Sinds 2013 zijn met financiering van Metamorfoze bijna twee miljoen scans van archivalia in het thema Slavernij en slavenhandel gemaakt. Het thema is ingegeven door historisch en maatschappelijk belang en de actualiteit. In 2013 was het 150 jaar geleden dat Nederland de slavernij in Suriname en op de Antillen heeft afgeschaft en in 2014 was het twee eeuwen geleden dat de trans-Atlantische slavenhandel werd verboden. 

De projecten omvatten onder meer de omvangrijke archieven van de West-Indische Compagnie (in het Nationaal Archief) en van het slavenhandelaarsbedrijf Middelburgse Commercie Compagnie (Zeeuws Archief), beide in 2011 geplaatst op de UNESCO-lijst Memory of the World. Zelfs het in Guyana achtergebleven archief (eveneens werelderfgoed) is naar Nederland gekomen om te worden geconserveerd en gedigitaliseerd en is intussen (per vrachtschip) alweer terug in Georgetown.

In 2021 zijn de scans gepresenteerd door minister Van Engelshoven tijdens een symposium Bronnen over slavernij en slavenhandel, georganiseerd in samenwerking met Rijksmuseum en Nationaal Archief. Inmiddels zijn de laatste projecten afgerond en komt er nog een vervolg. Het ministerie van OCW heeft extra financiering beschikbaar gesteld voor digitalisering van nog meer archieven en collecties over het Nederlandse slavernijverleden, met speciale aandacht voor bronnen op de Cariben. Op het Metamorfoze-symposium van 25 juni 2024 is een oproep gedaan voor het indienen van projectvoorstellen. Tijdens het symposium is ook teruggekeken op de projecten in het thema Slavernij en slavenhandel. Een verslag van het symposium staat op de website van Metamorfoze. De livestream van het symposium is terug te kijken.

Soms duiken verassende bronnen op. In The National Archives in Londen blijkt de nodige Nederlandse West-Indische slavernij- en plantagegeschiedenis verstopt, een mooie aanvulling op in Nederland aanwezige archieven en collecties. Dat ligt daar niet zomaar. Het is er op bijzondere wijze terechtgekomen: gekaapt, nagestuurd en later opgetekend.

Gekaapt: Fortenadministratie West-Afrika, 1793-1803

Vooral de in de zogenoemde Prize Papers (archief High Court of Admiralty) in Londen teruggevonden archivalia uit Elmina, het hoofdkwartier van de Nederlanders aan de zogenaamde Goudkust in West-Afrika, spreken tot de verbeelding. Tijdens de verschillende oorlogen tussen Engeland en de Republiek van de zeventiende tot in de negentiende eeuw werden schepen over en weer gekaapt. De buitgemaakte Nederlandse brieven en scheepspapieren werden eeuwenlang bewaard in de Tower of Londen en later overgedragen aan het Britse nationale archief tot ze daar in de jaren ‘80 van de twintigste eeuw door een Nederlandse onderzoeker werden ontdekt. Door de KB werd het project Sailing Letters opgetuigd, dat leidde tot grote belangstelling en vervolgprojecten in binnen- en buitenland. De ongeveer duizend dozen met Nederlandse materiaal zijn een soort tijdscapsule en vormen een ware archiefschat.

In 1803 werd tien jaar archief van de Nederlandse slavenforten in West-Afrika verscheept naar Nederland. Hoewel het aan boord ging bij de bevriende Engelse kapitein van het Londense slavenschip Diamond, kwam het niet aan in Den Haag. Het schip werd door de Franse Bellona gekaapt, teruggekaapt door HMS Goliath en alles belandde uiteindelijk in The National Archives (TNA) in plaats van in het Nederlandse Nationaal Archief.

