Cato (234-149 v.Chr.) voortdurend zijn haat jegens de zee tot uitdrukking. Voor Cato lag de basis van de Romeinse macht in het stabiele landleven. De afkeer van de zee van Plato en Cato hangt vooral samen met de wetteloosheid van de zee.

Plato
Plato

Detail van de fresco van de 'School van Athene', geschilderd door Raffaello Sanzio (1483-1520) in 1509 (Bron: Wikimedia Commons)

Marcus Porcius Cato
Cato

Buste van Marcus Porcius Cato of Cato de Oude (Bron: Wikimedia Commons)

Plato omarmt de 'logos' om aan de veelvoudigheid van de archipel te ontsnappen. Hij kiest voor de enkelvoudige essenties, een alles overkoepelende waarheid. Het denken van Plato staat haaks op de 'logos' van de meervoudigheid. Plato zou je ‘anti-Europees’ kunnen noemen, omdat zijn denken ingaat tegen de geest van Europa, die het meervoudige als waarheid veronderstelt. Leven in Europa impliceert antihiërarchie. Het nodigt uit tot grensdoorbraak en ondernemerszin én tot democratie.

Democratie

Vanuit geofilosofisch perspectief kan de democratie alleen maar ontstaan in gebieden die door de zee worden gedomineerd, omdat juist in deze gebieden orde en hiërarchie maar moeilijk hun stempel op de samenleving kunnen drukken. Cacciari wijst erop dat de overmoed van alle grote steden uit de geschiedenis bestond uit de gedachte de zee te kunnen bedwingen door er als het ware land van te maken. Dat is echter tot mislukken gedoemd. Ook vandaag nog is de onbeheersbaarheid van de zee een juridisch en filosofisch thema.

Cacciari stelt dat op zee alleen een ‘onverzoenlijk positief recht’ geldt: wetten die ‘gesteld’ worden en daardoor onverbiddelijk en radicaal zijn. Alleen radicale wetten die niet zijn gefundeerd in de waarheid van God of de natuur, maken het reizen met een schip ‘alsof’ het over land gaat mogelijk. De democratie die heerst in de (haven)stad, nodigt uit tot wetsovertreding. Juist de democratie heeft regels, orde en wetmatigheid nodig om te kunnen functioneren. Ten Bos vergelijkt (net als Plato) de staat met een schip en stelt dat in een democratie de stuurman vooral zichzelf moet kunnen aansturen. Dit vereist zelfkennis en discipline.

Angst voor de zee

De Griekse filosoof Herakleitos (540-480 v.Chr.) had een ambivalente houding ten opzichte van water: het brengt ons bij de dood, maar is ook brandstof voor het leven.

Divina comedia (Foligno, 1472)
Divina comedia (Foligno, 1472)

Divina comedia (Foligno, 1472)

Dante Alighieri, geschilderd door Sandro Botticelli, 1495
Dante Alighieri

Portret van Dante Alighieri, geschilderd door Sandro Botticelli (ca. 1445-1510) in 1495 (Bron: Wikimedia Commons)

Kaart van Dantes hel

Sandro Botticelli, Inferno (Bron: Statenvertaling online)

Dantes wereldbeeld was niet in overeenstemming met het alom geaccepteerde middeleeuwse Aristotelische wereldbeeld. Hij wilde ruimte bieden aan empirische observatie en tegelijkertijd vasthouden aan het bestaande model. Door deze dubbele houding was Dante de eerste belangrijke criticus van de klassieke gedachte dat aarde en water nauwkeurig te onderscheiden elementen zijn. Daarmee werd een wantrouwen tegen de klassieke elementenleer ingezet.

De dichter Dante botst net zo hard op de ondoorgrondelijkheid van water als de filosoof-wetenschapper Dante, maar hij geeft tegelijkertijd aan dat we vragen moeten stellen waar dat mogelijk is. Ten Bos stelt dat water ons tot op heden in verlegenheid brengt. We blijven ons verbazen over de complexiteit ervan en laveren tussen poëzie en wetenschap. Water presenteert zich als een onoplosbaar probleem. Je kunt eigenlijk niets zeggen over water zonder het gevoel te hebben dat je liegt.

Empedocles en zijn 'wortels'

De bedenker van de zogenoemde elementenleer, de Griekse filosoof en dichter Empedocles (490-430 v.Chr.) wordt in ecosofische teksten van tegenwoordig vaak bejubeld. (Zie lemma ecosofie).

