Beatrijs

Er bestaat maar één middeleeuws handschrift met het Nederlandstalige gedicht over de non Beatrijs (1374). Dat maakt dit handschrift tot een absoluut topstuk. In hetzelfde handschrift vinden we de Dietsche Doctrinale en Heimelicheit der heimelicheden van Jacob van Maerlant.

Op deze pagina vindt u een algemene inleiding bij de Beatrijs. Wilt u direct naar het gedigitaliseerde boek? Klik dan op de link in dit plaatje. U landt op de pagina waar Beatrijs begint, maar kunt ook de andere pagina's van dit handschrift digitaal bekijken.

Beatrijs: kennismaking met het handschrift

Het handschrift uit ca. 1374 dat de naam van Beatrijs is gaan dragen bevat meer dan alleen de tekst over Beatrijs. Het handschrift begint met het lange leerdicht Die Dietsche doctrinale, waarvan de grote openingsminiatuur met veel goud van de eerste bladzijde afspat.

Dietsche Doctrinale openingsminiatuur

Openingsminiatuur van Die Dietsche Doctrinale

Na het Mariamirakel over Beatrijs volgen nog enkele korte teksten en het handschrift besluit met de Heimelicheit der heimelicheden van Jacob van Maerlant, de ‘vader der Dietse dichtren algader’.

De meeste teksten uit het handschrift kennen we ook uit andere bronnen. Maar de Nederlandse tekst over Beatrijs is uniek. Vandaar dat die naam met het handschrift verbonden is gebleven.

De edele non Beatrijs

Het verhaal over Beatrijs is bekend uit heel West-Europa. Beatrijs is een ‘hovesche’, een edelvrouwe. Zij gaat in het klooster en doet haar werk als kosteres voorbeeldig. Maar dan blijkt dat ze haar oude jeugdliefde niet vergeten kan. Willem Wilmink vertaalt de originele tekst aldus

De wijze maakt ze [=de liefde] tot zo’n zot
dat hij de slaaf wordt van zijn lot.

Beatrijs

De begininitiaal van Beatrijs met een afbeelding van een non geknield voor een madonna met kind, met op de achtergrond een klooster. De tekst begint met de verzuchting van de schrijver dat dichten hem weinig oplevert: ‘Het dichten brengt me weinig voordeel. / De meeste mensen zijn van oordeel / dat ik een ander vak moet leren.’ (vert. Willem Wilmink)

Beatrijs loopt weg uit het klooster om te trouwen met haar minnaar. Ze leven zeven jaar lang in voorspoed en krijgen twee kinderen. Maar dan slaat het noodlot toe: de man verlaat Beatrijs en de kinderen. Ze blijft zonder een rooie cent achter. Nu zijn er nog maar twee manieren voor Beatrijs om de kost te verdienen: ze kan gaan bedelen of ze kan hoer worden.

Voor een edelvrouwe als Beatrijs is bedelen geen optie. Bedelen zou in de stad moeten gebeuren waar iedereen het ziet, en dat is een schande die Beatrijs niet kan verdragen. Dus kiest ze ervoor om haar lichaam te verkopen, want dat kan tenminste in het geheim gebeuren.

Help me dan, Maria, Vrouwe!

Weer gaan er zeven jaar voorbij. Beatrijs heeft enorme spijt van haar beslissingen en bidt iedere dag tot Maria:

Help me dan, Maria, Vrouwe!
mijn zonden doen me wel zo’n pijn,
als er een hete oven zou zijn,
die zo verschrikkelijk gloeide
dat de vlammen er uitsproeiden,
ik zou er binnenlopen
als dat mijn zonden vrij kon kopen.

Maria komt Beatrijs te hulp

Op een nacht krijgt Beatrijs een visioen. Ze moet teruggaan naar het klooster. Ze gaat met haar kinderen op weg. Wanneer ze in de buurt komt van het klooster en voorzichtig navraag doet, blijkt dat niemand haar gemist heeft. Sterker nog: Beatrijs staat te boek als een voorbeeldige kosteres. Wat blijkt? Maria heeft al die jaren haar rol in het klooster overgenomen.

Beatrijs biecht haar zonden op en mag terugkeren in het klooster. Ook de kinderen worden goed opgevangen. Eind goed, al goed, allemaal dankzij Maria, die in de middeleeuwen volop vereerd wordt.

Beatrijs als literaire mijlpaal

Het verhaal van Beatrijs zoals het staat opgetekend in dit handschrift is een literaire mijlpaal. De versie is ontstaan in de veertiende, misschien zelfs nog in de dertiende eeuw. Wie de Nederlandse berijming heeft gemaakt is niet bekend, maar hij/zij moet een literaire meester zijn geweest. De opbouw is harmonieus, de woordkeus heel precies. De dialogen zijn levendig en de natuurbeschrijvingen indringend. Bovendien toont de dichter een goed ontwikkeld psychologisch inzicht als hij de lotgevallen van Beatrijs beschrijft en vertelt hoe zij daarmee omgaat.

Beschrijving van het handschrift

Den Haag, Koninklijke Bibliotheek, 76 E 5.
Brabant (Brussel?), ca. 1374.
Perkament, 80 fol., 257×190 (185×150) mm, 2 kolommen, 37 regels. Bruine leren band uit 1993.

  • fol. Iv: paastabel
  • fol. 1r-46v: Die Dietsche doctrinale / [Jan van Boendale (ca. 1280-1351)]
  • fol. 47v-54v: Beatrijs
  • fol. 54v: Ave Maria, Pater noster en Credo uit Der leken spieghel van Jan van Boendale (ca. 1280-1351)
  • fol. 54v-57r: catechetische teksten, o.a. over de tien geboden, over de zeven sacramenten, en over de zeven werken van barmhartigheid (excerpten uit Jan van Ruusbroec (ca. 1293-1381))
  • fol. 57v-61r: de aflaten van de zeven kerken van Rome
  • fol. 61v-76r: Heimelicheit der heimelicheden / Jacob van Maerlant (ca. 1235-1300)

Beatrijs en de KB

In de zeventiende eeuw is het handschrift eigendom van de geleerde diplomaat Nicolaas Heinsius. Na diens dood wordt het in 1683 in Leiden geveild, om pas weer in 1764 in Den Haag op te duiken. In 1779 wordt het boek opnieuw verkocht, vermoedelijk aan Jacob Visser, de Haagse jurist die het bezit in 1784 (dat weten we zeker). Op aandringen van koning Lodewijk Napoleon komt de rijke boekenverzameling van landsadvocaat Visser in 1809 terecht in de Koninklijke Bibliotheek. Pas dan en daar begint de zegetocht van dit kostbare boek door het land der letteren: ‘de Beatrijs’ is nu onbetwist het bekendste middeleeuwse handschrift in de collectie van de KB.

Vertalingen en bewerkingen

Literatuur

J. Deschamps, Middelnederlandse handschriften uit Europese en Amerikaanse bibliotheken. Leiden 1972, nr. 20
De verluchte handschriften en incunabelen van de Koninklijke Bibliotheek. 's-Gravenhage 1985, nr. 365
Beatrijs: geschreven in de 2e helft van de 13e eeuw door een onbekend dichter. Zellik 1986
A.M. Duinhoven, De geschiedenis van Beatrijs. 2 dln. Utrecht 1989.