Het archief omvat registers met ‘generaale’ correspondentie van Elmina en die van de buitenkantoren. Ook zijn er allerlei overzichten van inkomsten en uitgaven, zoals monsterrollen en soldijboeken van personeel en militairen, alsmede van alle aanwezige slaafgemaakten werkzaam op de forten (met hun namen, herkomst, ouderdom en lichamelijke geschiktheid of gebreken: ‘oud en afgeleefd’, ‘aan een oog blind’, ‘lamme arm’, ‘somtijds gek’, ‘bobbels onder de voet’). Er zijn lijsten van voorraden koopmanschappen en vivres (levensmiddelen) en van uitgaven voor goederen en diensten (tot en met roeien naar de voor de kust wachtende schepen). Tevens bewaard zijn uiteenlopende overzichten en inventarissen, van aanwezige kanonnen en ammunitie tot aan benodigde medicijnen en instrumenten en lijsten van boeken en papieren.

Het omvat een interessante periode, de laatste fase van de Nederlandse slavenhandel. Het aantal vooral Zeeuwse en Amsterdamse handelaren neemt dan steeds verder af. Er worden minder mensen verhandeld en minder in Angola en worden naar verhouding meer slaafgemaakten in Elmina gekocht, dat weliswaar sneller gaat maar niet zo voordelig is. De Nederlanders op de forten beginnen meer aan buitenlanders te verkopen, ook aan Engelsen.

In enkele van de met het archief meegestuurde brieven blijken zich na opening bovendien monsters kralen en een paar gouden ringen te bevinden, bijzondere bijvangst. Glaskralen speelden een belangrijke rol in de slavenhandel. En stofgoud uit de Goudkust (het huidige Ghana) was gewilde retourvracht. Maar vooral de kralen zijn uitzonderlijk, te meer omdat ze zo kleurrijk en nog onbeschadigd zijn. En de brieven leveren zo ook nieuwe informatie op over kralenhandelaren in Nederland

Het teruggevonden archief uit Elmina en de brieven met kralen haalden zelfs National Geographic Magazine en het tijdschrift Tribale Kunst

Nagestuurd: Essequebo, Demerary, Berbice, 1681-1795

Maar er is meer onverwacht en onbekend materiaal boven water gekomen. In TNA zit ook in het archief Colonial Office (CO) Hollandse en Zeeuwse slavernij- en plantagegeschiedenis verstopt. De oude koloniën in West-Indië eind achttiende, begin negentiende eeuw waren over en weer Nederlands en Brits eigendom. Zo was Sint Eustatius even Brits in 1781, in 1801-1802 en van 1810-1816. Essequebo, Demerary, Berbice waren Brits gebied van 1796 tot 1802; in 1803 werd het terugveroverd en in 1814 formeel overgedragen door het nieuw ingestelde Koninkrijk der Nederlanden aan Groot-Brittannië. Suriname was Brits in 1799-1802 en 1804-1816. 

  • Kaart van de ‘Wilde Kust’ met de Nederlandse koloniën Essequebo, Demerary en Berbice in het huidige Guyana (Tegenwoordige Staat van America II, 1767)

Er is een substantiële hoeveelheid Nederlands archiefmateriaal over de zogenoemde Wilde Kust in wat tegenwoordig Guyana is (de sinds 1966 onafhankelijke voormalige Britse kolonie). En die, zoals dat heet, net als de gekaapte fortenadministratie, naar zijn aard behoort te berusten in het Nationaal Archief in Den Haag. In het kielzog van de aanwijzing van het archief van de Nederlandse West-Indische Compagnie als UNESCO werelderfgoed, is ook dit deel in Colonial Office opgenomen in het register Memory of the World. Het gaat daarbij om twee onderdelen. Ten eerste een fraai in perkament met sluitklep gebonden serie ingekomen stukken bij de kamer Zeeland van de West-Indische Compagnie over Essequebo en Demerary uit de periode 1686-1792 (50 banden, CO 116/18-67). De kamer Zeeland was de eerstverantwoordelijke voor deze gebieden. Ten tweede een deel van het archief van de Sociëteit van Berbice uit de periode 1681-1795 (69 banden, CO 116/68-136), bestaande uit series bestuursarchief, zoals notulen en rekesten, plakkaten en bekendmakingen, landgunningen en hypotheken, financiële administratie, besluiten van het Hof van Justitie en notarieel archief. 