Foto van Gilles Deleuze en Félix Guattari
Gilles Deleuze en Félix Guattari

Foto van Gilles Deleuze en Félix Guattari (Bron: Wikimedia Commons)

Michel Serres, 2011
Michel Serres (2011)

Michel Serres tijdens de comferentie l'Espace des sciences op 15 februari 2011 (Bron: Wikimedia Commons)

Water als molecuul

In de moderne tijd, met name door de inspanningen van de Franse scheikundige Antoine Lavoisier (1743-1794), wordt de ‘elementaire’ kijk op het water vervangen door een ‘moleculaire’ kijk. Water is gereduceerd tot het molecuul H2O, een abstractie. Het is losgekoppeld van sociale en ecologische overwegingen.

Volgens de Britse scheikundige en wetenschapshistoricus Philip Ball (geb. 1962) blijft water hoe alomtegenwoordig en ‘gewoon’ het ook is, een mysterie en een anomalie. De moleculaire structuur van water is ingewikkeld en de abnormale eigenschappen van water hebben veel met deze structuur te maken. De gedachte dat water een moleculaire structuur is, blijft net zo bevangen door mysterie als de gedachte dat water een element is. Wetenschappers zijn in de ban van nieuwe raadsels, maar dit wil niet zeggen dat ze vinden dat we terug moeten naar een elementaire kijk op water.

Antoine Laurent Lavoisier
Antoine Lavoisier

Antoine Laurent Lavoisier (Bron: Wikimedia Commons)

Philip Ball
Philip Ball

Portretfoto van Philip Ball (Bron: Chemistry World Blog)

De juridische zee

Voor de Grieken had de zee vooral een 'brug'-functie. In de late middeleeuwen neemt de handel aanzienlijk toe. Maar dan is de Middellandse Zee niet meer het centrum van de wereld. Ook de Atlantische Oceaan en binnenzeeën als de Noordzee en de Oostzee werden tonelen voor de wereldgeschiedenis.

Vanaf het einde van zestiende eeuw wordt de zee onderwerp van heftige juridische disputen. Steeds meer landen eigenden zich de zeeën toe. Zo werd de Oostzee gecontroleerd door Denemarken en de Adriatische Zee door Venetië. Spanje en Portugal zagen de oceanen als hun eigendom dankzij een bul van paus Alexander VI (1431-1503). (In de late middeleeuwen werden alle wereldpolitieke handelingen gesanctioneerd door de paus.)

Kaart van de koloniale demarcatielijnen tussen Spanje en Portugal
Kaart van de koloniale demarcatielijnen tussen Spanje en Portugal

Kaart van de koloniale demarcatielijnen tussen Spanje en Portugal in de 15de en 16de eeuw (Bron: Wikimedia Commons)

Paus Alexander VI
Paus Alexander VI

Detail van een fresco van Paus Alexander VI, geschilderd in 1492-1495 door Pinturicchio (Bron: Wikimedia Commons)

Hugo de Groot en de vrije zee

Aan het begin van de zeventiende eeuw schreef de Nederlandse rechtsgeleerde en schrijver Hugo de Groot (1583-1645) een felle aanval op de door de paus gesanctioneerde claims van Portugal en Spanje, Mare liberum (1609): de vrije zee. Hij zag de ‘vrije zee’ als het fundament van een volkenrecht en als absoluut geldig. De zee kan geen eigendom zijn: God heeft de natuur aan de hele mensheid gegeven, dus kan er alleen maar sprake zijn van gemeenschappelijk bezit. Drie criteria bepalen wanneer iets geen eigendom kan zijn: ongrijpbaarheid, onbegrensdheid en onuitputtelijkheid, zoals lucht en zee.

De Groot verdedigde net als de oude Grieken het recht op onbeperkte visserij en onbelemmerde doortocht. Aan het eind van de zeventiende eeuw werd algemeen aanvaard dat de zee gemeenschappelijk eigendom is. Waar water schaars is, zoekt men doorgaans naar andere juridische oplossingen dan in een gebied waar water overvloedig aanwezig is. Een stromende rivier is geen privévoorziening, maar een soort schat die eerlijk moet worden verdeeld over iedereen die er gebruik van wil maken.

Hugo de Groot
Hugo de Groot

Portret van Hugo de Groot, geschilderd door Michiel van Mierevelt (1567-1641) in 1631 (Bron: Wikimedia Commons)

Hugo de Groot, *Mare liberum sive de jure quod Batavis competit ad Indicana commercia dissertatio* (1609)
Mare liberum (1609)

Hugo de Groot, Mare liberum sive de jure quod Batavis competit ad Indicana commercia dissertatio (1609)

De politieke zee

De Duitse filosoof en rechtsgeleerde Carl Schmitt (1888-1985) constateerde dat het politieke denken de voorkeur gaf aan land, omdat dit kan worden gecultiveerd en opgedeeld. De zee zag hij als ‘een vrij veld van vrije buit’ waar zeerovers en piraten straffeloos hun gang konden gaan.

Schmitt nam een kentering waar in het oordeel over de zeerover in de richting van verering. Zo werden Francis Drake (ca. 1540-1596) en John Hawkins (1532-1595) helden omdat het hun niet alleen om buit ging. Ze waren betrokken bij een protestants front van hugenoten tegen het wereldomspannende katholicisme. Ze werkten vaak in opdracht van de staat en waren daarom geen piraten maar ‘privateers’, voorlopers van ondernemers. Schmitt vond dat zij doorslaggevend waren bij de omvorming van Engeland van een boerennatie tot een zeevaardersnatie.

Carl Schmitt, 1912
Carl Schmitt

Portret van Carl Schmitt als Student in 1912 (Bron: Wikimedia Commons)

Sir Francis Drake
Sir Francis Drake

Sir Francis Drake, geportretteerd door Marcus Gheeraerts de Jonge (1561-1636) na 1590 9Bron: Wikimedia Commons)

Sir John Hawkins
Sir John Hawkins

Portrait van Sir John Hawkins, geschilderd in 1581

Vanaf 1700 kiest Engeland noodgedwongen voor een maritiem bestaan. Volgens Schmitt gaat het om een ‘elementaire’ wending in de Engelse politiek van land naar zee. Hieruit resulteert de Britse expansie over de hele wereld. Schmitt ziet deze wending als een tragische gebeurtenis, die het door hem zo verfoeide liberaal-kapitalisme heeft mogelijk gemaakt met haar praktijken van economische druk, boycots en omkoping. De vrijhandel over zee werd een zaak van levensbelang. Dit ging gepaard met universele claims ten aanzien van mensenrechten en de noodzaak van vrijheid van meningsuiting.

Schmitt stelt de vraag: ‘hoe kan de zee tegelijkertijd een plek van totale oorlog en een plek van vreedzame handel zijn?’. Het liberaal-kapitalisme is gebaseerd op het recht op eigendom, maar kan alleen maar functioneren door rechteloosheid toe te staan. Het kapitalisme heeft deze ambiguïteit nodig: aan de ene kant een toename van regels en technieken, aan de andere kant een toenemende wanorde. Ten Bos noemt dit ‘de diaboliek van het kapitalisme’.

Land-. water- én luchtwezens

Ten Bos bestrijdt de stellingname van Schmitt dat de mens een landwezen is. Volgens hem is de mens amfibisch: zowel thuis op het land als op het water. De Duitse filosoof Peter Sloterdijk (geb. 1947) ontwikkelt een ‘amfibische antropologie’, waarin hij de mens bestudeert als een wezen dat voortdurend van element wisselt. In Sloterdijks werk zijn drie geofilosofische thema’s van belang in verband met water: duiken, eilanden en overbruggingen.

In Weltfremdheit (1993) plaatst Sloterdijk helden en mystici tegenover elkaar als twee ‘complementaire bewegingskarakters’: de helden duiken op en de mystici duiken onder. Duiken hangt samen met de ‘mediale zijnswijze’ van de mens: we komen allemaal uit de moederschoot. Om het leven in de schoot te begrijpen, moeten we de ‘taal van water’ spreken. De mens wordt als duiker geboren, maar wil ook altijd lucht happen.

Als sociaal wezen is de mens een bouwer van niches om zich terug te trekken en tot rust te komen. In Sphären (deel 2: 1999; deel 3: 2004) zet Sloterdijk uiteen dat het bij samenzijn van mensen vooral om betrekkingen en bezieling gaat. Voor een amfibische antropologie is een sfereologische eilandtheorie noodzakelijk, zegt hij. Eilandvorming is ook een technisch project: mensen maken eilanden en die isoleren zich van de omringende zee.