Nadat Groot-Brittannië in 1814 het beheer van de Nederlandse koloniën had overgenomen, verzochten zij om overdracht van de eerder in het gebied gevormde archieven. Het is vooral het getreuzel en getraineer van de Zeeuwen op het kantoor van de voormalige West-Indische Compagnie in Middelburg die ervoor zorgt dat slechts een deel van het WIC-archief naar Engeland gaat en dat pas na tussenkomst, tot tweemaal toe, van de minister van Buitenlandse Zaken. Als gebaar van goede wil zouden nog twee mooie kaarten meegestuurd kunnen worden (die van geen belang werden geacht omdat er veel betere waren). Bij Koninklijk Besluit wordt in 1818 de officiële overdracht van de archivalia geregeld. Een volgend Brits verzoek om archiefstukken over Berbice kon door het Sociëteitsbestuur in Amsterdam niet worden genegeerd. Van tijdrekken is geen sprake meer, zij het dat ook nu niet alles werd nagestuurd.

Opgetekend: Sint-Eustatius, 1781

Er zijn ook gegevens over de bevolking van Sint Eustatius. Hierin is een registratie van de bewoners van het eiland na de verovering door Admiral George Bridges Rodney op 3 februari 1781. Het bestaan van het kapers- en vrijbuitersnest Sint Eustatius, niet voor niets ook wel genoemd de Golden Rock, zat de Engelsen niet lekker. Vanuit hier werden onder meer de opstandelingen in Noord-Amerika bevoorraad. Na twee dagen was de overgave aan een grote Britse troepenmacht een feit.

Even daarvoor speelde het eiland een rol op het wereldtoneel. Toen het Amerikaanse oorlogsschip Andrew Doria op 16 november 1776 op Sint Eustatius kwam voor wapens en munitie, liet de Nederlandse gouverneur Johannes de Graaff vanuit Fort Oranje haar saluutschoten beantwoorden (the First Salute). Door de opstandelingen werd het gezien als erkenning van de Amerikaanse vlag, voor de Engelsen was het verraad van een bondgenoot. De Graaff moest in Den Haag uit komen leggen wat er was gebeurd. Onvoldoende excuses en onduidelijke diplomatieke steunbetuiging vanuit Den Haag en de voortgaande smokkelhandel leidden tot de Britse oorlogsverklaring op 20 december 1780 en de daaropvolgende inname van Sint Eustatius. Ditmaal moest De Graaff als krijgsgevangene naar Londen om te vertellen wat er allemaal is voorgevallen. De Republiek verklaarde in mei 1781 de oorlog aan Engeland. Na Frankrijk was de Republiek de tweede Europese mogendheid die de onafhankelijkheid van de Verenigde Staten van Amerika erkende (1782).

Na de inname werd het eiland in kaart gebracht. De Engelsen wilden graag weten wie er nu eigenlijk allemaal op Sint Eustatius zaten. Daarbij had Rodney zijn bemanning een deel van de buit beloofd. De registratie is des te interessanter omdat de Engelsen in 1781 het archief van het eilandbestuur vernietigden, zulks in schril contrast tot het bewaren van alle op zee gekaapte brieven en scheepspapieren. En het archief was al geminimaliseerd omdat het in 1772 door een orkaan verloren was gegaan.

In het archief Colonial Office bevindt zich nog het resultaat van de opdracht van Rodney voor de inventarisatie van het eiland: bewoners, slaafgemaakten, huizen, vee (de zogeheten ‘Rodney Roll’) – ‘An Alphabetical Liest of all Burghers resident in the Island of St Eustatius’. Dit is een overzicht op naam van alle inwoners op het eiland ten tijde van de verovering door Rodney, met vervolgens vermelding of ze getrouwd waren, aantal zonen, aantal dochters, ‘mansslaven, dito vrouwen, dito jongens en dito meisjes’. De omvang van de bevolking van Sint Eustatius was verrassend gering in verhouding tot de grote handelsstromen en bedroeg volgens de telling 3.295 zielen, waarvan 1.631 slaafgemaakten. De vrije bevolking was van verschillende herkomst, behalve Nederlanders ook Fransen, Amerikanen, Spanjaarden, Grieken, Turken en zelfs Engelsen en Schotten. Binnen een jaar namen de Fransen het gebied over en de inventaris van Rodney verdween in een lade.