Sloterdijk gaat ook in op 'island hopping': mensen zijn 'huizenwisselaars'. Uit onvrede over de 'Heimat' gaat men de zeeën bevaren. Wie de wereld wil leren kennen, moet 'waterig' denken: de nieuwe kennis is praktisch en speculatief. Globalisering heeft geleid tot een vormcrisis: de aarde is niet langer een bolvorm of een comfortabele sfeer. In Sphären III duidt Sloterdijk deze vormcrisis met de metafoor van het schuim: we leven in een vormloze wereld en wat er overblijft is troebel, vormloos en labiel.

Sloterdijk stelt zich een republikeinse ruimtepolitiek voor die eindelijk eens leert door de troebele en labiele wateren van het schuim te navigeren. Volgens Ten Bos is het vormloze ook zeer dynamisch en kunnen we het sociale leven van mensen beter duiden in termen van wolken, turbulenties, opstapelingen en zwammen.

 Peter Sloterdijk, 2009
Peter Sloterdijk (2009)

Peter Sloterdijk tijdens de Radio Day 2009 (Bron: Wikimedia Commons)

Peter Sloterdijk, Weltfremheit (1993)
Peter Sloterdijk, Weltfremheit (1993)

Peter Sloterdijk, Weltfremheit (1993)

Peter Sloterdijk, *Sphären II* (1999)
Peter Sloterdijk, Sphären II (1999)

Peter Sloterdijk, Sphären II (1999)

Peter Sloterdijk, *Sphären III* (2004)
Peter Sloterdijk, Sphären III (2004)

Peter Sloterdijk, Sphären III (2004)

Moby Dick en de romantische zee

Romantische geesten voelen zich aangetrokken tot de zee, ook al is het werken op zee bepaald geen pretje. De zee is een ruimte waar slavernij, uitbuiting, onderbetaling en willekeur nog steeds niet tot het verleden behoren. Nergens komt de spanning tussen de romantiek en de bittere realiteit van de zee zo expliciet naar voren als in het fictieve verhaal Moby Dick (1851) van de Amerikaanse schrijver Herman Melville (1819-1891). Dit boek is behalve een spannend avonturenboek, ook een wetenschappelijk en filosofisch boek over het leven op zee en over de walvisvangst.

Ten Bos voert de Engels-Amerikaanse dichter en essayist W.H. Auden (1907-1973) op om meer zicht te bieden op wat de romantiek van de zee eigenlijk is. Romantiek is vaak een kwestie van pure projectie. De zee, aldus Auden, is zuivere potentie en als zodanig voorbij goed en kwaad, daarom kom je er zoveel onschuldige mensen tegen. De onschuld en de angst dat de onschuld verdwijnt, kom je ook tegen in de romans van Melville.

Herman Melville, *Moby Dick* (1851)
Herman Melville, Moby Dick (1851)

Herman Melville, Moby Dick (1851)

Herman Melville
Herman Melville

Foto van Herman Melville (Bron: Wikimedia Commons)

W.H. Auden,1939
W.H. Auden (1939)

Portretfoto van W.H. Auden, gemaakt door Carl Van Vechten (1880–1964) in 1939 (Bron: Wikimedia Commons)

Moby Dick wordt ook gezien als een politieke roman met een antipsychologische teneur. Ten Bos stelt dat Moby Dick een reflectie op de arbeidsverhoudingen op zee is. Ismael, de verteller, vergelijkt werken op zee met slavernij en hij maakt duidelijk dat veel van de rottigste klussen gedaan worden door niet-blanke mensen. Toch gaat hij mee omdat hij gefascineerd is door de walvis, een ‘vervaarlijk en geheimzinnig monster’.

Witheid speelt een cruciale rol in Moby Dick. Ook volgens Ten Bos is er iets in wit wat mensen ten diepste verontrust. Als je wit losmaakt van de vriendelijke associaties, dan wordt het iets spookachtigs en gruwelijks. Het stelt niets en dus alles voor. Alles wat wit wordt, boezemt angst in. Ook de zee kan wit worden. Hiermee wordt de aandacht verlegt naar het water zelf dat veel angst veroorzaakt. Alleen roekeloosheid en zucht naar avontuur kunnen deze angst onderdrukken voor de dood die de zee ook is. De aandacht voor het zeewater die in Melvilles tijd opkomt, markeert het einde van de romantiek.

Kapitalisme gaat over zee

Melvilles witte monster gedraagt zich precies zoals het kapitalisme: een raadselachtig monster, dat zich onttrekt aan definitieve duiding. In zijn ongrijpbaarheid gaat het van crisis naar crisis en wie er door geobsedeerd raakt, zal volgens Melville vroeg of laat ten onder gaan. Wat ten ondergaat is de walvisvangst als zodanig, maar de ‘gedachte’ aan de witte walvis gaat niet ten onder.

Everett Henry, *Moby Dick* (1956) (Bron: Wikimedia Commons)

Everett Henry, Moby Dick (1956) (Bron: Wikimedia Commons)

Volgens de Duitse denker Karl Marx (1818-1883), een tijdgenoot van Melville, zal de gedachte achter het kapitalisme niet zomaar verdwijnen. Volgens Marx zijn stroming en circulatie de essentie van het kapitalisme. De wereld van het geld wordt gemodelleerd aan de hand van water: geld stroomt als water. Geld is het ‘perpetuum mobile’ van het circulatiesysteem. Kortom, stelt Ten Bos, de karakterloosheid en betekenisloosheid van de zee lijken op die van geld. De maritieme ruimte, waarin niets vaststaat, is daarom een ruimte waarin het kapitalisme kan gedijen.

Marx gebruikt de metafoor ‘kannibalisme’ om het kapitalisme aan te duiden. Hiermee benadrukte hij de onmenselijkheid van het winstmotief als maat van al het menselijk handelen en de diepe irrationaliteit van een systeem dat zichzelf wel moet verslinden.

Karl Marx, 1875

Karl Marx, gemaakt door J.J.E.P. Mayall, ca. 1875 (Bron: Wikimedia Commons)

Tegen de kapitalistische zee

Onze houding ten aanzien van de zee is veranderd. Zeewater werd eerst vooral een inkomstenbron. Het enige wat telde was dat de bedrijven efficiënte en vrije toegang kregen tot de wereldmarkt, waarbij de zee diende als vrije ruimte, waar de mens kan doen en laten wat hij wil.

Extreme levensvorm rond vulkanische schoorsteen (Bron: Wikimedia Commons)
Extreme levensvorm rond vulkanische schoorsteen

Extreme levensvorm rond vulkanische schoorsteen (Bron: Wikimedia Commons)

Extremofielen bij Grand Prismatic Spring
Extremofielen bij Grand Prismatic Spring

Extremofielen bij Grand Prismatic Spring

De ziekwording van de zee kan begrepen worden als stofwisselingsstoornis. Evenwichtsstoornissen in de trofische niveaus van de zee leidt tot verstoringen van de voedselketen. Overbevissing heeft de ecosystemen in kustgebieden fundamenteel veranderd. Onderzoek heeft volgens Ten Bos aangetoond dat de plundering van de zeeën ‘diepe historische wortels’ heeft, die verder reiken dan het kapitalisme. Inspanningen om de zieke zee er weer bovenop te krijgen zullen falen als we ons alleen bezighouden met relatief recente problematiek.

De oersoep

In alle mythologieën wordt aangenomen dat alles ooit begon met ‘primordiaal water’, een soort vormloze oerstof. een ‘nog-niet-water’. Hieruit ontstond de oersoep. Na miljarden jaren veranderde de oersoep in een zee met de meest uiteenlopende levensvormen. De oersoep en de zee zijn altijd opgevat als een moeder. Zo benadrukte bijvoorbeeld de Franse historicus Jules Michelet (1798-1874) in zijn boek La mer (1861) voortdurend het vrouwelijke en vruchtbare aspect van de zee.

Jules Michelet
Jules Michelet

Portret van Jules Michelet, gemaakt door Thomas Couture (Bron: Wikimedia Commons)

J. Michelet, La mer (1861)
J. Michelet, La mer (1861)

J. Michelet, La mer (1861)

De zeeën maken maar 0,02 procent uit van de massa van de aardbol. De grootst mogelijke biosfeer op onze planeet bevindt zich onder de grond, maar voor een geoloog is water en het leven een relatief oppervlaktefenomeen. Alleen aan de oppervlakte brengt de moederzee op een circulaire, onnavolgbare en vaak chaotische wijze een eindeloze keten van levende wezens voort. Iedere seconde vinden er miljoenen genetische mutaties plaats op de zeebodem. Hydrobiologen spreken van dynamische ‘genenpools’.