Opgetekend: Suriname, 1811

Als de Engelsen in 1804 Suriname overnemen willen ze ook weten wie daar allemaal woonden. En weer volgt een optekening van de samenstelling van de bevolking. Dertien leren banden bevatten de volkstelling Suriname volgens de proclamatie van 17 oktober 1811 (CO 278/15-27). Deze bestaat uit drie series ingebonden ‘returns’, teruggekomen ingevulde en al dan niet met een kruisje getekende censusformulieren (er zijn zowel voorgedrukte als geschreven formulieren, Nederlands- en Engelstalige – het toont de overgangssituatie). Ten eerste de registratie van de slaafgemaakten per plantage, met een alfabetische lijst van alle plantages (meer dan 500) met naam van de administrateur en het aantal slaafgemaakten. Ten tweede een opgave van de blanke bevolking volgens een naamlijst op nummer van alle blanke inwoners met hun families en aantallen slaafgemaakten. En ten derde een opgave van de vrije zwarte en gekleurde bevolking volgens een genummerde naamlijst van alle vrije zwarte en gekleurde inwoners met hun families en aantallen slaafgemaakten. Ook de namen van de slaafgemaakten werden genoteerd, hun beroepen, werkzaamheden en andere bijzonderheden.

In een brief, gedateerd 30 maart 1812, van Pinson Bonham, interim-gouverneur van Suriname, somt hij nauwgezet de samenstelling op van de bevolking naar geloof op dat moment. Hij had navraag gedaan bij de diverse kerkelijke leiders (Gereformeerd, Luthers, Rooms-Katholiek, Anglicaans, de Duitse en Portugese Joodse gemeenschap en de Moravische broederschappen). Hoewel er geen registraties waren bijgehouden kunnen zij goed aangeven hoe groot hun gemeente is en hoeveel ‘colored people’ zij tellen.

De totalen kwamen volgens Bonham dan op:

- ‘white inhabitants with their families: 2.029’; 
- ‘their slaves of all descriptions: 7.115’; 
- ‘the free colored & black with their families: 3.075’; 
- ‘their slaves: 2.599’; 
- ‘total number of slaves of plantation or residence: 42.223’; 
- ‘total number of souls: 57.041’. 

Het totale aantal zal nog wat hoger zijn geweest omdat de marrons, weggelopen slaafgemaakten, alsook de oorspronkelijke inheemse bevolking niet meegeteld zijn. Zij leefden immers niet op de plantages, maar diep in het binnenland. Als Suriname in 1816 weer onder Nederlands bestuur komt, is de hele operatie van de volkstelling achterhaald en wordt deze keurig opgeborgen in het archief van het ministerie van Koloniën in Londen.

Kortom, gekaapt, nagestuurd en later opgetekend, bijzondere bronnen voor Nederlandse West-Indische slavernij- en plantagegeschiedenis, verstopt in een Engels archief. Op verzoek van TNA is verslag gedaan in het tijdschrift Magna van de Friends of TNA. De onverwachte bronnen met een opmerkelijke overleveringsgeschiedenis geven een beeld van de samenleving en de omvang van de vrijen en onvrijen in de verschillende koloniën. Dit niet of nauwelijks gebruikt materiaal over de Nederlandse plantage-economie in West-Indië vraagt om nader onderzoek. De scans staan inmiddels online op de site van het Nationaal Archief. En met de extra financiering van OCW zal er nog meer beschikbaar komen.

Erik van der Doe