De mens als mengwezen

Tegenwoordig wordt het steeds moeilijker de zee nog als een moeder te zien. De zee, met de mensheid als kok, is nu eerder inkomstenbron dan levensbron en is daardoor eerder dood dan levend.

Voor de Duitse filosoof Immanuel Kant (1724-1804) is water de vormloze drager van alle verschillende (levens)vormen, maar we kunnen het ‘vloeibare, dat ouder is dan het vaste’ niet begrijpen, omdat de categorieën van ons verstand daartoe niet toegerust zijn. Volgens Kant zijn we lang geleden uit de oersoep naar drogere werelden ‘gesprongen’.

Als tegenhanger van Kant voert Ten Bos Michel Serres ten tonele, die zijn heil bij denkers zoekt, die net als hij water een belangrijke rol toekennen.

Michel Serres (2008) (Bron: Wikimedia Commons)

Michel Serres (2008) (Bron: Wikimedia Commons)

John Dalton, 1834
John Dalton,

Portret van John Dalton, gemaakt door de mezzotint graficus Charles Turner (1834) (Bron: Wikimedia Commons)

John Dalton, *A new system of chemical philosophy* (1808) (Bron: Internet Archive)
John Dalton, A new system of chemical philosophy (1808)

John Dalton, A new system of chemical philosophy (1808) (Bron: Internet Archive)

Bij Lucretius ziet Ten Bos de aanzet tot een fluïde wetenschap. Serres wijst er op dat de natuur- en wiskundige Archimedes (287-212 v.Chr.) zijn hele leven bezig was met vloeibaarheid, maar er is echter één groot verschil: Archimedes was een wetenschapper met een obsessie voor oorlog, terwijl Lucretius de wetenschap uit de klauwen van de oorlog probeerde te bevrijden door Venus op te voeren als de beschermvrouw van al het wetenschappelijke onderzoek.

Archimedes van Syracuse, 1620
Archimedes van Syracuse

Archimedes van Syracuse, geschilderd door Domenico Fetti (1620) (Bron: Wikimedia Commons)

E.E.A.P. Duval, 'De geboorte van Venus' (1862) (Bron: Wikimedia Commons)
'De geboorte van Venus'

E.E.A.P. Duval, 'De geboorte van Venus' (1862) (Bron: Wikimedia Commons)

Een nieuwe ethiek

Dit veronderstelt een bepaalde normatieve opvatting over hoe de wetenschap de wereld dient te benaderen. Serres noemt dit de ‘afroditische’ ethiek waarin het hele universum constant meedeint met alle kleine en grote gebeurtenissen. De wereld is turbulentie, maar wij zijn het zelf ook. Alleen zo kunnen we gemoedsrust vinden. Er is geen scheiding tussen poëzie, wetenschap en ethiek. Alles bevindt zich in een eindeloze draaikolk. In deze ‘nautische’ ethiek is instabiliteit de wet.

Voor Serres is wetenschappelijk werk in essentie gewelddadig. De moderne wetenschap wordt het gevaarlijkst als ze samenspant met bedrijfsleven en politiek, want dan raakt ze in de ban van nut, winst en macht. De wetenschapper moet zich daarentegen laten meedeinen op de stroom van de gebeurtenissen. Dit is een vorm van dwalen en niet bang zijn te verdwalen.

De zee is een oppervlakteverschijnsel dat ons leven en denken op diepgaande wijze bepaalt en beheerst. Dit geldt ook voor binnenzeeën, rivieren, meren, sloten en beken. De wereld is meervoudig en dit kunnen we nergens zo goed zien als bij water.

Het meervoudige is een alledaags verschijnsel, we zien haar overal en vereist een nieuwe manier van denken. In de meervoudige wereld zijn alleen maar zwakke schakels. Ten Bos besluit zijn boek Water met de les van water: 'Water brengt alles samen, water is connectiviteit. Tegelijkertijd grijpt water niets definitief vast, laat het alles wel weer glippen, […] dat water uiteindelijk ongrijpbaar is. Water, dat is raken, maar niet grijpen. Of begrijpen. Hooguit horen, zien, proeven, ruiken en voelen.' (p. 301)